Naar de inhoud

Loslaten aanhaakverplichting in strijd met het Europees recht?

Voorzittershamer
monomestvergisters

Inleiding

In deze blog wordt een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2026 besproken (ECLI:NL:RBOVE:2026:2226). De uitspraak gaat over omgevingsvergunningen voor de bouw van vijftien monomestvergisters in de gemeente Ommen. Een stichting, die zich onder meer inzet voor de bescherming van de natuur, is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunningen en stapt daarom naar de Overijsselse bestuursrechter. Eén door de stichting ontwikkelde beroepsgronden legt een interessante juridische vraag bloot: is het loslaten van de onlosmakelijke samenhang en de aanhaakverplichting onder de Omgevingswet in strijd met het Europees recht?

Onlosmakende samenhang en aanhaakverplichting

Onder de Omgevingswet is de zogeheten onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (‘Wabo’) komen te vervallen. Onder de Wabo moest in één keer voor alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen een omgevingsvergunning worden aangevraagd en verleend. Ook is de aanhaakverplichting zoals die gold onder de Wabo komen te vervallen. Die verplichting hield in dat als een aanvrager zowel een omgevingsvergunning (als bedoeld in artikel 2.1 of artikel 2.2 van de Wabo) als een (natuur)toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig had, de aanvrager ervoor kon kiezen om de natuurtoestemming aan te vragen bij het bevoegd gezag op grond van de Wet natuurbescherming (‘Wnb), in dit geval Gedeputeerde Staten, of om alleen de omgevingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag op grond van de Wabo. Bij de beoordeling van deze laatstbedoelde aanvraag moest het Wabo-bevoegde gezag beoordelen of er ook een natuurtoestemming nodig was.

Strijd met het Europees recht?

De stichting vindt dat het loslaten van de onlosmakelijke samenhang en de aanhaakverplichting en het verschuiven van de verantwoordelijkheid om een natuurtoestemming aan te vragen naar de initiatiefnemer in strijd is met Unierecht, meer in het bijzonder met artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn verplicht lidstaten, kort gezegd, ertoe om voor plannen en projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling te maken voordat toestemming wordt verleend. De vergunningverlening mag pas plaatsvinden nadat het bestuursorgaan zekerheid heeft verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet worden aangetast.

De uitspraak maakt helaas niet helemaal duidelijk waarom de stichting vindt dat het loslaten van de aanhaakverplichting in strijd is met de hiervoor genoemde verplichting uit de Habitatrichtlijn. Uit de overwegingen van de bestuursrechter valt wel af te leiden dat de stichting ‘vreest’ dat de loskoppeling van vergunningplichten er in de praktijk toe leidt dat de monomestvergisters worden gebouwd en in gebruik genomen zónder dat een Natura 2000-vergunning wordt aangevraagd. In die lezing zou artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn mogelijk worden omzeild, omdat zoals gezegd dat artikel een voorafgaande beoordeling vereist van projecten die significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden kunnen hebben.

Wat vindt de rechtbank?

De rechtbank snijdt die vrees in de kiem met een pragmatisch argument: de loskoppeling betekent niet dat zonder natuurtoestemming mag worden gehandeld. Als een Natura 2000-vergunning vereist is, moet die alsnog worden aangevraagd, en bij het achterwege laten ervan staat handhaving open. Het huidige systeem biedt volgens de rechtbank dus voldoende waarborgen. Op het argument van de stichting dat een handhavingsprocedure voor haar te omslachtig is en dat haar rechtsbescherming onzeker zou zijn, reageert de rechtbank door te wijzen op de uitgebreide voorbereidingsprocedure die wettelijk van toepassing is op de aanvraag voor een Natura 2000-activiteit - waarbinnen een ieder zienswijzen kan indienen. Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen wijst de rechtbank vervolgens af, nu zij zelf tot het oordeel komt dat van strijdigheid geen sprake is.

Conclusie

De rechtbank komt dus tot het oordeel dat het loslaten van de aanhaakverplichting en de onlosmakelijke samenhang niet in strijd is met het Europees recht. Ook de overige beroepsgronden van de stichting worden ongegrond verklaard. De omgevingsvergunningen blijven daarmee vooralsnog in stand. Of de stichting dit oordeel nog wil voorleggen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is onbekend.

Deze blog is geschreven door Tony Barshini. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Tony Barshini (tel. (0)23530251; barshini@potjonker.nl) of een van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker advocaten.