1. Ontslag tijdens loonsanctie, 1.1. Algemeen(Werkloosheid)
Deze paragraaf is bijgewerkt tot 17 februari 2016
Wanneer een loonsanctie (dat wil zeggen een verlengde periode van loondoorbetaling ex art. 25, lid 9, WIA) is opgelegd, is een verlengd opzegverbod van toepassing (art. 7:670, lid 10, BW). Het is de bedoeling dat een werkgever in die periode van de loonsanctie opnieuw zijn best doet de re-integratie van de werknemer te bevorderen, zodat na afloop van die verlengde periode geen WIA- of WW-uitkering behoeft te worden opgelegd.
Tijdens de loonsanctie is het risicovol voor werknemers na te laten verweer te voeren tegen het ontslag, omdat na ontslag geen WIA- of WW-uitkering kan worden toegekend. In de WW en de WIA wordt het specifiek als benadeling aangemerkt geen verweer te voeren tegen de beëindiging van het dienstverband wanneer een loonsanctie is opgelegd. Het uitkeringsrecht kan dan geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten.
Instemmen met beëindiging is dus in beginsel niet toegestaan. Daarnaast blijkt uit de tekst dat niet mag worden nagelaten verweer te voeren, wanneer daar geen deugdelijke grond voor is. Maar ook zal een werknemer een beroep moeten doen op de nietigheid van een ontslag, wanneer van nietigheid sprake is, bijvoorbeeld omdat het opzegverbod bij ziekte is geschonden of ten onrechte tijdens ziekte wegens een dringende reden is ontslagen. De norm wordt – naar kan worden aangenomen op basis van het bepaalde in art. 45 ZW – ook materieel ingevuld: niet voldoende is het wanneer door de werknemer niet echt een vol verweer maar slechts een pro-formaverweer wordt gevoerd. Zelfs het bereiken van een akkoord in het kader van een gevoerde ontbindingsprocedure kan…