Naar de inhoud

3. Bestuursrechtelijke geldschulden – verjaring(Zorg)

Deze paragraaf is bijgewerkt tot 2 januari 2018

3.1. Verjaring onder de Vierde tranche

Met de Vierde tranche is ook een algemene wettelijke regeling in de Awb opgenomen voor de verjaring van vorderingen aan of door een bestuursorgaan. Het gaat hier niet om de vraag binnen welke termijn een bestuursorgaan nog rechtsgeldig een verplichting tot betaling kan vaststellen, maar om de vraag hoe lang degene die verzuimd heeft tijdig aan een verplichting tot betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld te voldoen, nog in rechte tot nakoming kan worden gedwongen.

Als het gaat om de vraag welke verjaringstermijn geldt bij het afgeven van een besluit tot terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering, brengt de Vierde tranche geen verandering. Daarvoor geldt de regeling van art. 3:309 BW.

Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart bij verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in elk geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan (zie ook CRvB 25 maart 2015, nr. 13/6539 WAO, JB 2015/94 en CRvB 30 maart 2016, nr. 13/6383 WAO, USZ 2016/214 en JB 2016/139, ECLI:NL:CRVB:2016:1635).

Art. 4:104 Awb bepaalt dat de rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. Na afloop van die termijn kan het bestuursorgaan zijn…