Afkoop van erfpachtcanon en overdrachtsbelasting (I)
1. Inleiding
Ingevolge art. 11, lid 1, WBR wordt bij verkrijging van erfpacht de reguliere heffingsgrondslag ter berekening van de overdrachtsbelasting2 verhoogd met de gekapitaliseerde waarde van de jaarlijkse canon (maximale grondslag: de waarde van de volle eigendom waarop het recht rust). Bij verkrijging van een onroerende zaak bezwaard met erfpacht (de bloot eigendom) geldt het omgekeerde: dan wordt de reguliere heffingsgrondslag verlaagd met de gekapitaliseerde waarde van de jaarlijkse canon (art. 11, lid 2, WBR). De berekening van de gekapitaliseerde schuldplichtigheid geschiedt in beide gevallen op de voet van de bijlage bij het uitv.besl.BR (art. 2 uitv. besl.BR in verbinding met art. 11, lid 3, WBR). Het spreekt voor zichzelf dat voor verhoging en verlaging van de heffingsgrondslag als hiervoor bedoeld geen plaats is, als de erfpacht voor de resterende duur van het recht canonloos is, hetzij ingevolge de bij uitgifte overeengekomen erfpachtvoorwaarden, hetzij als gevolg van latere wijziging van die voorwaarden (afkoop3).4
In dit artikel gaan wij voor de volgende praktijksituaties na wat de invloed van afkoop of verhoging van de canon is op de heffingsgrondslag:
de situatie dat grond in erfpacht wordt uitgegeven tegen betaling van een afkoopsom voor de canon (par. 2)
de situatie dat 5 jaar na de uitgifte van erfpacht de canon voor 50 jaar wordt afgekocht tegen betaling van een afkoopsom (par. 3)
de situatie dat de bloot eigenaar zijn bloot eigendom overdraagt, nadat de canon reeds eerder was afgekocht (par. 4)
de situatie dat de canon periodiek kan worden herzien…