Art. - De arbeidsrechtelijke aspecten van de bankierseed: een globale verkenning
In dit artikel1 wordt een weergave gegeven van de inhoud van de bankierseed en het daaraan verbonden tuchtrecht. Vervolgens wordt besproken hoe bankmedewerkers hieraan gebonden worden en wat de gevolgen zijn voor de arbeidsovereenkomst bij schending van de bankierseed of het niet afleggen daarvan.
Inleiding
Ruim een jaar geleden, op 1 april 2015, is de verplichting tot het afleggen van de bankierseed in werking getreden.2 De eed is een moreel-ethische verklaring die ondertekend dient te worden door bankiers met het doel om bewustwording te vergroten bij alle bestuurders, bankmedewerkers en het algemeen publiek. De bewustwording ziet op de verantwoordelijkheid die bankiers dragen voor de bank waar zij werkzaam zijn en voor het maatschappelijk belang.3 Bankmedewerkers die de eed afleggen onderwerpen zich ook aan het tuchtrecht.
Weergave van de inhoud van de bankierseed
Al eerder waren, sinds januari 2013, beleidsbepalers en interne toezichthouders van financiële ondernemingen op grond van art. 3:8 en 4:9 Wet op het financieel toezicht (‘Wft’), in het kader van geschiktheid, verplicht om de bankierseed af te leggen.4 Met ingang van 1 april 2015 is deze verplichting aanzienlijk verruimd. Art. 3:17b Wft ziet erop toe dat banken5 met een zetel in Nederland waarborgen dat natuurlijke personen die in Nederland onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn een eed of belofte afleggen indien zij a) een arbeidsovereenkomst met de bank hebben of b) werkzaamheden uitvoeren die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van het bankbedrijf, dan wel deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan. Art. 4:15a Wft waarborgt dat financiële ondernemingen er zorg voor…