Bekostigingssystematiek
De staatssecretaris wil dat per 1 januari 2018 een vereenvoudigde bekostigingssystematiek in het voortgezet onderwijs in werking treedt. In deze nieuwe systematiek zijn nog maar drie factoren bepalend, te weten:
-
een bedrag voor leerlingen in de onderbouw en in de bovenbouw van het algemeen vormend onderwijs;
-
een (hoger) bedrag voor leerlingen in het praktijkonderwijs en leerlingen in de bovenbouw van het voorbereidend beroepsonderwijs;
-
een (beperkte) vaste voet per vestiging.
Op dit moment ontvangen vmbo-scholen al meer bekostiging dan havo/vwo-scholen. De staatssecretaris wil dit verschil handhaven, omdat hij scholen niet wil ontmoedigen om (praktijkgericht) vmbo aan te bieden. Bovendien houdt hogere bekostiging rekening met het kostenverschil tussen theoretisch en praktijkgericht onderwijs. Een tweede kostenbepalend element waarmee rekening wordt gehouden, is het aantal vestigingen waarop onderwijs wordt gegeven. Door in de nieuwe systematiek een vast bedrag per vestiging te hanteren, worden de mogelijkheden voor een kleinschalig, lokaal onderwijsaanbod vergroot.
De staatssecretaris streeft ernaar de herverdeeleffecten van de nieuwe systematiek zo klein mogelijk te houden. Uit berekeningen komt naar voren dat er over het algemeen maar beperkte herverdeeleffecten zullen optreden. Om de effecten te temporiseren wil de staatssecretaris een overgangsregeling instellen. In overleg met de VO-raad zal hij de nieuwe systematiek vastleggen in een wetsvoorstel. Hierbij zal ook de discussie gevoerd worden over wat een vestiging is en aan welke eisen een vestiging moet voldoen, bijvoorbeeld als het gaat om een minimumaantal leerlingen.
Bij een vereenvoudigde toekenning van middelen dient ook de transparantie te verbeteren over de uitgaven en waar de inzet van die middelen toe leidt. De staatssecretaris gaat met de…