Naar de inhoud

Beslissing over vergoeding van griffierecht door bestuursorgaan na een ingetrokken beroep behoort niet tot bevoegdheid bestuursrechter

Samenvatting

Belanghebbende heeft in één bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling van 72 objecten. In beroep heeft de rechtbank de objecten gesplitst in 20 groepen en heeft 20 maal griffierecht geheven van belanghebbende. Hangende de beroepen heeft zij de beroepen ingetrokken wegens een compromis met de gemeente. Omdat de gemeente weigerde de griffierechten te vergoeden, heeft belanghebbende de rechtbank verzocht de gemeente te veroordelen de griffierechten te vergoeden. Het hof oordeelt, dat de beslissing over vergoeding van het griffierecht door het bestuursorgaan na een ingetrokken beroep niet tot de bevoegdheid van de bestuursrechter behoort. Zij kan naleving van de verplichting tot het vergoeden van griffierecht uitsluitend bij de burgerlijke rechter afdwingen. De rechtbank heeft zich terecht (enkel) in een tussenoverweging uitgesproken over de hoogte van het te vergoeden griffierecht. Deze overweging is echter niet vatbaar voor hoger beroep, zodat het hoger beroep van de heffingsambtenaar in zoverre niet-ontvankelijk is. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de eindbeslissing van de rechtbank (namelijk dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding) is ook niet-ontvankelijk, namelijk wegens gebrek aan belang.

(Hoger beroep niet-ontvankelijk.)

Commentaar

Het voegen en splitsen van zaken is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Dat volgt uit de tekst van art. 8:14, lid 1, Awb (een zogenoemde kan-bepaling). De rechter kan daartoe zowel op verzoek van partijen (zie art. 8:14, lid 2, Awb) als ambtshalve besluiten. Partijen hebben een financieel belang bij voeging van samenhangende zaken, omdat dan slechts éénmaal griffierecht hoeft te worden betaald (en dus ook eventueel…