Naar de inhoud

Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 7 art. 673c (Arbeidsrechtartikelsgewijs)


Commentaar is bijgewerkt tot 26-09-2017 door mr. K. Hakvoort

Artikel 673c Tekst van de hele regeling

1.

De transitievergoeding, bedoeld in de artikelen 673, lid 2, en 673a, lid 1, is niet langer verschuldigd, indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend of op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is.

2.

Indien de betaling van de transitievergoeding, bedoeld in de artikelen 673, lid 2, en 673a, lid 1, leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever, kan de transitievergoeding onder bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen voorwaarden in termijnen worden betaald. Daarbij kan worden bepaald dat de transitievergoeding met een bij die ministeriële regeling te bepalen percentage wordt verhoogd.

A: Inleiding

Wat betreft wetsgeschiedenis en jurisprudentie tot heden bijgewerkt.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

In art. 7:673c BW is geregeld dat de transitievergoeding niet langer1 verschuldigd is als de werkgever failliet gaat, als aan hem surseance van betaling is verleend of als op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is. Volgens de wetgever is in deze situaties duidelijk dat de werkgever niet langer in staat is de transitievergoeding te betalen.2 De verplichting tot het betalen van de transitievergoeding herleeft in het geval van surseance van betaling niet op het moment dat de surseance wordt opgeheven. Volgens de regering zal dit de voortzetting van de activiteiten vergemakkelijken. Anders dan met de loonbetalingsverplichting het geval is (hoofdstuk IV van de WW; de loongarantieregeling), is in de wet niet voorzien in een regeling op grond waarvan de betalingsverplichting van de transitievergoeding van de werkgever wordt overgenomen als sprake is van surseance of faillissement. De regering rekent het niet tot haar verantwoordelijkheid hiervoor een voorziening te treffen.3 De minister heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven in dit kader geen collectieve voorziening te willen treffen, met de overweging dat (1) het risico in dat geval wordt afgewenteld op de samenleving, (2) het ten koste zou gaan van goede sociale plannen en (3) het ertoe zou kunnen leiden dat werkgevers geen of onvoldoende reserveringen maken, omdat een werknemer dan altijd nog de collectieve voorziening achter de hand heeft.4 Uiteraard staat het sociale partners vrij hiervoor een voorziening te treffen.​

Naast het niet verschuldigd zijn van de transitievergoeding in de gevallen zoals genoemd in het eerste lid maakt het tweede lid van dit artikel het mogelijk dat de transitievergoeding in termijnen (als betalingsregeling) kan worden betaald. Dit is slechts toegestaan als de betaling van de transitievergoeding in één keer leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever. Of sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering is ter beoordeling van de werkgever. Als de werknemer meent dat de werkgever zich ten onrechte beroept op art. 7:673c lid 2 BW, kan hij de rechter verzoeken een oordeel te geven over de vraag of betaling ineens inderdaad leidt tot de bedoelde onaanvaardbare gevolgen.5 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat men voornemens is de duur van de betalingsregeling te stellen op ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf de maand nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het percentage waarmee de transitievergoeding wordt verhoogd als de werkgever de transitievergoeding in termijnen uitbetaalt, is gelijk aan de wettelijke rente, zoals bedoeld in art. 7:686a lid 1 BW. Deze bepaling is in de wet gekomen om te voorkomen dat een werkgever te snel overgaat tot een betalingsregeling. Van een verdere verhoging heeft de regering afgezien.6

Art. 7:673c BW is in de wet verschenen, omdat in het sociaal akkoord is overeengekomen dat het recht op een transitievergoeding niet geldt als de werkgever door het betalen daarvan in ernstige financiële problemen komt. Hoewel de sociale partners een ruimere hardheidsclausule overeengekomen waren,7 was dat criterium volgens de regering te weinig eenduidig om in de praktijk toepasbaar te kunnen zijn. Daarom is in art. 7:673c BW een beperkte hardheidsclausule opgenomen.

Art. 7:673c BW maakt overigens niet dat als sprake is van een gelijkwaardige voorziening zoals bedoeld in art. 7:673b BW deze evenmin verschuldigd is in de situatie van faillissement, surseance van betaling of toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Deze blijft verschuldigd door de werkgever. Het is aan cao-partijen in de cao te bepalen dat een gelijkwaardige voorziening bij (of na) faillissement of surseance van betaling niet verschuldigd is.8

1
Zie over de vraag wat de bedoeling van de wetgever is met de passage ‘niet langer verschuldigd’ het artikel van H.H. Kreikamp, ‘Transitievergoeding werknemer vervalt bij faillissement en surseance: een nieuwe ontsnappingsroute voor werkgevers?’, FIP 2015/4 en J. van der Pijl, ‘De Wet werk en zekerheid en de gevolgen voor de insolventiepraktijk’, TvI 2015/22.
2
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 114.
3
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 85.
4
Handelingen II 2013/14, 33 818, nr. 54, item 9, p. 30.
5
Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 83.
6
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 68.
7
In het sociaal akkoord was het volgende opgenomen: ‘‘een hardheidsclausule die inhoudt dat de verplichting tot betaling van een transitievergoeding kan worden verminderd dan wel op nul gesteld indien de betaling van de volledige vergoeding ertoe zou leiden dat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt. Dit geldt ook wanneer dit tot gevolg zou hebben dat een groter aantal ontslagen nodig is onder de voorwaarde dat de werkgever ten opzichte van de betrokken werknemers aan zijn verplichtingen als goed werkgever met betrekking tot employability en duurzame inzetbaarheid heeft voldaan.’’
8
Zie hiervoor Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 99-100.

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 673c.

F: Literatuurverwijzing

  • Kreikamp, H.H., ‘Transitievergoeding werknemer vervalt bij faillissement en surseance: een nieuwe ontsnappingsroute voor werkgevers?’, FIP 2015/4;
  • Pijl, J. van der, ‘De Wet werk en zekerheid en de gevolgen voor de insolventiepraktijk’, TvI 2015/22.