De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in termijnen van niet langer dan een maand.
Commentaar op Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Artikel 50 (Betaling van de uitkering). (artikeltekst geldig vanaf 2011-01-01)
Artikel 50 Betaling van de uitkering Tekst van de hele regeling
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
recht op een lagere uitkering bestaat;
degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 25, 28 of 80 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
Wanneer degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
Onze Minister kan regelen vaststellen inzake de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door organen, welke belast zijn met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze wet.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, onder door hem te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, invaliditeitsuitkeringen of pensioenen, verschuldigd door die organen, betaalbaar te stellen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt regels omtrent de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in gevallen waarin de verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode waarover hij tevens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt.
Indien een reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een beschikking omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een beschikking tot opschorting of schorsing als bedoeld in het achtste lid.
Kern van het wetsartikel
Art. 50 regelt de betaalbaarstelling van de WAO-uitkering en de omstandigheden waaronder opschorting of schorsing van de uitkering plaatsvindt.
Lid 1 van art. 50 regelt de betaalbaarstelling en de termijn waarover de betaling van een WAO-uitkering plaatsvindt.
Voor de situatie dat het UWV niet tijdig de uitkering uitbetaalt, heeft het voormalige Lisv het Besluit Schadebeleid, besluit van 10 maart 1999, Stcrt. 1999, 54, tot stand gebracht. Dit besluit is 21 maart 1999 in werking getreden.
Art. 50, lid 2 geeft de omstandigheden waaronder het UWV tot schorsing of opschorting van de WAO-uitkering kan overgaan.
Het UWV heeft het beleid ten aanzien van het schorsen of opschorten van uitkeringen neergelegd in de Beleidsregels schorsing en opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, beleidsregels van het UWV van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230. Deze beleidsregels zijn 26 november 2006 in werking getreden.
Lid 3 van art. 50 regelt de betaling van de WAO-uitkering naar het buitenland.
Art. 50, lid 4 geeft aan met ingang van welke datum door het UWV gevolg wordt gegeven aan een door de WAO-uitkeringsgerechtigde afgegeven machtiging of een machtiging die door hem is ingetrokken.
Lid 5 van art. 50 regelt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden vastgesteld over de betaling van WAO-uitkering door organen die invaliditeitsuitkeringen of pensioenen uitbetalen. Dit betreft de volgende ministeriële regelingen:
-
Het Besluit Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen, ministeriële regeling van 20 juni 1985, Stcrt. 1985, 123. Deze ministeriële regeling is op 29 juni 1985, met terugwerkende kracht tot 1 april 1985 in werking getreden.
-
De Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, ministeriële regeling van 19 december 2006, Stcrt. 2006, 253. Deze ministeriële regeling is op 1 januari 2007 in werking getreden.
Art. 50, lid 6 geeft aan dat het UWV op verzoek van die organen gelijktijdig met de WAO-uitkering een invaliditeitsuitkering of pensioen van dat orgaan betaalbaar kan stellen.
Lid 7 van art. 50 geeft aan dat het UWV regels kan stellen over de betaalbaarstelling van de WAO-uitkering in de periode dat de WAO-uitkeringsgerechtigde tevens een WW-uitkering ontvangt.
Art. 50, lid 8 regelt dat het UWV de WAO-uitkering voor een periode van maximaal acht weken kan opschorten of schorsen in het geval een re-integratiebedrijf meldt dat het gegronde vermoeden bestaat dat de WAO-uitkeringsgerechtigde niet meewerkt aan de re-integratie in het arbeidsproces.
Lid 9 van art. 50 geeft aan dat het UWV het re-integratiebedrijf op de hoogte stelt van een beschikking zoals bedoeld in lid 9.
Beschrijving van de wijzigingen
Wijziging met ingang van 1 januari 2011
Op grond van art. XIII, onderdeel B, Verzamelwet SZW 2011, Wet van 16 december 2010, Stb. 2010, 838 is de tekst van art. 50, lid 3, opnieuw vastgesteld.
Wijziging met ingang van 1 juli 2009
Op grond van art. 19, onderdeel K, Aanpassingswet vierde tranche Awb, Wet van 25 juni 2009, Stb. 2009, 265 is een aantal wijzigingen aangebracht in art. 50:
-
Onder vernummering van de leden 3 tot en met 10 tot de leden 2 tot en met 9 is lid 2 vervallen.
-
In het nieuwe lid 2 is 'Onverminderd het tweede lid, schort het UWV de betaling van de uitkering op' vervangen door: Het UWV schort de betaling van de uitkering op.
-
Lid 3 is opnieuw vastgesteld. Het derde lid luidde tot 1 juli 2009:
-
'In geval de uitkering, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt uitbetaald worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht.'
-
In het nieuwe lid 9 is 'in het negende lid' vervangen door: in het achtste lid.
Eerste wijziging met ingang van 29 december 2005
Op grond van art. 1.1, onderdeel R, Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen, Wet van 10 november 2005, Stb. 2005, 573 is met ingang van 29 december 2005:
-
in lid 8 ‘de werknemer’ vervangen door: de verzekerde; en
-
na lid 8 een negende en tiende lid toegevoegd om de verplichtingen van de WAO-uitkeringsgerechtigde tegenover een re-integratiebedrijf te versterken.
Tweede wijziging met ingang van 29 december 2005
Op grond van art. XI, onderdeel I, Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet van 22 december 2005, Stb. 2005, 710 is eveneens met ingang van 29 december 2005 in lid 9 en 10 ‘een besluit’ telkens vervangen door: een beschikking.
Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.
Commentaar
1. Betaling van de WAO-uitkering
Art. 50 regelt de betaling van de WAO-uitkering.
Ook andere socialeverzekeringswetten (art. 30 WW, art. 67 Wet WIA, art. 55 WAZ, art. 2:49 en art. 3:45 Wajong, art. 26 IOW en art. 15 TW) kennen een dergelijke bepaling. De ZW kent geen specifieke bepaling over betaling van het ziekengeld.
| Onderdeel | Onderwerp | Nadere regelgeving |
| Lid 1 | Betaling door het UWV, in termijnen van niet langer dan een maand | Besluit Schadebeleid, besluit van 10 maart 1999, Stcrt. 1999, 54 |
| Lid 2 | Schorsing of opschorting van de uitkering | Beleidsregels schorsing en opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, beleidsregels van het UWV van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230. |
| Lid 3 | Tijdstip van betaling van uitkering naar het buitenland | |
| Lid 4 | Gevolgen van afgifte of intrekking van een machtiging door de uitkeringsgerechtigde | |
| Lid 5 | Nadere regels over betaling WAO-uitkering door orgaan dat belast is met uitbetaling invaliditeitsuitkering of pensioen | Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen, ministeriële regeling van 20 juni 1985, Stcrt. 1985, 123 |
| Lid 6 | Het UWV kan op verzoek de WAO-uitkering gelijktijdig laten uitbetalen als het tijdstip van betaling van de invaliditeitsuitkering of pensioen | Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, ministeriële regeling van 19 december 2006, Stcrt. 2006, 253 |
| Lid 7 | Nadere regels door het UWV over betaalbaarstelling WAO-uitkering als er gelijktijdig recht bestaat op WW-uitkering | |
| Lid 8 | Opschorting of schorsing van de WAO-uitkering voor maximaal acht weken als er een gegrond vermoeden is dat de uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleend aan het re-integratiebedrijf | Beleidsregels schorsing en opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, beleidsregels van het UWV van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230 |
| Lid 9 | Re-integratiebedrijf wordt door het UWV op de hoogte gesteld van een situatie uit lid 8 | Art. 4.1 Besluit SUWI, besluit van 20 december 2001, Stb. 2001, 688 |
2. Betaalbaarstelling van de uitkering
In art. 50, lid 1 is geregeld dat in het geval dat vast staat dat de betrokkene recht heeft op een WAO-uitkering en dat recht door hem ook geldend kan worden gemaakt, het UWV de uitkering betaalbaar stelt.
De WAO-uitkering wordt door het UWV betaald over tijdvakken van telkens een kalendermaand. De WIA kent een gelijke bepaling in art. 67 Wet WIA.
Het UWV moet de WAO-uitkering tijdig betalen. De gevolgen van een niet tijdige betaling van de WAO-uitkering door het UWV worden behandeld in aantekening 12.
3. Voorschot
In art. 4:95 Awb is geregeld dat het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om vooruitlopend op de vaststelling van een betalingsverplichting een voorschot te verlenen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een dergelijke betalingsverplichting zal worden vastgesteld.
Lid 4 van art. 4:95 Awb bevat de bevoegdheid voorschotten te verrekenen met de te betalen geldsom. Teveel betaalde voorschotten kunnen (in beginsel bij dwangbevel) worden teruggevorderd.
Het bestuursorgaan kan de voorschotverlening of het uitstel tussentijds beëindigen als de belanghebbende zich niet houdt aan de daaraan verbonden voorschriften, de wederpartij onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt of een wijziging van omstandigheden de voortduring van het uitstel of de voorschotverlening onaanvaardbaar maken (art. 4:96 Awb).
3.1. Jurisprudentie over betaling van voorschotten
In het verleden heeft de CRvB de volgende jurisprudentie ten aanzien van het betalen van voorschotten door de CRvB tot stand gebracht.
Beleid van het UWV t.a.v. het niet betalen van een voorschot
De Centrale Raad is van oordeel dat het beleid van het UWV, dat mede inhoudt dat niet tot verstrekking van voorschotten op een WAO-uitkering wordt overgegaan als aannemelijk kan worden geacht dat niet tot toekenning van WAO-uitkering zal worden overgegaan, op zich genomen niet in strijd is met een hier toepasselijke rechtsregel (CRvB 29 april 1998, nr. 96/6903 AAW/WAO, USZ 1998/168).
Het UWV moet aangeven wat de juridische basis is van een voorschotbetaling
In de tweede volzin van art. 50, lid 2 is bepaald dat een verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan WAO-uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
Het UWV is verplicht om aan te geven wat de juridische basis van een betaling is. De belanghebbende moet kunnen weten dat het om een voorschot gaat. In een situatie dat het UWV gedurende twee jaar feitelijk heeft uitbetaald naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse en daarbij geen enkele mededeling heeft gedaan met betrekking tot het karakter van deze betalingen, leidt ertoe dat het UWV geacht wordt te hebben gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door de betalingen als gedaan voorschot op de WAO-uitkering in te trekken per einde wachttijd (o.a. CRvB 6 juni 2006, nr. 04/3049 WAO, USZ 2006/203, LJN: AX8981).
4. Opschorting of schorsing van de WAO-uitkering
Lid 2, 8 en 9 van art. 50 bevatten bepalingen over het opschorten of schorsen van de WAO-uitkering.
4.1. Voorschotbetaling bij opschorting of schorsing van de WIA-uitkering
In art. 50, lid 2 is geregeld dat de betaling van de WAO-uitkering wordt opgeschort of geschorst als het UWV op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
-
het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
-
recht op een lagere uitkering bestaat; of
-
de persoon die recht heeft op uitkering of zijn wettelijk vertegenwoordiger een verplichting, hem op grond van art. 25, 28 of 80 opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Het gaat om de volgende verplichtingen.
De verplichtingen genoemd in art. 25
Dit zijn verplichtingen om in het kader van een oproep van het UWV daar te verschijnen en mee te werken aan het onderzoek bij het UWV.
De verplichtingen genoemd in art. 28
Dit zijn o.a. verplichtingen om
-
voorschriften in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende bij het UWV op te volgen (onderdeel a);
-
zich onder geneeskundige behandeling te stellen als dat door het UWV noodzakelijk wordt geacht en de voorschriften van de behandelende arts op te volgen (onderdeel b);
-
zich niet schuldig te maken aan gedragingen, waardoor de genezing wordt belemmerd en voldoende mee te werken om aanpassing voor een ziekte of gebrek te verkrijgen (onderdeel c);
-
de controlevoorschriften na te komen en de algemene inlichtingenverplichting binnen de daarvoor vastgestelde termijn na te komen (onderdeel d);
-
de arbeidsongeschiktheid niet opzettelijk te veroorzaken (onderdeel e);
-
zich te houden aan de voorschriften met betrekking tot de aanvraag, bedoeld in art. 34, lid 3, 34a, lid 1 en 34a, lid 4 (onderdeel f);
-
mee te werken aan een scholing of opleiding die door zijn werkgever of het UWV wenselijk wordt geacht voor de re-integratie in het arbeidsproces (onderdeel g);
-
mee te werken aan door de werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de belanghebbende in staat te stellen passende arbeid te verrichten en voldoende re-integratie-inspanningen verrichten (onderdeel h);
-
mee te werken aan het opstellen van de re-integratievisie en het re-integratieplan (onderdeel i);
-
de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie en het re-integratieplan behoorlijk na te komen (onderdeel j);
-
als de belanghebbende die bij deelname aan een re-integratietraject zijn re-integratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan onmiddellijk aan het re-integratiebedrijf mee te delen (onderdeel k); en
-
als de belanghebbende zich niet onthoudt van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden (onderdeel l).
-
De verplichting genoemd in art. 80. Dit betreft de algemene informatieplicht tegenover het UWV.
Opschorten ziet op het niet uitbetalen van de uitkering aan het begin van de uitkeringsperiode, wanneer er nog geen betalingen zijn verricht. Van schorsing is sprake bij het niet betalen van de lopende uitkering, dus uitkering tijdens de uitkeringsperiode. Er is in dat geval sprake van een lopende uitkering. Het opschorten en het schorsen van de uitkering is een bevoegdheid van het UWV.
4.2. Onvoldoende medewerking aan het re-integratiebedrijf
Naast de bepaling uit art. 50, lid 2 is er nog een andere bepaling die het UWV de bevoegdheid geeft om een WAO-uitkering op te schorten of te schorsen. In art. 50, lid 8 is bepaald dat als een re-integratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een WAO-uitkering is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, het UWV kan besluiten tot een gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van die uitkering voor de duur van maximaal acht weken.
Op grond van art. 4.1 Besluit SUWI, besluit van 20 december 2001, Stb. 2001, 688 is het UWV verplicht in het contract met een re-integratiebedrijf of arbodienst op te nemen dat dat bedrijf, als zij het gegronde vermoeden hebben dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd (waaronder vergroting van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid moet worden begrepen) onvoldoende medewerking verleent aan de re-integratiewerkzaamheden, dit op verzoek of uit eigen beweging aan het UWV meldt.
4.2.1. Redenen om over te gaan tot opschorting of schorsing
Als het UWV zo’n melding krijgt, is het op grond van art. 50, lid 8 verplicht een besluit te nemen over de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de WAO-uitkering aan de betrokkene. Een dergelijk besluit kan voor een duur van maximaal acht weken worden genomen. In deze periode blijft het recht op WAO-uitkering bestaan. In die periode moet het UWV onderzoeken of de melding van het re-integratiebedrijf moet leiden tot het opleggen van een sanctie aan betrokkene (maatregel of boete).
Aanleiding voor gehele opschorting of schorsing van de betaling van de WAO-uitkering kan zijn dat een persoon blijkt heimelijk (zwart, clandestien) te werken en daardoor in het geheel niet tracht passende arbeid te verkrijgen. Aanleiding voor gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering kan zijn dat een persoon die deelneemt aan een opleiding of scholing blijkt zijn huiswerkopdrachten niet te vervullen of dat blijkt dat een persoon de hem opgedragen specifieke sollicitatieactiviteiten niet of niet behoorlijk verricht. Het UWV was op grond van art. 50, lid 2 al tot gehele opschorting of schorsing van de betaling van de WAO-uitkering gerechtigd als bepaalde verplichtingen niet werden nageleefd.
4.3. Het UWV stelt het re-integratiebedrijf op de hoogte van een besluit tot opschorting of schorsing
In art. 50, lid 9 is bepaald dat het UWV het re-integratiebedrijf in kennis moet stellen van een besluit tot opschorting of schorsing als genoemd in art. 50, lid 8.
Op grond van art. 50 moet het UWV het re-integratiebedrijf, naar aanleiding van wiens melding een beschikking tot opschorting of schorsing als bedoeld in lid 9 is genomen, in kennis stellen van die beschikking.
Als het UWV meent dat het opleggen van een sanctie aan betrokkene noodzakelijk is, moet het UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die uitkeringsgerechtigde werkzaamheden verricht die zijn gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid, op grond van art. 29i van de sanctieoplegging in kennis stellen.
4.4. Voorschotbetaling bij opschorting of schorsing van de WAO uitkering
Ook als het UWV de WAO-uitkering opschort of schorst, kan een voorschot betaald worden. Om die reden was de zinsnede ‘onverminderd het tweede lid’ in art. 50, lid 3 opgenomen.
4.5. Nader onderzoek door het UWV
Het UWV kan slechts van haar bevoegdheid tot het opschorten of schorsen van de WAO-uitkering gebruik maken als er duidelijke aanwijzingen zijn of er een gegrond vermoeden bestaat dat één van de in art. 50, lid 3 genoemde situaties zich voordoet. Er moet dus duidelijk sprake zijn van een meer dan vaag vermoeden.
Als het vermoeden bestaat dat een van de in art. 50, lid 3, onderdeel a tot en met c genoemde omstandigheden zich voordoet, zal het UWV doorgaans nader onderzoek moeten verrichten. Om te voorkomen dat het UWV gedurende de loop van het onderzoek verplicht zou zijn de betaling voort te zetten totdat onomstotelijk is vast komen te staan dat die omstandigheden zich inderdaad voordoen, en het te veel betaalde achteraf door de uitkeringsgerechtigde zou moeten worden terugbetaald, kan het UWV ertoe overgaan de betaling van de WAO-uitkering op te schorten of te schorsen. De opschorting of schorsing van de uitkering duurt in dat geval voort 'totdat onomstotelijk vast is komen te staan dat de hierboven genoemde omstandigheden zich inderdaad voordoen.
Opschorting of schorsing van de WAO-uitkering kan ook plaatsvinden in de situatie waarin op zichzelf niet onzeker is dat het recht op WAO-uitkering niet meer bestaat of dat een verplichting niet is nagekomen, maar nog nader onderzoek door het UWV verricht moet worden naar de hoogte van het bedrag aan uitkering of naar de omstandigheden die van belang zijn voor de hoogte van de te treffen maatregel.
Immers overtreding van een verplichting tot het opleggen van een maatregel in de vorm van een (al of niet tijdelijke) gehele stopzetting van de uitkering maar ook een verlaging van de uitkering kan inhouden.
4.6. Beleidregels van het UWV
Het beleid dat het UWV voert ten aanzien van het opschorten, dan wel schorsen van een WAO-uitkering is opgenomen in de Beleidsregels schorsing en opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, beleidsregels van het UWV van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, zoals laatstelijk gewijzigd per 14 juli 2011. Ten aanzien van de WAO geldt het volgende.
In de gevallen waarin op grond van een wettelijke bepaling sprake is van een opschorting of schorsing van de WAO-uitkering, wordt deze door het UWV geëffectueerd met ingang van de eerstvolgende betaling.
De verzekerde wordt, als de uitbetaling is geschorst of opgeschort wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting, een termijn gesteld waarbinnen hij alsnog de noodzakelijke inlichtingen kan verstrekken of medewerking kan geven. Dit geldt niet als de niet nakoming of de niet behoorlijke nakoming onherstelbaar is.
Het UWV moet het belang van het niet naleven van de verplichtingen door de verzekerde afwegen tegen het belang van het tijdelijk opschorten of schorsen in verband met het te starten onderzoek naar de noodzaak van het opleggen van een maatregel of boete aan de verzekerde.
Van de in art. 50, lid 2 gegeven mogelijkheid om gedeeltelijk op te schorten of te schorsen, maakt het UWV thans geen gebruik meer.
Als daartoe aanleiding bestaat, wordt aan de verzekerde wiens WAO-uitkering is opgeschort of geschorst ambtshalve een voorschot verstrekt. Als de opschorting of schorsing plaatsvindt in verband met het feit dat de verzekerde een op hem rustende verplichting niet of niet naar behoren is nagekomen, wordt hij in de gelegenheid gesteld die verplichting alsnog binnen een redelijke termijn na te komen, behalve als nakoming door de aard van de verplichting niet meer mogelijk is. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan situaties waarin de verzekerde een mogelijkheid om te re-integreren die zich niet snel opnieuw zal voordoen, ongebruikt heeft gelaten.
De opschorting of schorsing wordt door het UWV opgeheven als het recht op WAO-uitkering naar behoren is vastgesteld of aan de verplichting is voldaan. Als aan de verplichting niet is voldaan, maar het UWV heeft vastgesteld dat de verzekerde wel recht heeft op WAO-uitkering, wordt de opschorting of schorsing eveneens opgeheven. Afhankelijk van de omstandigheden wordt de uitbetaling van de uitkering in dat geval beëindigd of hervat, met ingang van de datum waarop de uitbetaling was geschorst of opgeschort. Er wordt in dat geval een boete of maatregel opgelegd of een waarschuwing gegeven, tenzij er bij de verzekerde sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid of er een dringende reden aanwezig is om van het opleggen van een boete of maatregel of het geven van een waarschuwing af te zien.
4.7. Rechterlijke toetsing
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) acht het beleid dat mede inhoudt dat niet tot verstrekking van voorschotten op een WAO-uitkering wordt overgegaan als aannemelijk kan worden geacht dat niet tot toekenning van uitkering zal worden overgegaan, op zich genomen niet in strijd met een hier toepasselijke rechtsregel (CRvB 29 april 1998, nr. 96/6903 AAW/WAO, USZ 1998/168, LJN: ZB7613).
Het uitvoeringsorgaan mag niet lichtvaardig tot schorsing van de WAO-uitkering overgaan (o.a. CRvB 14 augustus 1998, nr. 98/5405 AAW/WAO-VV, USZ 1998/238, LJN: ZB7834.
In een andere situatie was besloten tot een gedeeltelijke schorsing in verband met de noodzaak tot het opleggen van een maatregel. Deze maatregel moet blijkens de ter zake toepasselijke regelgeving worden opgelegd in de vorm van een korting van de uitkering met een bepaald percentage gedurende een bepaalde periode. De Raad is van oordeel dat het uitvoeringsorgaan kon menen of vermoeden dat tot een dergelijke korting zou moeten worden besloten (CRvB 14 december 2001, nr. 99/980 AWW/WAO, USZ 2002/49, LJN: AD8132).
Er is ook geen aanleiding om te oordelen dat het UWV de uitbetaling van de WAO-uitkering ten onrechte heeft geschorst, omdat niet is gebleken dat de psychische toestand van betrokkene zodanig was dat zij het belang van de oproepingen niet kon inzien en dat zij niet in staat was om het UWV tijdig, dat wil zeggen voor het tijdstip van de afspraak, duidelijk te maken waaruit haar problemen met de oproepingen bestonden (CRvB 17 januari 2006, nr. 03/5052 WAO, USZ 2006/46, LJN: AU9756.
Bij de vraag of het UWV terecht tot opschorting of schorsing van een WAO-uitkering is overgegaan, zal de rechter het al dan niet aanwezig zijn van een gegrond vermoeden in volle omvang toetsen en zich niet beperken tot een marginale toetsing. Feiten en omstandigheden die pas aan het licht komen in de bezwaarprocedure tegen een primair besluit waarbij de WAO-uitkering is opgeschort en die een ander licht werpen op de toestand zoals die was op de datum van aanvraag van de uitkering, moeten in de heroverweging op bezwaar worden betrokken (CRvB 12 juli 2000, nr. 98/8266 WW, USZ 2000/216). Deze uitspraak heeft betrekking op een WW-uitkering, maar geldt ook voor WAO-uitkeringen.
4.7.1. Alsnog voldoen aan verplichtingen
Op grond van de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen en de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen (Beleidsregels) wordt het alsnog voldoen aan de verplichtingen na intrekking opgevat als een verzoek om terug te komen van het herzienings- of intrekkingsbesluit. De uitkering wordt niet eerder hervat dan met ingang van de dag waarop de belanghebbende alsnog aan zijn verplichting voldoet.
In een beroepszaak was in geschil is of appellant op 1 mei 2012 voldoende loonstroken heeft overgelegd. Toekenning van een WAO-uitkering kan dus niet eerder aan de orde zijn dan vanaf 1 mei 2012. De vraag rijst of aan appellant, voor de toekomst, blijvend kan worden tegengeworpen dat de WAO-uitkering per 1 februari 2004 is beëindigd vanwege het niet overleggen van loonstroken. Voor het verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit van 19 juli 2006 geldt sinds de uitspraak CRvB 14 januari 2015, nr. 12/6324 WAJONG-T, USZ 2015/106, m.nt. A.A.M. Elzakkers, ECLI:NL:CRVB:2015:1, het volgende. Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Dat is ook vastgelegd in de Beleidsregels. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Daarom moet, de opschorting en beëindiging buiten beschouwing latend, worden beoordeeld of en in welke tijdvakken appellant recht op een WAO-uitkering zou hebben gehad (CRvB 29 juli 2016, nr. 13/1948 WIA, USZ 2016/362, m. nt. M. Koolhoven, ECLI:NL:CRVB:2016:2907).
5. Besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
Het besluit om al dan niet op te schorten of te schorsen, is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat het UWV voorafgaand aan het besluit een belangenafweging moet maken. Dat betekent dat het UWV het belang van het niet naleven van de verplichtingen door de betrokkene moet afwegen tegen het belang van tijdelijk opschorten of schorsing in verband met het te starten onderzoek naar de noodzaak van het opleggen van een sanctie aan betrokkene. Bij dit besluit hoeft dus nog geen belangenafweging over de eventuele sanctieoplegging te worden gemaakt. Tegen het besluit tot opschorten of schorsing staat bezwaar en beroep open.
6. Betaling van de WAO uitkering naar het buitenland
In lid 3 worden regels gegeven over de betaling van de WAO-uitkering naar het buitenland. In het geval de WAO-uitkering in het buitenland wordt betaald, vindt de betaling in afwijking van art. 4:89, lid 3, Awb plaats op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
6.1. Geen overmakingskosten meer in rekening bij betaling uitkering naar het buitenland
De redenen om lid 3 op deze wijze te formuleren zijn de volgende.
In de Awb is als hoofdregel neergelegd dat kosten van betaling door een bestuursorgaan ten laste komen van de schuldenaar en dat, als het gaat om een betaling buiten de Europese Unie, de daaraan verbonden kosten op het te betalen bedrag in mindering kunnen worden gebracht, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Gezien de ontwikkelingen op het terrein van het Europese betalingsverkeer zijn de kosten voor overmakingen naar de landen van de Europese Unie (EU), landen in de Europese Economische Ruimte (EER) en naar Zwitserland sterk gedaald of zullen binnen afzienbare tijd sterk dalen waardoor de kosten van overmaking naar deze landen niet opwegen tegen de kosten die verband houden met het in mindering brengen hiervan op de uitkering.
6.2. Art. 4:91 Awb
Met betrekking tot de WAO en de voornoemde wetten zal als gevolg daarvan het stelsel van toepassing zijn dat is neergelegd in art. 4:91 Awb.
Uit art. 4:91, lid 1, Awb blijkt dat de kosten van betaling ten laste komen van degene die de betaling verricht. Deze aan het privaatrecht ontleende hoofdregel wordt in ieder geval van toepassing op alle betalingen binnen de EU.
Uit art. 4:91, lid 2, Awb blijkt dat in het geval een bestuursorgaan betalingen verricht aan een schuldeiser buiten de EU de daaraan verbonden kosten op het te betalen bedrag in mindering kunnen worden gebracht, tenzij bij wettelijk voorschrift, waaronder ook begrepen de bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud een ieder kunnen binden, anders is bepaald.
6.3. Bevoegdheid van het UWV om kosten wel in rekening te brengen
Mits een specifiek wettelijk voorschrift daaraan niet in de weg staat, zijn het UWV (en ook de SVB) dan ook bevoegd om bij uitbetaling van een uitkering in een land buiten de EU de bestaande praktijk, inhoudend dat de kosten van overmaking op de uitkering in mindering worden gebracht, voort te zetten. Als het UWV en de SVB van deze bevoegdheid gebruikmaken, ligt het in de rede dat deze bestuursorganen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze bevoegdheid beleidsregels zullen publiceren. Tot op heden heeft het UWV geen nadere beleidsregels gepubliceerd.
6.4. Betalingen van uitkeringen naar Duitsland
Een bilateraal akkoord met Duitsland uit 1951 waarin een betaalconstructie van WAO-, WIA- en AOW-uitkeringen was geregeld, is per 1 januari 2010 opgezegd. Met Duitsland is echter afgesproken dat dit niet zal leiden tot een verslechtering in de positie van de uitkeringsgerechtigde in Duitsland. Op basis van deze afspraak – en vooruitlopend op de wetswijziging met ingang van 1 januari 2011 – worden per 1 januari 2010 dan ook geen kosten voor overmakingen naar Duitsland in mindering gebracht op de uitkeringen.
6.5. Nadere regels over betaling naar het buitenland
Als de WAO-uitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. vindt de betaling in afwijking van art. 4:89, lid 3, Awb plaats op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
Art. 4:89, lid 3, Awb is samengesteld uit de inhoud van het tot 1 juli 2009 geldende lid 4 (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b). Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling.
In art. 4:89, lid 3, Awb is bepaald dat als tijdstip van betaling het moment geldt waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Bij uitbetalingen in het buitenland wordt van deze regel afgeweken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl het UWV hier geen invloed op heeft. Om die reden wordt als tijdstip van betaling het moment gekozen waarop de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt.
7. Gevolgen van de afgifte of intrekking van de machtiging door de WAO-uitkeringsgerechtigde
In art. 50, lid 4 is bepaald dat als de WAO-uitkeringsgerechtigde een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, of hij een verleende machtiging intrekt, het UWV daaraan gevolg geeft met ingang van een betalingstermijn die begint na de dag waarop:
-
de machtiging wordt ingediend, of
-
de WAO-uitkeringsgerechtigde het UWV van de intrekking van de machtiging op de hoogte heeft gesteld.
Het UWV geeft echter niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening of intrekking van de machtiging gevolg aan de indiening of intrekking.
De WAO-uitkeringsgerechtigde kan een ander machtigen de uitkering in ontvangst te nemen. Hij kan die machtiging echter ook elk moment weer intrekken. In art. 50, lid 5 is bepaald dat het UWV aan de verlening of de intrekking van de machtiging zo spoedig mogelijk moet voldoen. In principe bij het eerstvolgende betalingstijdvak, maar als dat gelet op het tijdstip waarop de machtiging is gedaan respectievelijk ingetrokken, niet mogelijk is, met ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.
Voorbeeld
Uitkeringsgerechtigde A heeft het UWV gemachtigd om zijn WAO-uitkering via werkgever B uit te betalen. De uitkeringsgerechtigde besluit de machtiging op 25 juni 2016 in te trekken, omdat hij in onenigheid heeft met zijn werkgever over het bedrag dat hij krijgt uitbetaald. In principe zou het UWV de WAO-uitkering over juli 2014 nu direct aan de uitkeringsgerechtigde moeten uitbetalen. Als het UWV dat niet meer kan realiseren, moet in de maand augustus 2014 de WAO-uitkering direct aan de uitkeringsgerechtigde worden uitbetaald. Het UWV moet daartoe in ieder geval voor 1 september 2016 toe overgaan.
8. Betaling van de WAO uitkering door andere organen
In art. 50, lid 5 is geregeld dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden vastgesteld over de betaalbaarstelling van WAO-uitkeringen door organen die belast zijn met de uitbetaling van een invaliditeitsuitkering of pensioen op grond van een andere regeling, dan een regeling op grond van de WAO.
8.1. Nadere regels over de betaling van WAO-uitkering aan andere organen
De nadere regels zijn neergelegd in de ministeriële regeling Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen, ministeriële regeling van 20 juni 1985, Stcrt. 1985, 123, zoals laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2007.
Organen als bedoeld in art. 50, lid 5 die belast willen worden met de betaalbaarstelling van door het UWV toegekende of toe te kennen WAO-uitkeringen, kunnen daartoe toestemming vragen aan het UWV (art. 1 Regeling Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen (hierna: Regeling). Het UWV kan in dat geval vergunning geven dat de WAO-uitkering door dat orgaan aan de uitkeringsgerechtigde wordt uitbetaald.
Voor de hiervoor genoemde vergunning komen slechts in aanmerking:
a. publiekrechtelijke lichamen;
b. krachtens de wet in het leven geroepen fondsen;
c. bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen als bedoeld in art. 1 Pensioenwet;
d. instellingen, welke de pensioenbetaling verzorgen voor een of meer lichamen of fondsen, zoals genoemd in onderdeel a tot en met c (art. 2 Regeling).
De vergunning gaat in op een door het UWV te bepalen datum (art. 3, lid 1, Regeling). Het UWV kan de vergunning weigeren of intrekken, als de verlening of handhaving van de verleende vergunning de administratie van het UWV naar verhouding te veel bezwaart of de uitbetaling van de WAO-uitkeringen niet voldoende is gewaarborgd (art. 3, lid 2, Regeling).
Het UWV kan aan het orgaan dat vergunning heeft gekregen, aanwijzingen en voorschriften geven over de uitbetaling van de WAO-uitkeringen, waarop de vergunning van het UWV betrekking heeft (art. 4, lid 1, Regeling). Als het UWV de vergunning heeft verleend, vindt de afrekening van de uitbetaalde WAO-uitkeringen plaats volgens door het UWV vastgestelde regels (art. 4, lid 2, Regeling).
Het UWV deelt aan de WAO-uitkeringsgerechtigde of de wettelijke vertegenwoordiger mee door welk orgaan de uitkering zal worden uitbetaald (art. 5 Regeling).
De afgegeven vergunning heeft geen betrekking op de WAO-uitkeringen die aan de AWBZ-instelling of andere instelling genoemd in art. 54 wordt uitbetaald (art. 6 Regeling).
9. Betaling door het UWV van invaliditeitsuitkeringen of pensioenen
In art. 50, lid 6 is bepaald dat het UWV op verzoek van de organen genoemd in art. 50, lid 5, gelijktijdig met de WAO-uitkering een invaliditeitsuitkering of pensioen van dat orgaan betaalbaar kan stellen. Dit is de spiegelbepaling van art. 50, lid 5. Niet alleen kan het UWV aan een orgaan vergunning verlenen dat desbetreffend orgaan de WAO-uitkering gecombineerd met een (particuliere) invaliditeitsuitkering of pensioen uitbetaalt; het UWV heeft ook de bevoegdheid om gelijktijdig met de WAO-uitkering een invaliditeitsuitkering of pensioen van desbetreffend orgaan betaalbaar te stellen. De organen waarom het hier gaat worden aangegeven in de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, ministeriele regeling van 19 december 2006, Stcrt. 2006, 253, laatstelijk gewijzigd per 3 december 2016.
10. Samenloop van WAO-uitkering met WW-uitkering
In art. 50, lid 6 is bepaald dat het UWV regels kan vaststellen over de betaalbaarstelling van WAO-uitkering in gevallen waarin de verzekerde recht heeft op een WAO-uitkering over een periode waarover hij tevens een WW-uitkering ontvangt.
Tot op heden heeft het UWV geen nadere regels vastgesteld. De samenloop van WAO en WW is aan de kant van de WW via art. 3.5, lid 3, Algemeen Inkomensbesluit geregeld in art. 34 WW. Een samenloop van WW- en WAO-uitkering kan alleen voorkomen in de vorm van een voor toekenning van de WW-uitkering, toegekende WAO-uitkering. De WAO-uitkering wordt in dat geval niet in mindering gebracht op de WW-uitkering.
11. Niet tijdige betaling van WAO-uitkering
Als het UWV de WAO-uitkering niet tijdig volgens de regels van art. 50 betaalt, is het UWV rente verschuldigd over de te late betaling. Naar aanleiding van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft het Lisv het Besluit Schadebeleid, besluit van 10 maart 1999, Stcrt. 1999, 54 tot stand gebracht.
11.1. Aanleiding voor het Besluit Schadebeleid
Aansprakelijkheid voor schade uit onrechtmatig handelen is een civielrechtelijk onderwerp dat voornamelijk langs civielrechtelijke weg wordt ingevuld. Daarnaast hebben de bestuursrechters in toenemende mate gebruik gemaakt van de hen met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht gegeven mogelijkheid om naast de beoordeling van het materiële sv-geschil, tevens een uitspraak te doen over de hiermee samenhangende schadeaspecten. De bestuursrechters hebben hierbij op een groot aantal punten aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht, echter op een aantal aspecten wordt hiervan afgeweken. Inmiddels zijn de diverse aspecten van de aansprakelijkheid in de jurisprudentie grotendeels uitgekristalliseerd. Op enkele punten van de aansprakelijkheidsproblematiek is (nog) geen rechtspraak voorhanden.
11.2. Ingangsdatum van de vergoeding
De ingangsdatum van de vergoeding van wettelijke rente wordt in geval van een nabetaling (ongeacht de wet) gesteld op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de onjuiste primaire (niet-toekennings)beslissing werd afgegeven.
Bij intrekking/herziening van de uitkering is dit de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de datum valt met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is ingetrokken/herzien en de uitkering niet is uitbetaald.
Bij het niet tijdig nemen van een beslissing is dit de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de datum valt waarin het besluit genomen had moeten worden (art. 1 Besluit Schadebeleid).
Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de uitkering zou zijn verstrekt als direct het juiste besluit was genomen. Voor de WAZ, Wajong en WAO heeft de Centrale Raad van Beroep voor de ingangsdatum van de wettelijke rente een praktische oplossing voorgeschreven. Zie uitspraak CRvB 1 november 1995, nr. 1994/307 AAW/WAO, JB 1995/314. Hoewel de Ziektewet en de WW in tegenstelling tot de eerder genoemde wetten bepalingen bevatten binnen welke termijn een uitkering betaald moet worden, wordt uit praktisch oogpunt voor het bepalen van de ingangsdatum van de verschuldigdheid van wettelijke rente aangesloten bij de benadering van de Centrale Raad van Beroep voor de WAZ, Wajong en WAO. Door deze praktische benadering wordt de belanghebbende niet financieel benadeeld. Bovendien is een dergelijke benadering uitvoeringstechnisch het eenvoudigst. Gelet op de betalingstermijnen in de WW is de ingangsdatum van de wettelijke rente geen vast gegeven als wordt uitgegaan van de toekenningsbeslissing. Uit oogpunt van uniformiteit geldt dezelfde systematiek bij het niet tijdig nemen van een besluit.
11.3. Uitkeringsgerechtigde moet een verzoek doen om betaling van wettelijke rente
Wettelijke rente over een nabetaalde uitkering of een te restitueren bedrag wordt slechts vergoed als de belanghebbende daartoe een verzoek heeft ingediend (en overigens aan de overige voorwaarden is voldaan (art. 2 Besluit Schadebeleid).
Jurisprudentie
Regelingen
- Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
- Besluit schadebeleid
- Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen
- Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Parlementaire geschiedenis
- 30 118 3, Regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) - MEMORIE VAN TOELICHTING Pagina 97
- 31 124 3, Voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb) - MEMORIE VAN TOELICHTING Pagina 12
- 31 124 3, Voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb) - MEMORIE VAN TOELICHTING Pagina 104
- 30 318 3, Aanpassing van en verbeteringen in diverse wetten in verband met de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede enkele andere correcties (Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) - MEMORIE VAN TOELICHTING Pagina 9
Thematisch
- 8.6.1. Schorsing of opschorting bij overtreding re-integratieverplichtingen
- 8.6. Opschorting en schorsing van de uitkering
- 1. Bestuursrechtelijk geldschulden – vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling, 1. Bestuursrechtelijk geldschulden – vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling