De betekenis van het Lunet-arrest voor cliëntmedezeggenschap in de zorg
Op 16 december 2016 verscheen een uitspraak van de Hoge Raad waar inmiddels in diverse juridische vakbladen en ook in de nieuwsvoorziening voor de zorg al enige aandacht aan besteed is. De centrale vraag die in betreffende zaak aan de Hoge Raad was voorgelegd, betrof het niveau waarop er binnen een zorgorganisatie formele cliëntenraden op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorgsector (Wmcz) moeten worden ingesteld. Dergelijke cliëntenraden hebben het recht om belangrijke bestuurlijke informatie te ontvangen, over bepaalde (voorgenomen) besluiten advies en verzwaard advies uit te brengen en het recht om bepaalde juridische procedures tegen de zorgaanbieder te voeren. De vraag op welk niveau medezeggenschap zou moeten plaatsvinden, zou beantwoord moeten kunnen worden aan de hand van de in de Wmcz opgenomen definities van de termen ‘zorgaanbieder’ en ‘instelling’. Maar deze definities, en dan met name de invulling van het instellingsbegrip, blijken toch niet eenduidig voor de praktijk en hebben de afgelopen jaren in de praktijk dan ook aanleiding gegeven voor nogal wat discussies en juridische procedures.
In het artikel van T. van Malssen in het vorige nummer van dit tijdschrift1 werd al vermeld dat de hoogste rechter zich nog niet had uitgesproken over de invulling van het instellingsbegrip uit de Wmcz. Inmiddels is dit langverwachte arrest dus wel verschenen en daarover gaat dit artikel. Hieronder volgt eerst een samenvatting van de casus en een – wat vereenvoudigde – weergave van de beoordeling daarvan in drie instanties. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of dit arrest zou kunnen gaan doorwerken in de huidige medezeggenschapspraktijk ofwel welke consequenties deze kan gaan hebben.
De casus
De stichting Lunet zorg is een grote Brabantse…