Naar de inhoud

De ouderlijke boedelverdeling en de laesio enormis

Uitgaande van de normale OBV krijgt de langstlevende echtgenoot alle goederen (en schulden) en moet deze bij zijn overlijden, faillissement en dergelijke aan de kinderen van de testateur hun abintestaat-portie in contanten uitkeren. Veelal wordt daaraan een bepaling verbonden dat de legitimarissen later na het overlijden van de testateur een verklaring van berusting moeten afleggen, bij gebreke waarvan een aantal sancties in werking treden (bijvoorbeeld vermindering van het abintestaat-deel tot de legitieme portie).

Het bezwaar van deze berusting of bekrachtiging kan zijn dat bij minderjarige deelgenoten de kantonrechter eisen gaat stellen (zekerheidsstelling door de langstlevende echtgenoot en dergelijke) naar aanleiding van het verlenen van machtiging voor de in de bekrachtiging of berusting gelegen afstand van de eventuele rechten om vernietiging van de OBV of inkorting verlangen (zie HR 9 september 1988, NJ 1989, 239).

Hoe groot is die kans op vernietiging? Is die kans groot genoeg om daarvoor de problemen van een machtiging van de kantonrechter op te roepen en, voor de notaris, om twijfels te hebben over het al of niet kunnen afgeven van een verklaring van toebedeling?

Afgezien van het overslaan van een afstammeling als bedoeld in artikel 4:1167 BW is de voornaamste vernietigingsbedreiging van een OBV te vinden in artikel 4:1170 BW, waarvan de eerste in dit artikel genoemde vernietigingsgrond de meest schrikwekkende lijkt (of leek?), namelijk benadeling van meer dan een kwart (de laesio enormis), die ook in artikel 1158 lid 3 OBW bij de contractuele scheiding en verdeling te vinden was.

In het licht van deze laesio enormis besliste het Hof te Leeuwarden ter zake van de Makkumse Boedelverdeling…