De quasi-wettelijke verdeling als 'Teilungsanordnung' (II, slot)
6. De ‘Teilungsanordnung’, § 2048 BGB
6.1 Teilungsplan, § 2204 BGB
Gezien het feit dat de basis van Testamentsvollstreckung Abwicklungsvollstreckung is, en de Duitse erflater een ‘Teilungsanordnung’ kan maken, ontkomt men bij het trachten te doorgronden van ons nieuwe afwikkelingsbewind er niet aan, ook stil te staan bij deze rechtsfiguren. Dit niet in de laatste plaats omdat de ontwerpers van het nieuwe erfrecht, met name Meijers, behoorlijk hebben opengestaan voor hetgeen zich in het ‘BGB’ afspeelde. Een van de taken van de Testamentsvollstrecker is ‘Hilfsweise’2 de verdeling van de nalatenschap volgens het wettelijk systeem te ‘bewirken’, § 2204 BGB (1). In welk artikel, in lid 2, tevens voorgeschreven wordt dat hij over de door hem op te stellen ‘concept-verdeling’, het Teilungsplan, de erfgenamen voor de uitvoering hiervan dient te ‘hören’. Thans merk ik reeds op dat het voorschrift van § 2204 BGB (2), al dan niet gemodificeerd, niet zou misstaan in modelspelregels voor een afwikkelingsbewindvoerder die zelfstandig de verdeling tot stand kan brengen op grond van art. 4:171. Ik denk daarbij aan gevallen waarin nog enige vorm van inspraak gewenst is. Dit voorkomt teleurstellingen achteraf. Indien de afwikkelingsbewindvoerder immers alle erfgenamen voor de voorgenomen verdeling raadpleegt kan nog zoveel mogelijk met hun wensen rekening gehouden worden. Let wel: Bij Zimmermann3 wordt over de vraag of de erfgenamen het met het opgestelde ‘Teilungsplan’ eens moeten zijn, opgemerkt:
‘Eine Genehmigung des Plans durch die Erben ist nicht erforderlich.’
Men mag zijn zegje doen, maar de Testamentsvollstrecker is er…