De sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW en de wettelijke verdeling
In deze bijdrage staat centraal de civielrechtelijke sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan de vraag of deze sanctie van toepassing is op de nalatenschap na wettelijke verdeling.
1. Inleiding
Op 28 januari 2016 is gepubliceerd een uitspraak van Hof Amsterdam d.d. 9 juli 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:1968). Het betreft het hoger beroep tegen de beslissing van Rechtbank Amsterdam d.d. 15 december 2010 (ECLI:NL:RBAMS:2010:BP5496). Aan de orde is de vraag of het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW van (overeenkomstige) toepassing is op de nalatenschap na wettelijke verdeling. Artikel 3:194 lid 2 BW geeft een sanctie voor bepaalde vormen van onrechtmatig handelen:
“Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”
Het belang om deze zaak te behandelen is tweeledig. Ten eerste is het op het moment van schrijven onduidelijk in hoeverre de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is op de nalatenschap na wettelijke verdeling. Ten tweede geven de overwegingen van zowel de rechtbank als het hof een illustratie van in de rechtspraak en literatuur voorkomende opvattingen als het gaat om de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag (vgl. M.J.A. van Mourik (red.), Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 75 en noot 34 onder verwijzing naar literatuur en jurisprudentie, waaronder de beide vorenbedoelde uitspraken).