ECLI:NL:CRVB:2017:2380 Centrale Raad van Beroep , 28-06-2017 / 15/7915 WIA

Uitspraak

15/7915 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 oktober 2015, 15/3231 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Bevelander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk tot 1 februari 2010 werkzaam geweest als schoonmaker voor 37,5 uur per week. Hij heeft zich op 26 mei 2010 ziek gemeld met psychische klachten. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 16 april 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant, gegeven de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van 23 mei 2012 (einde wachttijd) geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Appellant heeft zich met ingang van 13 augustus 2012 opnieuw met psychische klachten ziek gemeld. Op dat moment ontving hij een WW-uitkering. Op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van diezelfde datum geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij in staat was tot het verrichten van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Deze vaststelling heeft de Raad na bezwaar en beroep onderschreven in zijn uitspraak van 11 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:713).

1.3.

Vervolgens heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld per 16 november 2012 wegens toegenomen psychische klachten. Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet WIA per 14 november 2014 afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het Uwv heeft het door appellant ingestelde bezwaar tegen dit besluit bij beslissing op bezwaar van 14 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank daartoe zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald, dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hij leeft al jaren teruggetrokken en is niet in staat deel te nemen aan het gezinsleven, het openbare leven en het arbeidsleven. Het ontbreekt hem aan voldoende psychische zelfredzaamheid; er is al enkele jaren sprake van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank wordt tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant onderzocht en de van de behandelend sector afkomstige medische informatie kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Appellant wordt in verband met een matige depressie verminderd belastbaar geacht. In zijn rapport van 19 februari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de klachten van appellant geen aanleiding geven om verdergaande beperkingen aan te nemen dan vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 oktober 2014.

4.2.

In hoger beroep heeft appellant niet onderbouwd waarom hij de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak, niet juist acht, noch heeft hij medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij meer of anders beperkt is dan neergelegd in de FML van 1 oktober 2014.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, moet hij in staat worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor hem geselecteerde functies. In het rapport van 20 oktober 2014 heeft de arbeidsdeskundige inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen.

4.4.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het Uwv meegedeeld dat inmiddels bij besluit van 15 juni 2016 is vastgesteld dat appellant met ingang van 19 oktober 2015 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en dat de mate van arbeidsongeschiktheid 51,95% bedraagt. Bij de herbeoordeling is de verzekeringsarts uitgegaan van een ernstige depressie.

4.5.

Gesteld noch gebleken is, dat aanleiding bestaat om aan te nemen dat van deze verslechtering van de gezondheidssituatie van appellant ook al sprake was op de datum in geding 14 november 2014.

4.6.

Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) M. Gayir

sg