ECLI:NL:GHSHE:2016:2342 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-06-2016 / 200.135.611/01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juni 2016

Zaaknummer: 200.135.611/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/258681 / FA RK 13-597

in de zaak in hoger beroep van:


[appellante]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.H.J. Raessens,

tegen


[verweerder]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader.

9 De beschikking d.d. 4 december 2014

9.1.

Bij die beschikking heeft het hof – voor zover thans nog van belang – partijen naar het omgangshuis van De Combinatie te [vestigingsplaats] verwezen voor het opstarten van een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] en voor de ouderbegeleiding van partijen, waarbij de opbouw van de zorgregeling zal geschieden in nader overleg tussen De Combinatie en partijen.

Voorts heeft het hof De Combinatie verzocht tijdig, vóór de hierna te noemen pro forma datum, rapport en advies uit te brengen aan het hof conform hetgeen onder rechtsoverweging 3.11 van de beschikking van 10 april 2014 is overwogen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen en iedere verdere beslissing pro forma tot 4 juni 2015 aangehouden.

10 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

10.1.

Het hof heeft voormelde beschikking per abuis eerst op 23 juni 2015 aan De Combinatie te [vestigingsplaats] verzonden, waardoor de zaak pro forma is aangehouden tot 7 januari 2016. Vervolgens is de zaak nader aangehouden tot 3 maart 2016, omdat de ouderbegeleiding nog niet was opgestart.

10.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het V2-formulier van de toenmalige advocaat van de vader d.d. 31 december 2015, door middel waarvan mr. ir. G.H. in ’t Veld zich heeft onttrokken als advocaat van de vader;

- het faxbericht van De Combinatie d.d. 25 februari 2016;

- het V6-formulier met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 2 maart 2016.

11 De verdere beoordeling

11.1.

Bij voormeld faxbericht van 25 februari 2016 hebben mevrouw [ouderschapsbemiddelaar] , ouderschapsbemiddelaar, en [gedragswetenschapper] , gedragswetenschapper bij De Combinatie, het hof als volgt bericht.

De vader en de moeder zijn twee maal verwezen naar het omgangshuis; deze keer heeft met beiden afzonderlijk een kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Daarna zijn de vader en de moeder uitgenodigd voor een eerste gezamenlijk gesprek op 12 januari 2016, voordat de begeleide bezoeken van start zouden gaan. De vader is echter niet verschenen.

De Combinatie heeft tevergeefs meermalen gepoogd contact op te nemen met de vader en heeft eveneens via de toenmalige advocaat van de vader gepoogd contact met de vader op te nemen. Mr. In ’t Veld heeft De Combinatie laten weten dat hij er bij de vader heeft op aangedrongen om contact op te nemen met De Combinatie, maar De Combinatie heeft niets van de vader vernomen.

De Combinatie concludeert dat het traject er niet toe heeft geleid om daadwerkelijk te kunnen starten met begeleide bezoeken, omdat de inzet van de vader weinig tot nihil is geweest.

11.2.

De moeder stelt in de brief van 2 maart 2016 dat via De Combinatie wederom geen contacten tussen [minderjarige] en de vader hebben plaatsgevonden. Zij stelt verder dat aan de vader in de afgelopen periode vele mogelijkheden zijn geboden om met [minderjarige] in contact te komen, maar dat de vader hiervan geen gebruik heeft gemaakt. De moeder stelt inmiddels te hebben vernomen dat de vader met onbekende bestemming naar elders is vertrokken en niet langer staat ingeschreven in de Basisregistratie personen.

Voorts stelt de moeder dat haar vertrouwen in de vader ernstig is geschaad en dat dit de afgelopen jaren niet is veranderd. Volgens de moeder is het niet in het belang van [minderjarige] om nog contact met de vader op te bouwen. De moeder verzoekt het hof dan ook het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] af te wijzen.

11.3.

Het hof heeft van de vader geen bericht ontvangen.

11.4.

Het hof oordeelt als volgt.

11.4.1.

Het hof overweegt dat de vader en de moeder reeds bij beschikking van 10 april 2014 naar De Combinatie zijn verwezen teneinde onder begeleiding van De Combinatie het contact tussen de vader en [minderjarige] op te bouwen en waar tevens intensieve oudergesprekken kunnen plaatsvinden. De vader is – in tegenstelling tot de moeder – destijds niet op het kennismakingsgesprek verschenen hetgeen ertoe heeft geleid dat De Combinatie de opdracht aan het hof heeft teruggegeven.

Toen de vader bij de daaropvolgende mondelinge behandeling nog steeds gemotiveerd leek voor contact met [minderjarige] , heeft het hof hem bij beschikking van 14 december 2014 een laatste kans gegeven om het begeleide omgangstraject en de ouderbegeleiding van

De Combinatie te laten slagen. De vader heeft deze kans echter – wederom – aan zich voorbij laten gaan; hij is zonder bericht niet verschenen op het eerste gezamenlijke gesprek en heeft ook daarna niets van zich laten horen. Het hof overweegt hiertoe dat zowel De Combinatie als mr. In ’t Veld heeft gepoogd contact met de vader op te nemen om hem te bewegen zijn medewerking aan het traject bij De Combinatie te verlenen, hetgeen evenwel zonder resultaat is gebleven. Van de moeder begrijpt het hof dat de vader evenmin via haar heeft geprobeerd om met [minderjarige] in contact te komen.

11.4.2.

Op basis van het vorenstaande constateert het hof dat voldoende is komen vast te staan dat de vader zijn medewerking weigert om met behulp van De Combinatie tot begeleide omgang met [minderjarige] en tot oudergesprekken te komen, en oordeelt het hof dat er thans geen mogelijkheden meer openstaan om te bewerkstelligen dat [minderjarige] met de vader in contact komt. Voornoemde feiten en omstandigheden geven het hof aanleiding vast te stellen dat de oorzaak daarvan is gelegen in de houding van de vader als niet-verzorgende ouder en dat aan de moeder ter zake geen verwijten kunnen worden gemaakt.

11.5.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, voor zover daarbij een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] is vastgesteld.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juli 2013, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij een omgangsregeling heeft vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] ;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.D.M. Lamers en C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2016.