ECLI:NL:RBDHA:2016:15628 Rechtbank Den Haag , 13-12-2016 / AWB - 16 _ 5152

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/5152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2016 in de zaak tussen


[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de hierna onder 4 te noemen besluiten bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 6 juni 2016 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Vossen. Eiseres is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 7 oktober 2016, op het adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu voormelde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op 8 oktober 2016 op het hiervoor genoemde adres is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Overwegingen

Feiten

1. Bij beschikking van 27 december 2013 is aan eiseres een voorschot huurtoeslag 2014 toegekend van € 2.810, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 23 september 2014 tot een bedrag van € 3.217.

2. Bij beschikking van 27 december 2014 is aan eiseres een voorschot huurtoeslag 2015 toegekend van € 3.437.

3. Verweerder heeft eiseres op 7 juli 2015 verzocht een afspraak te maken om langs te komen op kantoor. De afspraak heeft plaatsgevonden op 20 juli 2015. Eiseres heeft onder meer een kopie van de huurovereenkomst en kopieën van kwitanties en bankafschriften ingediend bij verweerder.

4. Bij beschikkingen van 4 september 2015 en 15 september 2015 zijn de voorschotten huurtoeslag 2014 en 2015 herzien naar nihil.

Geschil

5. In geschil is of verweerder terecht de voorschotten huurtoeslag 2014 en 2015 heeft herzien naar nihil.

Beoordeling van het geschil

6. De huurtoeslag is op grond van artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in de kosten van het huren van een woning. Op grond van artikel 1, onder d, van de Wht in samenhang met artikel 5 van de Wht wordt voor de berekening van de huurtoeslag uitgegaan van de verschuldigde huurprijs. Uit deze wettelijke bepalingen blijkt dat er kosten voor het huren van de woning moeten zijn gemaakt, waarna onder voorwaarden aanspraak gemaakt kan worden op een bijdrage van het Rijk als tegemoetkoming in die kosten.

7. Uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht, volgt dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij huurkosten heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Hieruit volgt dat het aan eiseres, als degene die aanspraak maakt op huurtoeslag, is om een deugdelijke administratie van haar betalingen aan de verhuurder bij te houden.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat met wat door eiseres is overgelegd niet kan worden vastgesteld of eiseres daadwerkelijk de huur heeft voldaan. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2190), dienen contante betalingen bewezen te worden, welk bewijs kan worden geleverd door kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames. Uit de door eiseres overgelegde kwitanties blijkt dat de huur steeds zou zijn betaald op de eerste van de maand. Uit de bankafschriften blijkt dat eiseres telkens op willekeurige dagen van de maand een bedrag heeft opgenomen dat hoger is dan de door haar te betalen huur. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde bankafschriften en kwitanties niet op voldoende objectieve wijze zijn te koppelen aan de door haar gestelde contante betalingen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor onder 8 is overwogen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)