ECLI:NL:RBMNE:2017:2948 Rechtbank Midden-Nederland , 15-06-2017 / UTR - 17 _ 2162

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2162

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Behoud Lepelenburg en omgeving, te Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Merkx).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Nachtbrigade, h.o.d.n. Lepeltje Lepeltje, te Amersfoort, gemachtigde: mr. M.L. Diepenhorst.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een evenementenvergunning verleend voor het evenement ‘Lepeltje Lepeltje’ te houden op de locatie Park Lepelenburg van 21 tot en met 27 juni 2017 (inclusief op- en afbouw).

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Namens verzoekster is verschenen [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn. Namens derde-partij waren aanwezig [B] en [C] . Derde-partij werd tevens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. A. Filarski.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter stelt op grond van de overgelegde oprichtingsstatuten vast dat verzoekster tot doel heeft het behartigen in de ruimste zin van de belangen van de bewoners en andere belanghebbenden in de omgeving van het Lepelenburg in Utrecht en het bevorderen van de instandhouding van de monumentale waarde van het stadspark Lepelenburg en van het direct daaraan grenzend openbaar groen. Verzoekster kan daarom als belanghebbende worden aangemerkt en is ontvankelijk in haar verzoek om voorlopige voorziening.

3. Verzoekster voert ten eerste aan dat niet is getoetst aan de weigeringsgronden genoemd in de artikelen 1:8 en 5:37 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht (APV). Verzoekster wijst daarbij op de met het evenement te verwachten inbreuk op de openbare orde, de overlast, de gevolgen voor de verkeersveiligheid en de veiligheid voor personen of goederen en het milieu en het onevenredig beslag op de ruimte of de gemeentelijke- of hulpdiensten.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alvorens is over gegaan tot het verlenen van de evenementenvergunning de weigeringsgronden zijn beoordeeld en dat dat heeft geresulteerd in de vergunning met de daaraan verbonden voorwaarden. Verweerder is, wanneer van oordeel dat zich geen grond voor weigering voordoet, niet gehouden steeds te motiveren waarom een weigeringsgrond zich niet voordoet of waarom geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een vergunning te weigeren, aldus verweerder. Het zelfstandig beoordelen van de weigeringsgronden heeft, onder meer, geresulteerd in de uitgebreide voorwaarden verbonden aan de vergunning. Vervolgens is in reactie op de zienswijze en gemotiveerd gereageerd waarom niet (alsnog) is besloten de vergunningaanvraag te weigeren. Dit is in het bestreden besluit als motivering overgenomen.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Wanneer sprake is van de weigeringsgronden genoemd in voormelde artikelen, kan verweerder de vergunning weigeren. Deze beleidsvrijheid betekent dat de voorzieningenrechter deze beslissing terughoudend toetst.

Toetsing van de weigeringsgronden door verweerder

6. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat bij het beoordelen van de aanvraag tot het verlenen van de vergunning de daarvoor relevante weigeringsgronden zijn betrokken. Dit heeft geresulteerd in de voorschriften bij de met het bestreden besluit verleende vergunning. Verzoekster wordt niet gevolgd in haar stelling dat in het besluit alle weigeringsgronden moeten worden afgegaan en moet worden gemotiveerd waarom deze niet hebben geleid tot weigering van de vergunning. Wanneer wordt besloten de vergunningaanvraag te weigeren, is verweerder gehouden te motiveren waarom en dus welke weigeringsgrond aan de orde is en waarom van de bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Dit is een andere situatie dan wanneer de gevraagde vergunning wordt verleend. Wanneer, zoals in onderhavige situatie, na de aanvraag door verweerder zienswijzen zijn ontvangen, zal verweerder die zienswijzen kenbaar bij de besluitvorming moeten betrekken. Dat is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebeurd. Verweerder is in het bestreden besluit (en in de reactie aan verzoekster zelf) gemotiveerd ingegaan op de punten die verzoekster heeft aangevoerd in haar zienswijze. Dat verweerder ten onrechte niet alle weigeringsgronden door verzoekster ingeroepen heeft behandeld, wordt niet gevolgd. Ter zitting heeft verzoekster niet kunnen concretiseren op welke punten verweerder niet voldoende is ingegaan. Van onzorgvuldige besluitvorming op dit punt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom geen sprake. De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet tot weigering van de vergunning over te gaan.

De weigeringsgronden genoemd in artikel 1:8 van de APV

7. Verzoekster stelt dat de hinder en overlast die te verwachten is met het evenement, zeker in samenhang bezien, de grens van het aanvaardbare overschrijdt. Dit is ook als zodanig ervaren gedurende het evenement vorig jaar. Verzoekster heeft gemotiveerd voorbeelden genoemd van incidenten en ter onderbouwing beeldmateriaal ingebracht. Het gaat om onaanvaardbare verkeers- stank- en geluidshinder. Verder levert de verkeersdruk een onaanvaardbaar risico voor de verkeersveiligheid op en daarmee voor de veiligheid van personen, waaronder vooral kinderen, en beperkt het de toegankelijkheid van de woningen van omwonenden. Tot slot dient het belang van het milieu zwaarder te wegen. Verzoekster wijst hierbij op de ecologische waarde van het park, met het belang van bescherming van de bomen, en de gevaren van fijnstof ten gevolge van de te gebruiken apparatuur en het met het evenement gemoeide verkeer (ten behoeve van de op- en afbouw en bevoorrading).

8. Verweerder stelt dat niet in geschil is dat het voorgenomen evenement hinder en overlast in de vorm van extra verkeersdruk met (kortstondige) opstopping, etensluchten, geluid en fijnstof met zich zal brengen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hinder en overlast de grenzen van wat aanvaardbaar moet worden geacht niet overschrijden. Verweerder acht daarbij van belang dat het een evenement op een locatie in de binnenstad van Utrecht is en aan de vergunning met betrekking tot genoemde punten voorschriften zijn verbonden om eventuele hinder en overlast zoveel mogelijk te beperken en de veiligheid van het verkeer en personen en de waarde van het park zo goed mogelijk te borgen. De ervaringen met het evenement vorig jaar geven geen aanleiding te verwachten dat de overlast en hinder onaanvaardbaar zal zijn. Ter zitting heeft verweerder toegelicht welke belangen zijn gemoeid met het realiseren van evenementen in een stad als Utrecht.

9. Artikel 1:8 van de APV bepaalt, voor zover hier relevant, dat verweerder de vergunning kan weigeren in het belang van, onder meer, de openbare orde (a.), het voorkomen of beperken van overlast (b.), de verkeersveiligheid (c.), de veiligheid van personen of goederen (d.), of de bescherming van het milieu (f.). Gelet op de formulering van de weigeringsgronden betekent dit dat verweerder het belang van genoemde aspecten moet afwegen tegen het belang gemoeid met het verlenen van een evenementenvergunning. Zoals al overwogen, toetst de voorzieningenrechter dit terughoudend.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid de evenementenvergunning te weigeren op grond van artikel 1:8 van de APV en overweegt daartoe het volgende.

11. Ten aanzien van de geluidsoverlast heeft verzoekster ter zitting nader toegelicht dat niet inzichtelijk is hoe verweerder in haar beleid is gekomen tot maxima van 80 dB(A) en 95 dB(C). Dit wringt omdat ook wanneer het hier vastgestelde maximum niet gehaald wordt in de huizen rondom het evenement wel degelijk onaanvaardbare geluidhinder wordt ondervonden. Verweerder heeft ten onrechte geen oog voor de locatie van de woningen en de bouwaard. Gelet op de door omwonenden ervaren geluidsoverlast vorig jaar, zal ook het nu toegestane geluid onaanvaardbare overlast opleveren.

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met wat ter zitting aan de orde is geweest duidelijk is dat de in de ‘Beleidsregels geluidsnormen bij buitenevenementen’ genoemde maximale geluidswaarden van 80 dB(A) en 95 dB(C) zijn voortgekomen uit een advies van ‘dBcontrol’, een bureau met kennis van geluid in openbare ruimtes. Verweerder komt bij het bepalen van dergelijke maximum geluidswaarden bij gebrek aan wettelijke bepalingen vrijheid toe te bepalen wat aanvaardbare maximale geluidswaarden zijn. Met wat verzoekster heeft aangevoerd is onvoldoende aangetoond dat verweerder die bevoegdheid te buiten is gegaan. Dat dBcontrol een bedrijf is dat zich commercieel bezig houdt met geluid op evenementen is onvoldoende om de onafhankelijkheid en inhoud van een advies aan gemeenten over geluidswaarden bij evenementen in twijfel te trekken. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat dergelijke waarden binnen de bebouwde kom al eerder onderwerp van geschil zijn geweest. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft een waarde van 80dB(A) niet onaanvaardbaar geacht. Bij wijze van voorbeeld verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de ABRvS van 15 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ7921). Met wat is aangevoerd bestaat geen twijfel dat aan de ter plaatse gestelde grenswaarde kan worden voldaan. In de enkele stelling dat een aantal woningen in de directe omgeving gelet op de oude bouwstijl slecht zijn geïsoleerd en daarmee meer geluid de woning binnendringt, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien over te gaan tot het verrichten van geluidsonderzoek in de woningen alvorens te beslissen op de vergunningaanvraag. Van onzorgvuldige besluitvorming is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dat punt daarom geen sprake. Omdat verweerder ter zitting heeft toegelicht hoe ten tijde van het evenement de geluidswaarden worden gecontroleerd, te weten overeenkomstig de beleidsregel, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen dat de metingen van de geluidswaarden op een juiste wijze zullen plaatsvinden. Wat is aangevoerd over het Meetprotocol Utrecht 2001 en de nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” uit 1996, geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Verweerder heeft toegelicht dat het Meetprotocol niet van toepassing is, omdat hij hiervoor beleidsregels heeft gemaakt en die worden gevolgd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van discrepantie. Ten aanzien van de nota uit 1996 is van belang dat verweerder heeft toegelicht dat de nota niet is gebruikt en dat dit ziet op evenementen die twee of meerdere keren per jaar plaatsvinden.

13. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat onvoldoende maatregelen zijn getroffen om de overlast voor omwonenden ten gevolge van stank en fijnstof te voorkomen of te beperken. Ten aanzien van de toegankelijkheid tot de woningen heeft verzoekster gesteld dat het verkeer ten behoeve van het evenement (langdurige) opstoppingen zal veroorzaken en dat de stoep als weg zal worden gebuikt. Hierdoor ondervinden omwonenden hinder. Hierbij is van belang dat er extra verkeersdruk is te verwachten in verband met het project grachtmurenherstel Kromme Nieuwegracht.

14. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het besluit gemotiveerd heeft gereageerd op wat in de zienswijze over fijnstof naar voren is gebracht. Verweerder heeft toegelicht dat met betrekking tot de te gebruiken apparatuur aan de vergunning voorschriften zijn verbonden en voor wat betreft het verkeer de regels in de milieuzone gelden. Daarbij heeft verweerder gewezen op de beperkte duur van het evenement en de beperkte toename van verkeer. Verzoekster heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom dit onvoldoende waarborgen biedt om de overlast ten gevolge van fijnstof te beperken. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat derde-partij heeft toegelicht welke maatregelen, in aanvulling op de al vorig jaar geldende voorwaarden, zijn getroffen om langdurige stilstand te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken. Verkeersregelaars zullen op alle dagen aanwezig zijn om het verkeersplan uit te voeren en verkeer naar en van het evenemententerrein te begeleiden.

15. Voor wat betreft de hinder ten gevolge van de verkeersbewegingen voor de op- en afbouw en bevoorrading van het evenement heeft verweerder erkend dat dit tot gevolg heeft dat er voertuigen in de betreffende straat zullen stilstaan om te laden en lossen. De normale verkeersregels gelden ter plaatse. Onaanvaardbare overlast en hinder is niet aannemelijk en wordt met de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende voorkomen en beperkt, aldus verweerder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. De door verzoekster aangedragen incidenten en het beeldmateriaal zijn met de toelichting ter zitting van verweerder over de ervaring met het evenement vorig jaar, er zijn verweerder geen klachten bekend, en de ervaring van de Dienst Toezicht en Handhaving, onvoldoende om anders te concluderen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat gedurende de periode van het evenement geen (delen) van wegen in de directe omgeving zijn afgesloten en van het project grachtmurenherstel geen extra verkeerdruk valt te verwachten. Dit heeft verzoekster niet weersproken.

16. Dat de stankoverlast dusdanig is dat daarin voor verweerder aanleiding is gelegen de vergunning te weigeren, is door verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Daarin heeft verweerder geen aanleiding heeft gezien de vergunning te weigeren. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster doelt op de geuren ten gevolge van het bereiden van eten, de barbecues en vuurkorven, maar hierbij onvoldoende concreet onderbouwd heeft waarom met de aan de vergunning verbonden voorschriften de te verwachten overlast onaanvaardbaar is. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat door de derde-partij ter zitting is toegelicht dat het aantal foodtrucks ten opzichte van het evenement vorig jaar aanzienlijk is verminderd en barbecueën in het park Lepelenburg is toegestaan.

17. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften de te verwachten stank, fijnstof, geluidshinder en verkeershinder niet onaanvaardbaar is en voldoende wordt geborgd dat de hinder zoveel mogelijk wordt beperkt en daarom de belangen van verzoekster niet zwaarder hoeven laten wegen dan de belangen die zijn betrokken bij het evenement. Daarbij heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan de omstandigheden dat het evenement in duur is beperkt en zal plaatsvinden op een locatie dat onderdeel uitmaakt van de binnenstad.

18. Verzoekster heeft aangevoerd dat de door de toename van het (vracht- en bouw)verkeer veroorzaakte hinder gevolgen heeft voor de veiligheid van de verkeersdeelnemers. Daarbij wijst verzoekster op schoolgaande kinderen die ook buiten de door verweerder met de voorschriften in acht genomen tijden veelvuldig gebruik maken van de route langs het Lepelenburg. Ook vorig jaar hebben zich onveilige situaties voorgedaan.

19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met de toelichting in het bestreden besluit en de voorschriften verbonden aan de vergunning voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij hierin geen aanleiding heeft gezien de vergunning te weigeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder gelet op de motivering in het besluit, de toelichting ter zitting en de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende heeft aangetoond dat de verkeersveiligheid is gewaarborgd. Dat jongeren de route langs het Lepelenburg ook gebruiken buiten de in de voorschriften bepaalde tijden is onvoldoende om anders te concluderen, omdat verweerder ook gedurende de andere tijden rekening heeft gehouden met normaal gebruik van de route en, zoals eerder genoemd, de normale verkeersregels gelden en door de derde-partij verkeersregelaars worden ingezet.

20. Verzoekster heeft in het kader van het milieubelang aangevoerd dat het evenement moet worden gezien als een inrichting in de zin van de milieuwetgeving. Volgens verzoekster is het echter niet getoetst aan de milieuregelgeving waaronder het Activiteitenbesluit. Verder heeft zij aangevoerd dat het Handboek Bomen moet worden beschouwd als verbindend uitvoeringsbesluit binnen het vastgestelde beleid. Dit betekent dat de boomkroonprojecties met hekken moeten worden afgezet. Ten onrechte heeft verweerder dit niet opgenomen in de plattegrond, waardoor schade aan het park, de bomen, onvoldoende wordt voorkomen.

21. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de zienswijze op dit punt en stelt zich op het standpunt dat de milieuwetgeving niet van toepassing is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de beperkte duur van het evenement, het gegeven dat niet meermalen per jaar plaatsvindt, de wisselende deelnemers, het evenement niet kan worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Wat verzoekster in dit kader heeft aangevoerd, evenals met betrekking tot het Activiteitenbesluit, behoeft daarom geen verdere bespreking. De voorzieningenrechter wijst ter ondersteuning naar de uitspraak van de ABRvS van 25 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1230). Dat verweerder ten onrechte niet de voorwaarden van het plaatsen van hekken heeft opgenomen ten behoeve van bescherming van de (haar-)wortels van de aanwezige bomen, wordt niet gevolgd. Verweerder heeft toegelicht dat het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen uit 2014 gebruikt wordt ter ondersteuning en als informatieve bron, maar dat het niet het beleid met betrekking tot bomen is. Bij raadplegen van de website blijkt dat het Handboek Bomen een leidraad is voor het ontwerp van bomen in de openbare ruimte. De voorzieningenrechter is met verzoekster van oordeel dat het verwarring wekt dat het Handboek Bomen onder beleidsdocumenten wordt genoemd, maar de voorzieningenrecht ziet niet in dat dit in de weg moet staan aan vergunningverlening. Daarbij is van belang dat verweerder de bescherming van het milieu, hier bescherming van het park met haar bomen en gras, voldoende heeft geborgd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. Evenals vorig jaar heeft verweerder boomtechnisch adviseur [D] betrokken bij de besluitvorming en voorschriften opgenomen ter bescherming van de bomen. Ter zitting is besproken waar de trucks geplaatst worden en waar en hoe de voertuigen zich door het park zullen verplaatsen. Met de voorschriften en inzet van verkeersregelaars is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende geborgd dat de gepaste afstand in acht wordt genomen. Verder wordt gebruik gemaakt van het verharde pad, platen om de druk te verdelen en gazonbanden. Tot slot acht de voorzieningenrechter van belang, hoewel dit geen voorwaarde bij de vergunning is, dat derde-partij heeft toegezegd met toepassing van de afzetlinten rondom de bomen het betreffende gebied voldoende zichtbaar te maken.

22. Uit bovenstaande volgt dat verweerder in redelijkheid de belangen van verzoekster niet zwaarder heeft hoeven laten wegen dan de belangen die zijn betrokken bij het evenement.

De weigeringsgronden genoemd in artikel 5:37 van de APV

23. Verzoekster heeft aangevoerd dat het gehele park gedurende een behoorlijke periode in beslag wordt genomen door het evenement. Daarnaast wordt een groot deel van de rijweg door op- en afbouw werkzaamheden en bevoorrading van de openluchthoreca in beslag genomen. Ook worden delen van het grachtwater in beslag genomen. Hierdoor wordt onevenredig veel beslag gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten, als bedoeld in artikel 5:37, tweede lid, aanhef en onder a van de APV, zodat verweerder daarom de vergunning had moeten weigeren.

Verder voert verzoekster aan dat ten onrechte geen planvoorschriften zijn opgesteld bij het artikel van de planregels van het geldend bestemmingsplan waarin is bepaald dat evenementen op de betreffende locatie zijn toegestaan. Deze voorschriften hadden regels over onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de soorten en de maximale bezoekersaantallen. De grootte en de aard van het evenement passen niet bij de locatie. Verzoekster verwijst hierbij naar de uitspraak van de ABRvS van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1440). Bovendien heeft voorafgaand aan de eerste editie van het evenement nooit een ecologische beoordeling plaatsgevonden.

24. De voorzieningenrechter begrijpt de gronden aldus dat volgens verzoekster sprake is van de situaties genoemd in artikel 5:37, tweede lid, aanhef en onder a en aanhef en onder c, van de APV. Artikel 5:37, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV bepaalt dat een vergunning kan worden geweigerd indien de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie.

25. Ten aanzien van de weigeringsgrond genoemd onder c van voormeld artikel overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat evenementen in Park Lepelenburg zijn toegestaan gelet op het bepaalde in artikel 14.1 van het Bestemmingsplan Binnenstad Utrecht. Dat verweerder de vergunning had moeten weigeren omdat het betreffende artikel in de planregels niet nader is uitgewerkt, waarbij verzoekster heeft verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 18 mei 2016, volgt de voorzieningenrechter niet. Het niet hebben uitgewerkt van voormeld artikel geeft gelet op het in de APV bepaalde op zich geen grond om de vergunning te kunnen weigeren. Vraag is of de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie. In dit kader heeft verzoekster erop gewezen dat de gemeente geen onderscheid maakt naar de grootte van te houden evenementen en dat het park vooral is bedoeld om van het groen en de rust te kunnen genieten en voor schade beschermd moet worden. Aan de hand van de stukken stelt de voorzieningenrechter vast dat de bestemming van het park “Groen” is en het karakter is te omschrijven als een vrij toegankelijk stadspark met speelvoorzieningen grenzend aan woningen. Gelet op voormeld artikel in het bestemmingsplan draagt het ook het karakter van evenementenlocatie in de binnenstad van Utrecht. Verweerder, evenals derde partij, hebben toegelicht wat de aard, vorm, grootte van het evenement is en de te verwachten soort en maximale bezoekersaantallen. In wat door verzoekster is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding te concluderen dat de aard van het evenement (vrij toegankelijk evenement, met diverse aanbieders van eten, met muziek en kinderprogramma gedurende de vergunde tijden) zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie.

26. Gelet op wat hierboven is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich met de toelichting dat de gewone verkeersregels in acht dienen te worden genomen en de toelichting van derde-partij dat het park vrij toegankelijk blijft in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het evenement niet onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten.

27. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat met wat verzoekster heeft aangevoerd, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat gelet op de hoeveelheid evenementen op de locatie Lepelenburg de cumulatie van evenementen met het vergunnen van de nu voorliggende evenementenvergunning zal leiden tot een onaanvaardbare belasting voor de omgeving of omwonenden. Daarbij acht de voorzieningenrechter, naast wat in bovenstaande met betrekking tot de weigeringsgronden van artikel 1:8 van de APV is besproken, van belang dat dit jaar het aantal evenementen op de locatie Lepelenburg aanzienlijk lager ligt dan vorig jaar, te weten zeven in plaats van dertien. De foto’s van de verkeerssituatie en de voorbeelden van gevaarlijke verkeerssituaties, geluidshinder en stank zijn, gelet op de toelichting van verweerder ter zitting over de klachten en ervaring van Toezicht en Handhaving, daartoe onvoldoende.

28. Dat onevenredig beslag op het park zou zijn gegeven gelet op de schade aan het gras vorig jaar, volgt de voorzieningenrechter niet. Verweerder heeft toegelicht dat vorig jaar sprake was van een uitzonderlijke regenval. Dit is door verzoekster niet weersproken. Zoals eerder besproken heeft verweerder voldoende aangetoond dat bescherming van het park met de voorschriften is geborgd en zal eventuele schade aan het park door derde-partij hersteld moeten worden.

29. Alles overziend en terughoudend toetsend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet is gebleken van strijd met een wettelijk voorschrift en dat geen sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van alle betrokken belangen dat verweerder in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen. Door het opnemen van een groot aantal voorschriften in de vergunning, is voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van verzoekster. Dat een evenement als het onderhavige overlast met zich brengt voor de direct omwonenden is onontkoombaar, maar dit heeft verweerder niet zwaarder hoeven laten wegen dan de belangen die zijn betrokken bij het houden van het evenement ‘Lepeltje Lepeltje’. Of de aan de vergunning verbonden voorschriften tijdens het evenement zullen worden nageleefd, is begrijpelijkerwijs voor verzoekster een heel belangrijk punt, maar dit is een handhavingskwestie, die in deze (vergunning)procedure niet aan de orde kan komen.

30. Wat overigens door verzoekster is aangevoerd, is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te leiden.

31. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen grond bestaat voor de verwachting dat het besluit in de bezwaarschriftprocedure niet in stand zal blijven en dat dit besluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.