ECLI:NL:RBROT:2017:4311 Rechtbank Rotterdam , 08-06-2017 / ROT 16/5532

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/5532

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2017 in de zaak tussen


[eiser] , te Capelle aan den IJssel, eiser,

gemachtigde: mr. M.H. Welter,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.J.M. Suijs.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen zijn salarisspecificatie van november 2015 (het primaire besluit), voor zover daarbij de compensatie voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond op zijn salaris is ingehouden, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op 6 maart 2017 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank op 9 mei 2017 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiser is al geruime tijd werkzaam als geleider in het Team Surveillance Honden en is uit dien hoofde permanent verantwoordelijk voor een diensthond. In aanvulling op zijn maandelijkse salaris ontvangt eiser op grond van de Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (Stcrt. 28 mei 2010, nr. 7966) (Regeling) een tegemoetkoming van € 106,98 voor de kosten van het verzorgen van de diensthond (tegemoetkoming) en een compensatie in geld van € 256,75 voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond (compensatie).

1.2.

Op 29 februari 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen zijn salarisspecificatie van december 2015, voor zover daarbij de compensatie op zijn salaris is ingehouden.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de compensatie ziet op de verzorging van en de verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd. Indien een medewerker ervoor kiest tijdens de vakantie (= privé-tijd) de hond niet te verzorgen en daar dus niet de verantwoordelijkheid voor heeft, is geen sprake van de last zoals genoemd in artikel 3 van de Regeling en bestaat dus geen recht op deze compensatie. Deze last kan niet gezien worden als een last die samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst. Het gaat immers om een last in privétijd. In zoverre is dus geen sprake van een intrinsiek verband tussen de compensatie en de uitvoering van de taken die eiser op grond van zijn aanstelling moet verrichten. Er is dan ook geen sprake van een situatie vergelijkbaar met die in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1754).

3. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar oordeelt de rechtbank ambtshalve als volgt.

3.1.

Tijdens de hoorzitting is gebleken dat zowel bij de salarisbetaling van november 2015 als die van december 2015 de compensatie is ingehouden op eisers salaris, dat de inhouding in december 2015 foutief was en dat deze is hersteld bij de salarisbetaling van april 2016. Verweerder heeft eisers bezwaar tegen de salarisspecificatie van december 2015 om die reden verder behandeld als ware het gericht tegen de salarisspecificatie van november 2015 en de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht omdat een rechtsmiddelenclausule onder de salarisspecificaties ontbrak.

3.2.

Gelet op die keuze van verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en zal zij de zaak inhoudelijk behandelen.

4. Eiser voert aan dat de compensatie betrekking heeft op een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van werkzaamheden door een politieambtenaar, namelijk het uitvoeren van de werkzaamheden als geleider. Verder moet de compensatie worden gerekend tot het gebruikelijke arbeidsloon, waarmee wordt voldaan aan de voorwaarde dat een zekere mate van bestendigheid aanwezig is, bezien over een representatieve periode, nu de compensatie vanaf het moment van toewijzing van de diensthond daadwerkelijk maandelijks wordt uitbetaald. Gelet hierop heeft eiser op grond van het arrest van 15 september 2011 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in de zaak Williams e.a. (C-155/10) recht op doorbetaling van de compensatie tijdens vakantie.

4.1.1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn) treffen de lidstaten de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

4.1.2.

Op grond van artikel 2 van de Regeling heeft de geleider voor de kosten van het verzorgen van de diensthond aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming van € 106,98 per diensthond.

Artikel 3 van de Regeling luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond heeft de geleider aanspraak op een compensatie in tijd of in geld.

2. (…)

3. (…)

4. De compensatie in geld bedraagt € 256,75 per maand.

5. De compensatie heeft geen betrekking op de noodzakelijke verzorging van de diensthond binnen werktijd.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling vervalt de aanspraak op de compensatie, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, in het geval de geleider tijdens vakantie de aan hem toegewezen diensthond niet verzorgt.

4.2.

Niet in geschil is dat eiser een rechtstreeks beroep toekomt op artikel 7 van de Richtlijn.

4.3.

Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet volgens vaste rechtspraak van het Hof worden beschouwd als een bijzonder beginsel van communautair sociaal recht, waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk in de Richtlijn zelf zijn opgesomd (arrest van het Hof van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff, punt 22).

Het Hof heeft gepreciseerd dat de woorden ‘jaarlijkse vakantie met behoud van loon’ in de zin van artikel 7 van de Richtlijn betekenen dat het loon gedurende de jaarlijkse vakantie in de zin van de Richtlijn moet worden doorbetaald en dat de werknemer voor deze rustperiode zijn normale loon dient te ontvangen. Het vereiste van betaling van vakantieloon heeft tot doel, de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te brengen die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes (arrest van het Hof van 16 maart 2006, C-131/04 en C-257/04, Robinson-Steele, punten 50 en 58, en het arrest van het Hof van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff, punten 58 en 60).

In het verlengde hiervan heeft het Hof in het arrest Williams (van 15 september 2011, C‑155/10) geoordeeld dat het vakantieloon in beginsel dient overeen te komen met het gebruikelijke arbeidsloon van de werknemer. Hieruit volgt dat een als vakantieloon betaalde financiële vergoeding die nog net zo hoog is dat geen redelijke kans bestaat dat de werknemer zijn jaarlijkse vakantie niet opneemt, niet aan de Unierechtelijke eisen voldoet (punt 21).

Het Hof heeft in het arrest Williams verder geoordeeld hoe het gebruikelijke loon moet worden bepaald wanneer de door de werknemer ontvangen beloning bestaat uit verschillende componenten. In dat geval moet bij de bepaling van het bedrag waarop deze werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie een specifieke analyse worden uitgevoerd (punt 22). Hoewel de structuur van het gebruikelijke loon van een werknemer als zodanig valt onder de bepalingen en gebruiken van het recht van de lidstaten, mag zij geen weerslag hebben op het recht van de werknemer om gedurende zijn periode van rust en ontspanning vergelijkbare economische omstandigheden te genieten als die rond de verrichting van zijn arbeid (punt 23).

Elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt, wordt volgens het Hof gerekend tot de globale beloning van een werknemer, die noodzakelijkerwijs deel moet uitmaken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie (punt 24). In dit verband wordt opgemerkt dat voor de woordcombinatie ‘any inconvenient aspect’ het Nederlandse begrip ‘last’ wordt gebruikt.

4.4.

In het licht van het arrest Williams is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die eiser zijn opgedragen als hondengeleider en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt. Uit artikel 3, eerste lid, van de Regeling en uit de toelichting op dit artikel volgt dat eiser permanent verantwoordelijk is voor de diensthond, zowel tijdens de dienst als in privétijd. De compensatie heeft betrekking op de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd. De diensthond moet immers ook buiten werktijd verzorgd worden. Daarnaast, zo volgt uit de toelichting, heeft het houden van een diensthond op het woonadres invloed op de thuissituatie, hetgeen een extra verantwoordelijkheid met zich brengt. Eiser heeft hierover ter zitting verklaard dat deze permanente verantwoordelijkheid voor hem en zijn gezin een vergaande beperking met zich brengt ten aanzien van hun dagelijks leven. Zo dient eiser te voldoen aan strikte regels omtrent het verblijf en vervoer van de diensthond. Hij mag bijvoorbeeld niet met de diensthond op het strand lopen en mag de hond ook niet meenemen op vakantie. De diensthond moet in een kennel blijven. Als eiser geen kennel heeft die voldoet, mag hij niet op vakantie. Die permanente verantwoordelijkheid houdt niet op als eiser op vakantie gaat; ook al verzorgt hij de diensthond op dat moment niet zelf en verblijft deze in een geschikte kennel, dan nog blijft eiser verantwoordelijk voor de diensthond. De last gaat dus niet over op een ander. Als zich tijdens eisers vakantie een incident voordoet waarbij de hond betrokken is, kan eiser daarop immers worden aangesproken.

4.5.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat is voldaan aan de voorwaarde dat een zekere mate van bestendigheid aanwezig is van betaling van de compensatie, bezien over een representatieve periode, moet de compensatie naar het oordeel van de rechtbank worden gerekend tot het gebruikelijke loon van eiser. Gelet hierop heeft eiser op grond van artikel

7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 recht op doorbetaling van deze compensatie tijdens zijn jaarlijkse vakantie.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het bezwaar gegrond zal verklaren en het primaire besluit zal herroepen, voor zover daarbij de compensatie op het salaris van eiser is ingehouden. Verweerder moet dit bedrag alsnog aan eiser betalen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit voor zover daarbij de compensatie op het salaris van eiser is ingehouden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

-

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.