ECLI:NL:RVS:2017:1345 Raad van State , 24-05-2017 / 201602797/1/A1

Uitspraak

201602797/1/A1.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Goes,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2016 in zaak nr. 15/5986 in het geding tussen:

[partij], wonend te Goes

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het verbouwen van het restaurant en wooneenheden op het perceel [locatie A] te 's-Heer Arendskerke (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2016 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 april 2016 heeft het college opnieuw op het door [partij] tegen het besluit van 30 april 2015 ingediende bezwaar beslist, dat bezwaar gegrond verklaard en het laatstgenoemde besluit gewijzigd.

[partij] heeft daartegen gronden ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het college en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Daniëlse, en [partij], vertegenwoordigd door H.P.W. Havens, rechtsbijstandverlener te Tilburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. drs. K.E. van Dijk, als partij gehoord.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Op het perceel [locatie A] te ’s-Heer Arendskerke staat een historische boerenschuur. [partij] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie B] te ’s-Heer Arendskerke en van een deel van de historische boerenschuur gelegen op het perceel. [vergunninghouder] is eigenaar van het andere deel van de schuur waarop het bouwplan betrekking heeft. In dat deel is op de begane grond een restaurant gevestigd. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van die functie. Het bouwplan voorziet voorts in het realiseren van een appartement ten behoeve van bed&breakfast op de eerste verdieping. Daarnaast voorziet het bouwplan in de realisering van een woning op de begane grond en komt er een portaal ten behoeve van de ingang van het restaurant. Het bouwplan voorziet ten slotte in het realiseren van twee terrassen en parkeervoorzieningen.

    Volgens het college is het bouwplan in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "’s-Heer Arendskerke en Eindeweg" (hierna: het bestemmingsplan) omdat de eerste verdieping mede voor horecadoeleinden zal worden gebruikt, terwijl horeca slechts op de begane grond is toegestaan. Het bouwplan is volgens het college voorts in strijd met het bestemmingsplan omdat de bed&breakfast de maximaal toegestane vloeroppervlakte overschrijdt. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunning verleend.

    De rechtbank heeft het bestreden besluit van 6 augustus 2016 bij haar uitspraak van 29 maart 2016 vernietigd omdat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen. Volgens de rechtbank neemt de bruto vloeroppervlakte toe als gevolg van het bouwplan zodat artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor niet van toepassing is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college niet bevoegd is omdat het aantal woningen toeneemt als gevolg van het bouwplan, hetgeen betekent dat artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor niet van toepassing is op grond van artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor. De rechtbank heeft verder overwogen dat het bouwplan tevens in strijd is met het bestemmingsplan omdat de parkeerplaatsen niet ten dienste staan van de bestemming wonen terwijl op het deel van het perceel waar de parkeerplaatsen zijn voorzien een woonbestemming rust. Hetzelfde geldt volgens de rechtbank voor de twee terrassen waarin het bouwplan voorziet. De woning waarin het bouwplan voorziet is volgens de rechtbank ook in strijd met het bestemmingsplan omdat er ter plaatse geen woning mag worden gebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is het college alleen bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

    [vergunninghouder] heeft na de uitspraak van de rechtbank gewijzigde tekeningen overgelegd aan het college. Het betreft tekeningen van de situatie, plattegronden en aanzichten en doorsnede van 22 maart 2016. Op de tekeningen zijn aanpassingen doorgevoerd met betrekking tot de parkeervoorziening op het omliggende terrein, de aanduiding van de ruimten in het gebouw en de op het dak van het gebouw te plaatsen voorzieningen voor onder meer ventilatie en afzuiging.

    Bij besluit van 18 april 2016 heeft het college het besluit van 30 april 2015 gewijzigd in die zin dat het besluit ook van toepassing wordt verklaard op het aansluitende terrein. Voorts heeft het college de motivering van het besluit aangepast en de bij het laatstgenoemde besluit behorende tekeningen met nummer D-01, D-02 en D-03 vervangen door de gewijzigde tekeningen van 22 maart 2016. Het college heeft tevens een aantal voorschriften aan het besluit verbonden.

Hoger beroep van het college

3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het bouwplan voor zover het voorziet in een woning in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht. Daartoe voert het college aan dat op het perceel de bestemming  "Wonen " rust en ingevolge artikel 16.2 van de planregels hoofdgebouwen op het perceel mogen worden gerealiseerd.

3.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen" met de aanduiding "horeca ". De op het perceel aanwezige boerenschuur is een hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, eenendertigste lid, van de planregels. Het enkele feit dat er op het perceel een nadere aanduiding als bedoeld in artikel 16.2.2. van de planregels ontbreekt, leidt niet tot het oordeel dat ter plaatse geen woning is toegestaan. Gelet op de verbeelding en de artikelen 16.1 en 16.2 van de planregels mag het perceel worden gebruikt voor woondoeleinden en horecadoeleinden en mogen er hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd. Dit betekent dat in de boerenschuur die met het bouwplan wordt verbouwd een woning mag worden gerealiseerd en op de benedenverdieping een horecagelegenheid als bedoeld in artikel 16.1 is toegestaan. De Afdeling merkt op dat nu het perceel geen nadere aanduiding als hiervoor bedoeld heeft, voor de afmeting moet worden gekeken naar artikel 16.2.1 van de planregels, waarin regels zijn opgenomen ten aanzien van het bouwen van gebouwen.

    Nu op het perceel een woning is toegestaan in de boerenschuur, is het bouwplan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in zoverre niet in strijd met het bestemmingsplan.

    Het betoog slaagt.

4.    Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º van de Wabo omgevingsvergunning kan verlenen, niet heeft onderkend dat artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor niet aan toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor in de weg staat.

4.1.    De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor in dit geval in de weg staat aan de toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor. De in artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor neergelegde eis dat bij de toepassing van artikel 4 het aantal woningen gelijk blijft, geldt volgens dat artikellid immers niet voor artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor. De rechtbank heeft in zoverre ten onrechte overwogen dat het college alleen bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

    Het betoog slaagt.

5.    Hoewel het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van het college gegrond is, zal de Afdeling de uitspraak van de rechtbank niet vernietigen omdat de rechtbank, hetgeen door het college niet wordt bestreden, tot de conclusie is gekomen dat het college voor een deel van het bouwplan niet bevoegd is om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen. Bovendien heeft de rechtbank overwogen dat het bouwplan ook op andere punten in strijd is met het bestemmingsplan, waarvoor het college geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo heeft verleend, hetgeen door het college evenmin wordt bestreden.

Besluit van 18 april 2016

6.    Bij besluit van 18 april 2016 heeft het college opnieuw op het door [partij] tegen het besluit van 30 april 2015 ingediende bezwaar beslist, dat bezwaar gegrond verklaard en het besluit gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

7.    [partij] betoogt dat het besluit van 18 april 2016 een nieuw besluit op de aanvraag is waartegen bezwaar en geen beroep openstaat. Daartoe voert hij aan dat gelet op de wijzigingen aan de achtergevel en het dak niet meer gesproken kan worden van hetzelfde bouwplan.

7.1.    Het college heeft bij het besluit van 18 april 2016 de gewijzigde tekeningen van 22 maart 2016 betrokken. De enkele omstandigheid dat de aanvraag is gewijzigd, is onvoldoende voor het oordeel dat een nieuwe aanvraag is vereist en het besluit daarop een nieuw besluit op een aanvraag betreft. Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3805 overweegt de Afdeling dat indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, daarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Die situatie doet zich hier niet voor, aangezien de uiterlijke verschijningsvorm van het voorziene bouwplan en de ruimtelijke uitstraling ervan, door de bedoelde wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke vergunde bouwplan naar het oordeel van de Afdeling vrijwel ongewijzigd is gebleven. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingen kunnen worden beschouwd als wijzigingen van ondergeschikte aard waarvoor geen nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning behoefde te worden ingediend.

    Het betoog faalt.

8.    Het college heeft zich bij het besluit van 18 april 2016 op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat ook de bovenverdieping wordt gebruikt voor horecadoeleinden. Het portaal is eveneens in strijd met het bestemmingsplan omdat het wordt gerealiseerd buiten het bouwvlak waar de aanduiding "horeca" geldt, terwijl het ten dienste staat van het horecabedrijf. Hetzelfde geldt voor de terrassen, parkeervoorzieningen en de voorzieningen voor ventilatie en afzuiging, aldus het college. Het bouwplan is volgens het college voorts in strijd met het bestemmingsplan omdat de bed&breakfast de maximaal toegelaten netto vloeroppervlakte overschrijdt. Hoewel het college zich niet kan verenigen met de uitspraak van de rechtbank, gaat het in het besluit naar aanleiding van die uitspraak in op de vermeende overtreding van het bestemmingsplan ten aanzien van het wonen.

    Om het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning verleend. Voor de voorziening en afzuiging heeft het college met toepassing van artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning verleend. Voor het gebruik van de eerste verdieping en het aansluitende terrein ten behoeve van het horecabedrijf, het gebruik van de boerenschuur voor bewoning alsmede de overschrijding van de maximale vloeroppervlakte heeft het college met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning verleend. Voor het realiseren van het portaal heeft het college toepassing gegeven aan artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor.

9.    [partij] betoogt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor  omgevingsvergunning te verlenen omdat de voorzieningen voor ventilatie en afzuiging zodanig van aard en omvang zijn dat geen sprake is van een bouwdeel van ondergeschikte aard.

9.1.    Een nadere beschrijving van bouwdeel van ondergeschikte aard ontbreekt in bijlage II van het Bor. Volgens de Nota van toelichting bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Bor en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht, kan bij bouwdelen van ondergeschikte aard worden gedacht aan liftopbouwen, schoorstenen, ventilatiekanalen, airco-units, luchtbehandelingsinstallaties, glazenwassersinstallaties, brandtrappen of bouwwerken die samenhangen met installaties binnen een gebouw. (Stb. 2014, 333, blz. 54). Gelet hierop ligt het naar het oordeel van de Afdeling in de rede om de hier aan de orde zijnde voorzieningen als bouwdelen van ondergeschikte aard als bedoeld in artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor aan te merken.

    Nu het bouwplan mede voorziet in bouwdelen van ondergeschikte aard bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van die bouwdelen.

    Het betoog faalt.

10.    [partij] betoogt dat het college niet bevoegd is om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen. Daartoe voert hij aan dat het perceel buiten de bebouwde kom is gelegen nu ter plaatse geen sprake is van aaneengesloten gebied van geconcentreerde bebouwing. Derhalve is het volgens hem uitsluitend mogelijk om logiesfunctie voor werknemers toe te staan. Hij voert voorts aan dat het bouwvolume toeneemt als gevolg van het bouwplan.

10.1.    De vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen is van feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing feitelijk, nagenoeg, ophoudt. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:106. De plaats van de verkeersborden is daarbij niet van belang. Ter zitting van de Afdeling is komen vast te staan dat het dorp begint dan wel eindigt bij het perceel en dat het perceel onderdeel uitmaakt van de gevarieerde bebouwing van het dorp. Gelet op het verhandelde ter zitting komt de Afdeling tot de conclusie dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom. Dat de bebouwing na de schuur nagenoeg ophoudt, maakt niet dat het perceel en de daarop aanwezige bebouwing niet meer tot de bebouwde kom kan worden gerekend.

10.2.    Voor de beoordeling van de vraag of het bouwvolume toeneemt als gevolg van het bouwplan als bedoeld in artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor is van belang of het deel van het bouwplan waarvoor met toepassing van het voormelde artikellid omgevingsvergunning wordt verleend, leidt tot een toename van het bouwvolume. Het college heeft voor het gebruik van de eerste verdieping en het aansluitende terrein ten behoeve van het horecabedrijf, het gebruik van de boerenschuur voor bewoning alsmede de overschrijding van de toegestane maximale vloeroppervlakte ten behoeve van de bed & breakfast toepassing gegeven aan artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor. Deze activiteiten leiden niet tot een toename van het bouwvolume. Dat er meer vloeroppervlakte wordt gebruikt voor horeca waardoor de omvang van het gebruik toeneemt, leidt niet tot een ander oordeel. Dit omdat onder bouwvolume als bedoeld in artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor dient te worden verstaan de omvang van het gebouwde in dit geval de schuur en niet van de functie, in dit geval de horeca.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen.

    Het betoog faalt.  

11.    [partij] betoogt tevergeefs dat artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor aan toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor in de weg staat. Zoals onder 4.1 is overwogen, geldt hetgeen is neergelegd in artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor niet voor artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor.

12.    Gelet op het voorgaande was het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen.

13.    [partij] betoogt voorts dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik mocht maken. Daartoe voert hij aan dat het beoogde gebruik van de boerenschuur niet valt onder categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten en dat hij vreest voor overlast als gevolg van het houden van feesten en vergaderingen. Hij voert verder aan dat hij geluidshinder zal ondervinden als gevolg van de terrassen. De erfafscheiding is niet toereikend als geluidwerende maatregel en de terrassen worden, anders dan het college stelt, niet afgeschermd. De door het college aan het besluit verbonden voorschriften zijn volgens hem onvoldoende om de geluidshinder te beperken. Ten aanzien van het parkeren voert hij aan dat er parkeeroverlast is te verwachten omdat buiten het terrein van [vergunninghouder] zal worden geparkeerd.

13.1.    De beslissing al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college. De rechter dient zich bij de toetsing van een dergelijk besluit te beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen heeft kunnen komen.

13.2.    Het college heeft bij zijn besluitvorming om in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan dat een deel van de bovenverdieping voor horecadoeleinden wordt gebruikt in aanmerking mogen nemen dat het bestemmingsplan ter plaatste reeds een horecabedrijf toestaat op de begane grond van de categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten (hierna: lichte horeca) met een maximale oppervlakte van 470 m². Volgens het college leidt de verdeling van het restaurant over twee verdiepingen niet tot een ruimtelijk onaanvaardbare situatie, omdat de maximale oppervlakte van 470 m² niet wordt overschreden. Het college heeft tevens laten wegen dat de uitstraling van een restaurant dat zich uitstrekt over twee bouwlagen niet wezenlijk verschilt van een restaurant dat enkel op de begane grond is gevestigd.     Anders dan [partij] betoogt, voorziet het bouwplan in de uitbreiding van een restaurant die valt onder de categorie lichte horeca. Zowel op de aanvraag als op de gewijzigde bouwtekening is aangegeven dat het beoogd gebruik restaurant is. [vergunninghouder] exploiteert ter plaatse [de Brasserie]. Deze is gericht op het verstrekken van maaltijden en consumpties aan haar gasten en voldoet daarmee aan de eisen voor lichte horeca. Ten aanzien van de vrees dat de ruimte op de bovenverdieping zal worden gebruikt voor grote feesten of vergaderingen overweegt de Afdeling dat de verleende omgevingsvergunning dat gebruik niet mogelijk maakt. De omgevingsvergunning ziet, gelet op de gewijzigde bouwtekening en het besluit, zoals ter zitting door het college en [vergunninghouder] is bevestigd, niet op zaalverhuur. [vergunninghouder] heeft in dit verband toegelicht dat de bovenverdieping zal worden gebruikt ten behoeve van het restaurant op het moment dat er beneden geen plek meer is voor gasten. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat het college een exploitatievergunning heeft verleend aan [vergunninghouder] voor het exploiteren van een daghorecabedrijf in de vorm van een restaurant. Dat die exploitatievergunning nog niet in rechte onaantastbaar is, betekent niet dat het college deze niet bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Dit zou slechts anders zijn indien op voorhand duidelijk is dat het besluit waarbij de exploitatievergunning is verleend de rechterlijke toets niet zou doorstaan, hetgeen hier niet het geval is. De enkele vrees van [partij] voor gebruik anders dan lichte horeca, is ontoereikend om ui te gaan van een ander gebruik dan lichte horeca. Indien de bovenverdieping toch voor zaalverhuur wordt gebruikt, kan [partij] het college verzoeken om daartegen handhavend op te treden.

    De gestelde geluidshinder als gevolg van de terrassen leidt niet tot het oordeel dat het college zich in zoverre ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Brochure "Bedrijven en milieuzonering", dat er verschillende erfafscheidingen zijn geplaatst die geluidsreducerend werken en dat er een aantal voorschriften aan de vergunning is verbonden om de geluidshinder te beperken. Het door het college ingenomen standpunt wordt ondersteund door het door het college overgelegde rapport van Antea Group van 7 maart 2017. [partij] heeft geen feiten of omstandigheden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies in dit rapport. Bovendien heeft het college in dit verband in aanmerking kunnen nemen dat het perceel niet is gelegen in een rustige woonwijk nu er bedrijfsactiviteiten in de omgeving plaatsvinden.

    Ten aanzien van het parkeren overweegt de Afdeling dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet valt te verwachten dat er parkeeroverlast zal ontstaan als gevolg van het bouwplan. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om te voldoen aan de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan. Volgens de parkeernorm uit het Parkeerbeleidsplan 2009-2020 zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Goes op 18 februari 2010 wordt voor een restaurant uitgegaan van 14 parkeerplaatsen per 100 m². De totale vloeroppervlakte die zal worden gebruikt voor horecadoeleinden bedraagt 348,6 m² zodat voor het restaurant 48,8 parkeerplaatsen nodig zijn. Inclusief de woning en het appartement met logiesfunctie bedraagt de totale parkeerbehoefte volgens de parkeernorm 54 parkeerplaatsen. Uit de bij de aanvraag behorende tekening en het besluit van 18 april 2016 volgt dat er 54 parkeerplaatsen kunnen en ook zullen worden gerealiseerd. [partij] heeft deze berekening niet betwist. Reeds om die reden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet zal leiden tot structureel parkeren buiten het terrein van [vergunninghouder].

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [partij] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

14.    [partij] betoogt dat het college ten onrechte omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo heeft verleend. Volgens [partij] is het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand. Hij verwijst in dit verband naar een notitie van 29 juni 2016 van Rothuizen Architecten. Volgens die notitie voldoet het bouwplan niet aan de criteria uit de Welstandsnota van de Gemeente Goes.

14.1.    De commissie ruimtelijke kwaliteit (hierna: de commissie) heeft op 17 februari 2015 positief over het bouwplan geadviseerd. Na het bezwaarschrift van [partij] waarin onder andere werd betoogd dat de verschijningsvorm van het bouwwerk na realisering van het bouwplan in strijd zou zijn met redelijke eisen van welstand, heeft het college de commissie wederom om advies gevraagd. In het positieve advies van 13 juli 2015 is de commissie ingegaan op de ingediende bezwaren. In het advies van 5 april 2016 heeft de commissie naar aanleiding van de gewijzigde tekening wederom positief over het bouwplan geadviseerd.

    Het college heeft deze adviezen van de commissie aan zijn besluit ten grondslag gelegd en op basis daarvan is het college tot de conclusie gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

14.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juli 2015 in ECLI:NL:RVS:2015:2221) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het algemeen bestuur dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

14.3.    In hetgeen [partij] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de aan het besluit van 18 april 2016 ten grondslag gelegde adviezen van de commissie zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Het enkele feit dat Rothuizen tot een andere conclusie komt dan de commissie, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de commissie in het advies van 30 augustus 2016 heeft gereageerd op de notitie van Rothuizen Architecten van 29 juni 2016 en tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met de welstandsnota. Bovendien is de notitie van Rothuizen Architecten gebaseerd op de op 19 mei 2016 vastgestelde welstandsnota. Die nota is niet de welstandsnota waaraan het bouwplan moet worden getoetst omdat die nota pas na het besluit van 18 april 2016 is vastgesteld.  

    Gelet op het voorgaande heeft het college zich onder verwijzing naar de adviezen van de commissie terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en in zoverre heeft het college terecht omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend.

    Het betoog faalt.

15.    [partij] betoogt tevergeefs dat de scheidingwand op de erfgrens in de schuur niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012 zodat het college ten onrechte omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo heeft verleend. Daartoe overweegt de Afdeling dat, zoals ook in het terzake door [partij] overgelegde rapport van Rothuizen is opgemerkt, het Bouwbesluit geen eisen bevat voor de situatie zoals hier aan de orde.

Conclusie

16.    Het hoger beroep van het college is gegrond. Het beroep tegen het besluit van 18 april 2016 is ongegrond.

17.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goes van 18 april 2016 ongegrond;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goes tot vergoeding van bij [partij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 540,71 (zegge: vijfhonderdveertig euro en eenenzeventig cent), waarvan € 495,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. De Koning

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

712. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.10

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a.de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

[…]

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

[…]

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat

[…]

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

[…]

4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard;

[…]

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers;

[…]    

Artikel 5

1. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk. Deze eis is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in:

a. de artikelen 2, onderdelen 3 en 22, en 3, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

b. artikel 4, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

c. artikel 4, onderdelen 9 en 11.

[…]

Planregels bestemmingsplan "’s-Heer Arendskerke en Eindewege"

Artikel 1

[…]

31. Hoofdgebouw: gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

[…]

51. Woning: een gebouwd dat dient voor de huisvesting van personen.

Artikel 16.1

De voor Wonen (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven, paden, en andere voorzieningen ten behoeven van het wonen;

c. aan-huis-gebonden beroepen;

d. ter plaatse van de aanduiding  "horeca "(h) mede een horecagelegenheid uit categorie I van de Staat van Horeca-activiteiten uitsluitend op de begane grond met een maximum oppervlakte van 470 m².

Artikel 16.2

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. bijbehorende bouwwerken;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 16.2.2

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

a. ter plaatse van de nadere aanduiding "aaneengebouwd" (aeg): uitsluitend aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;

b. ter plaatse van de nadere aanduiding "twee- aaneen" (tae):uitsluitend twee-aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan;

c. ter plaatse van de nadere aanduiding "vrijstaand" (vrij): vrijstaande woningen zijn toegestaan;

d. met betrekking tot de breedte van een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken als genoemd in lid 16.2.1 niet meegerekend gelden de volgende bepalingen:

Bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten

Categorie 1 "lichte horeca"

Bedrijven die in beginsel alleen overdag en ’s avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden:

[…]

1b. Overige lichte horeca

[…]

- restaurant (zonder bezorg- en/of afhaalservice),

[…]