ECLI:NL:RVS:2017:1620 Raad van State , 21-06-2017 / 201604280/1/A1

Uitspraak

201604280/1/A1.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2016 in zaak nr. 15/7513 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 4 augustus 2015.

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De korpschef van de Politie Eenheid Rotterdam heeft op 30 november 2014 aan het CBR meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de geschiktheid die vereist is voor het besturen van een motorvoertuig waarvoor het rijbewijs is afgegeven.

    Dit vermoeden is ontstaan naar aanleiding van een politiecontrole op 29 november 2014, waarbij [appellant] door de politie staande is gehouden als bestuurder van een auto. Daarbij werd door de politie geconstateerd dat [appellant] bloeddoorlopen ogen en vernauwde pupillen had en dat hij in het bezit was van vloei. In zijn auto werd een hennepgeur geroken en hij reageerde traag op de vragen die hem werden gesteld.

    Naar aanleiding van de mededeling heeft het CBR bij besluit van 6 januari 2015 [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 april 2015 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden door de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:549.

    Op 25 april 2015 is [appellant] onderzocht door arts S. Kalk onder supervisie van psychiater M. Hanoeman. Er is een anamnese afgenomen, [appellant] is psychiatrisch onderzocht en de resultaten van een urineonderzoek op 25 april 2015 zijn bestudeerd. Op grond van dit onderzoek hebben de arts en de psychiater geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat bij [appellant] ten tijde van de laatste aanhouding op 29 november 2014 sprake was van drugmisbruik dan wel drugsafhankelijkheid volgens de DSM-IV-TR criteria, maar dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose drugsmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. De bevindingen zijn neergelegd in een verslag van bevindingen. Dit verslag heeft het CBR aan zijn besluit van 28 juli 2015 ten grondslag gelegd, welk besluit bij besluit op bezwaar van 19 oktober 2015 (hierna: het bestreden besluit) is gehandhaafd.

2.    De conclusie in het verslag dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose drugsmisbruik in ruime zin kan worden gesteld is gebaseerd op bij het onderzoek vastgestelde bevindingen. In het verslag is hierover vermeld dat bij het onderzoek werd vastgesteld dat [appellant] aangaf in het jaar voorafgaande aan de aanhouding dagelijks cannabis te hebben gebruikt en dit schatte op 0,2 gram/joints en 1 joint per dag. Voorts is in het verslag onder meer vermeld dat, indien het gebruik meer dan 3-4 joints per week is, zonder meer sprake is van cannabismisbruik. Verder is in het verslag vermeld dat [appellant] heeft aangegeven in het jaar voorafgaande aan de aanhouding regelmatig harddrugs (cocaïne en xtc) te hebben gebruikt, hetgeen een aanwijzing is voor drugsmisbruik, dat [appellant] zich goed in staat voelde te rijden na druggebruik, hetgeen een aanwijzing is voor een verhoogde tolerantie en de uitslag van het urineonderzoek positief was voor cannabis, hetgeen impliceert dat [appellant] recent cannabis heeft gebruikt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR het bestreden besluit niet op het verslag van bevindingen mocht baseren, nu het onderzoek gebrekkig was en de bevindingen niet concludent zijn. Daartoe voert hij aan dat de arts die het onderzoek feitelijk verrichte geen specialist-psychiater was en de diagnose "drugsmisbruik in ruime zin" door een psychiater moet worden gesteld. Met de weergave in het verslag van zijn mededelingen aan de arts is op geen enkele wijze aangetoond dat er sprake is van drugsmisbruik in ruime zin, temeer gezien de conclusie in het toxicologisch rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). De kwantificering zoals weergegeven in het verslag is volgens hem voorts niet gegeven. De rechtbank heeft verder ten onrechte onder verwijzing naar het verslag overwogen dat de stelling van [appellant] dat het gebruik van cannabis op zichzelf niet tot de conclusie drugsmisbruik in ruime zin kan leiden onjuist is. Volgens [appellant] betreft het slechts een mening van de psychiater dat het dagelijks gebruik van cannabis een aanwijzing voor drugsmisbruik is die niet is gebaseerd op enige regelgeving of wetenschappelijke onderbouwing en strookt deze niet met het toxicologisch rapport. In het verslag is voorts zijn mededeling dat hij in staat was te rijden na drugsgebruik uit zijn context gehaald in die zin dat hij bedoelde dat hij om 22:00 uur, toen hij werd aangehouden, goed in staat was te rijden, omdat er immers sedert zijn laatste druggebruik minstens vier uren waren verstreken.

3.1.    De relevante bepalingen van de WVW 1994, de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en de Regeling eisen geschiktheid 2000 zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1328) bestaat, in een geval waarin de diagnose drugsmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

    Voor zover [appellant] er op wijst dat het onderzoek niet door een psychiater is verricht en de diagnose drugsmisbruik in ruime zin niet door een psychiater is gesteld, wordt overwogen dat in de bijlage van de Regeling eisen geschiktheid 2000 in hoofdstuk 2 is bepaald dat waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, daarmee is bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde. De omstandigheid dat delen van het onderzoek door een arts, niet zijnde psychiater, zijn uitgevoerd maakt dan ook niet dat het rapport niet als specialistisch rapport kan worden aangemerkt.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3863) is van een specialistisch rapport geen sprake indien de betreffende specialist, de psychiater, de betrokkene niet zelf heeft gezien en aldus niet zelf direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest. Volgens het rapport heeft psychiater Hanoeman [appellant] psychiatrisch onderzocht. De enkele stelling van [appellant] dat het onderzoek feitelijk slechts bestond uit een kort vraaggesprek met een assistente, dat de psychiater daar slechts kort bij was en [appellant] enkel vermaande goed mee te werken, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de psychiater niet direct bij het onderzoek betrokken is geweest. Voor zover het persoonlijk contact met de psychiater zelf, naar door [appellant] gesteld, kort is geweest, is het niet aan de bestuursrechter om te toetsen, of dat contact toereikend is geweest voor de door deze psychiater gestelde diagnose.

    [appellant] heeft ter zitting bevestigd dat hij op de vraag van de arts hoe vaak hij cannabis gebruikt de in het verslag van bevindingen opgenomen kwantificering heeft gegeven. Dat, zoals hij ter zitting heeft gesteld, in werkelijkheid geen sprake is van dagelijks gebruik, maar van € 10,00 aan cannabis per week die hij soms in een keer en soms in meerdere keren oprookt, doet hier niet aan af. De enkele stelling van [appellant] dat de diagnose drugsmisbruik in ruime zin slechts is gebaseerd op de mening van de psychiater dat het dagelijks gebruik van cannabis een aanwijzing voor drugsmisbruik is en deze mening niet is gebaseerd op regelgeving of een wetenschappelijke onderbouwing is voorts onvoldoende voor het oordeel dat het CBR zich niet op het verslag van bevindingen mocht baseren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, voor zover [appellant] zich niet in de diagnose kon vinden,  het op zijn weg had gelegen om een tweede onderzoek aan te vragen of een tegenrapport in te brengen, hetgeen niet is gebeurd. Dat in het door het NFI opgestelde toxicologisch rapport van 24 december 2014 is vermeld dat er op grond van de resultaten van het toxicologische onderzoek naar het op 29 november 2014 afgenomen bloed van [appellant] sprake kan zijn van een nadelige beïnvloeding van de rijvaardigheid door THC, maar een nadelige beïnvloeding niet waarschijnlijk is, volgt evenmin dat dat het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit niet heeft mogen baseren op het verslag.

    Voor zover [appellant] stelt dat in het verslag zijn opmerking dat hij in staat was te rijden na drugsgebruik uit zijn context gehaald in die zin dat hij bedoelde dat hij om 22:00 uur goed in staat was te rijden, omdat er immers sedert zijn laatste druggebruik minstens vier uren waren verstreken wordt overwogen dat dit, wat daar verder van zij, niet afdoet aan de overige aanwijzingen dat sprake is van drugsmisbruik in ruime zin.

    De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, terecht overwogen dat niet is gebleken dat het verslag van bevindingen naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Dit betekent dat het CBR bij de diagnose drugsmisbruik in ruime zin niet anders kon dan concluderen tot ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig en op die grond het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaren.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] heeft voor het overige volstaan met een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Hij heeft niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde kan daarom evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Slump    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

580. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1 Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 131

1 Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

(…)

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Artikel 134

2 Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

(…)

b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Hoofdstuk 2 van de bijlage "Algemene opmerkingen"

[..]

Specialistisch rapport

Met het specialistisch rapport is in eerste instantie bedoeld het rapport dat het CBR ontvangt van de onafhankelijke specialist naar wie de aanvrager door het CBR is verwezen. Deze groep vaste specialisten verricht met enige regelmaat rijbewijskeuringen en zijn op de hoogte van de specifieke eisen aan de geschiktheid zoals beschreven in de volgende hoofdstukken. Voor deze specialisten heeft het CBR een regeling opgesteld, met de voorwaarden waaraan beide partijen moeten voldoen. In de Vorderingsprocedure, het onderzoek naar een vermoeden van ongeschiktheid op grond van artikel 133 van de Wegenverkeerswet 1994 en bij een verzoek om een herkeuring op grond van artikel 104 van het Reglement rijbewijzen, zal het rapport altijd zijn opgemaakt door een onafhankelijk specialist.

De essentie is dat het CBR informatie ontvangt die voldoende is om een oordeel te vormen over alle aspecten die in de volgende hoofdstukken specifiek benoemd worden. In die gevallen waar het gaat om recente, feitelijke informatie, zonder oordeel van de medisch specialist over de geschiktheid, is het op grond van de KNMG-gedragsregels ook toegestaan dat in de Eigen verklaringprocedure de eigen behandelaar het specialistisch rapport opstelt volgens een door het CBR opgesteld sjabloon. Een kopie van een specialistenbrief is alleen toegestaan als de inhoud van de brief niet meer gegevens bevat dan strikt noodzakelijk voor de beoordeling van de geschiktheid (2010 KNMG Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens paragraaf 3.9 Medische keuringen).

Supervisie

Waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, is daarmee bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde.

Paragraaf 8.8 van de bijlage "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.