Een art.16 Wet VPB 1969-gift is tot het wettelijke maximum geen uitdeling
Samenvatting
De staatssecretaris van Financiën heeft het besluit over de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting herzien (besluit van 28 september 2015, nr. BLKB 2015/396M, NTFR 2015/2695)
Giften die verband houden met persoonlijke vrijgevigheid van de aandeelhouder vormen geen uitdeling als de gift voldoet aan vereisten van art. 16 Wet VPB 1969 en de wettelijke maximumgrens niet te boven gaat. Deze giften komen in aanmerking voor de giftenaftrek van art. 16 Wet VPB 1969. Dit betreft ‘een tegemoetkoming (…) ter voorkoming van verdere discussies’.
Inhoud van het besluit
Dit besluit is een vervanging van het besluit BLKB 2015/396 voor giften die de maximumgrens van art. 16 Wet VPB 1969 te boven gaan.
1. Inleiding
Bij de giftenaftrek van art. 16 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet VPB 1969) wordt herhaaldelijk gevraagd of giften die verband houden met persoonlijke vrijgevigheid van de aandeelhouder wel in aanmerking komen voor giftenaftrek. Gezien het verband met de persoonlijke behoefte van de aandeelhouder kwalificeren deze giften als middellijke uitdeling en zijn als zodanig van aftrek uitgesloten. Ik geef echter een tegemoetkoming voor dit vraagstuk ter voorkoming van verdere discussies.
Voor de volledigheid merk ik op dat de voor giftenaftrek vereiste zogenoemde anbi-status van de begiftigde onder andere meebrengt dat de aandeelhouder geen doorslaggevende zeggenschap mag hebben over de anbi.
2. Geen uitdeling als gift voldoet aan vereisten van art. 16 Wet VPB 1969 en de wettelijke maximumgrens niet te boven gaat
Ik keur goed dat giften door een vennootschap die zijn ingegeven door de persoonlijke charitatieve behoefte van de aandeelhouder maar overigens voldoen aan de voorwaarden van art. 16 Wet…