Naar de inhoud

Een beroepsverbod voor een belastingadviseur

Mr. E.J.M. Rosier1

In een uitspraak van de strafkamer van Hof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 20142 wordt de aldaar veroordeelde belastingadviseur een verbod tot het uitoefenen van zijn beroep opgelegd. Het hof beslist: ‘Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur/belastingconsulent voor de duur van 5 (vijf) jaren.’ Dit onderdeel van de veroordeling vormt de aanleiding voor deze beschouwing.

1. Wettelijk kader

1.1. Tot 1 april 2010

Als een strafrechter een ontzetting uit een beroep uitspreekt, wordt de veroordeelde de bevoegdheid ontzegd om een bepaald beroep voor een zekere periode uit te oefenen. De ontzetting is geregeld in art. 28 e.v. Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De ontzetting is aangemerkt als een bijkomende straf.3 Op grond van art. 9, lid 5, Sr kan een bijkomende straf zowel afzonderlijk als samen met een hoofdstraf (bijvoorbeeld gevangenisstraf of geldboete) of een andere bijkomende straf worden opgelegd. De bijkomende straf van de ontzetting uit een beroep kan alleen worden opgelegd indien deze sanctie expliciet op de overtreding van de betrokken strafbepaling is gesteld. Deze straf kan tevens voorwaardelijk (met een proeftijd) worden opgelegd.4 De ontzetting uit een beroep heeft op grond van art. 31 Sr een looptijd van ten minste twee tot maximaal vijf jaren.56

1.2. Wetswijziging met ingang van 1 april 20107

Een onderdeel van deze wetswijziging betreft de verruiming van de mogelijkheden tot ontzetting uit een beroep. De belangrijkste gronden die de wetgever heeft aangevoerd, zijn…