Naar de inhoud

Een doorkruisingsleer in het (huwelijks)vermogensrecht (1998.39.2845)

De expliciete wettelijke verboden ten aanzien van bepaalde overeenkomsten tussen echtgenoten zijn vervallen of vervallen binnenkort (art. 7A:1715 BW bij de invoering van de nieuwe titel over schenking). Dat wil niet zeggen dat de grenzen van de contractsvrijheid voor echtgenoten identiek zijn aan degenen die gelden voor willekeurige anderen. Hoe moet men oordelen over in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten waarbij de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot zijn gehele vermogen of een aanzienlijk deel daarvan verkoopt en levert dan wel ten aanzien daarvan een privatieve last tot vervreemding en verzwaring verleent? Moet het resultaat van dergelijke rechtshandelingen, bestuursoverdracht, niet bij huwelijksvoorwaarden staande huwelijk verlopen?

Alvorens die vraag te beantwoorden gaat Huijgen in op de doorkruisingsleer in het grensgebied van publiek- en privaatrecht. Volgens die leer is de overheid bij haar keuze tussen de publiekrechtelijke en de privaatrechtelijke weg niet vrij als het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist.

De grondgedachte van deze leer wil Huijgen ook toepassen bij de beantwoording van de voormelde vragen over overdracht van het vermogen of privatieve last aan de andere echtgenoot. De privatieve last is een onaanvaardbare doorkruising van art. 1:97 lid 1 BW. Bij de overdracht van het vermogen zal het antwoord op de vraag afhangen van de bedoeling van partijen met die overdracht. Een man/vrouwmaatschap zal geen onaanvaardbare doorkruising van het huwelijksvermogensrecht opleveren.

W.G. Huijgen

WPNR 1998/6324 blz. 527 en 1998/6325 blz. 545

Wetgeving
Jurisprudentie
Officiële publicaties
Europese regelgeving
Soort nieuwsLiteratuur
Publicatiedatum26-05-2009
Nummer1998/0596