Een ongeschikt concept
Om voldoende veerkracht ten opzichte van technologische innovaties te hebben moet de strafvorderlijke regeling in flexibele taal geschreven worden. Tevens dient de wet zo weinig mogelijk een technische momentopname vast te leggen. Op beide punten scoort het voorstel voor de vergaring van gegevens in het project Modernisering Strafvordering een onvoldoende. Met de keuze voor inbeslagneming van gegevens wordt een verkeerd begrip gebruikt, staat de klok stil en in de uitwerking komt het niet tot een heldere regeling voor de praktijk.
1. Inleiding
Op 7 februari 2017 stelde het ministerie van Veiligheid en Justitie concepten voor boek 1 en boek 2 van het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering ter beschikking van het publiek.1 Deze wetteksten met toelichting onthulden de uitwerking die in de ministeriële burelen gegeven was aan de eerder verschenen contourennota en de debatten daarover in het parlement, tijdens congressen en in de literatuur. Met de verspreide documenten in de hand valt nu te onderzoeken hoe en in welke mate de ambities van het project Modernisering Wetboek van Strafvordering vertaald zijn in concrete arrangementen. Boek 1 van het concept bevat algemene bepalingen, boek 2 regelt de opsporing. In het kader van de cyberspecial waarvoor deze bijdrage geschreven is, staat hier in het bijzonder de uitwerking van de bevoegdheden ter vergaring van gegevens in de belangstelling. Naast alle andere bedoelingen is voor dit onderdeel het streven naar techniekonafhankelijk formuleren extra relevant, mede omdat men rekening wil houden met ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën.2
In het concept voor boek 2 staat het opsporingsonderzoek centraal. De meest digitale stukken daaruit, de titels 7.3 tot 7.6, bevatten de regelingen ten aanzien van…