Naar de inhoud

Fiscale eenheid met Nederlandse (klein)dochters van Duitse moeders toegestaan

Samenvatting

Belanghebbende houdt middellijk – via de tussenhoudstervennootschappen I AG en J GmbH (beide gevestigd in Duitsland) – alle aandelen in de in Nederland gevestigde X2 bv, X3 bv en X4 bv. Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht om X2 bv, X3 bv en X4 bv op te nemen in een fiscale eenheid. Dit is door de inspecteur geweigerd omdat de tussenhoudstervennootschappen niet in Nederland zijn gevestigd. Belanghebbende stelt dat de door de inspecteur gestelde voorwaarde in strijd is met het Papillon-arrest (HvJ 27 november 2008, zaak C-418/07, NTFR 2008/2404). In de tussenuitspraak van 17 januari 2013 heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. Het hof oordeelt in deze einduitspraak, met inachtneming van het arrest van het HvJ van 12 juni 2014 als volgt. Omdat in de binnenlandse situatie een moedervennootschap ervoor kan kiezen om haar binnenlandse dochter-/zustervennootschappen tezamen in een fiscale eenheid op te nemen en dit niet mogelijk is ingeval de moeder in een andere EU-lidstaat is gevestigd, vormt het fiscale eenheid-regime een beperking van de vrijheid van vestiging. In beginsel vormt het fiscale coherentie-beginsel daarvoor een rechtvaardigingsgrond, namelijk voor zover bij de moeder van de fiscale eenheid geen liquidatie- en financieringsverliezen kunnen ontstaan ter zake van gevoegde (achter)(klein)dochters. De Nederlandse regeling is echter disproportioneel omdat zij verder gaat dan noodzakelijk is om die coherentie te behouden. Verder merkt het hof op dat vaststaat dat de verzochte fiscale eenheid uitsluitend voor het jaar 2009 zal hebben te gelden, omdat er inmiddels een reorganisatie is doorgevoerd waardoor alsnog aan de vereisten van…