Naar de inhoud

Geruisloze doorschuiving bij bedrijfsopvolging door werknemer

Vanaf 1 januari 2001 is een voor de inkomstenbelasting geruisloze bedrijfsoverdracht alleen mogelijk wanneer de onderneming wordt overgedragen aan ondernemers waarmee ten minste 36 maanden een samenwerkingsverband is gevormd (artikel 3.63 Wet IB 2001). Een bezwaar is dat van deze regeling geen gebruik kan worden gemaakt als de zittende ondernemer er niet voor voelt om reeds vóór de overdracht de zeggenschap over de onderneming te delen met een ander. De staatssecretaris van Financiën heeft destijds bij de stemming over deze wetswijziging toegezegd een inventarisatie te maken van flexibele varianten op de nieuwe doorschuifregeling (Notafax 2000, nr 262). De volgende opties zijn onderzocht:

-

Doorschuiving naar werknemers;

-

Doorschuiving naar familieleden;

-

opnemen van een voortzettingseis;

-

Doorschuiving à la carte: de overdrager wordt de mogelijkheid geboden om met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen wel af te rekenen;

-

overname tegen schuldigerkenning.

De staatssecretaris meent dat materiële eisen moeten worden gesteld aan de betrokkenheid van de opvolger. Voor de betrokkenheid bij en de continuïteit van de onderneming bestaat echter geen wezenlijk verschil tussen een voortzetter/mede-ondernemer en een voortzetter/werknemer. Om die reden ligt uitbreiding van de doorschuifregeling naar werknemers voor de hand. De staatssecretaris wil hieraan wel de eis verbinden dat de werknemer minstens drie jaar in de onderneming werkzaam is geweest. Dan heeft de overdracht aan de werknemer namelijk een toegevoegde waarde boven een overdracht aan een willekeurige derde.

Het parlement wilde niet wachten op de inventarisatie van de staatssecretaris en heeft tijdens de behandeling van het Belastingplan 2002 een amendement aangenomen om de doorschuifregeling ook van toepassing te laten zijn op een bedrijfsoverdracht aan een werknemer. Deze uitbreiding van…