Gevolgen van actio Pauliana
Art 3:45 BW en art. 19 WBR
De faillissementsactie genaamd ‘actio Pauliana’ heeft een relatieve vernietigende werking.
De casus was als volgt. A verkoopt zijn woning aan schoonzoon B. Een schuldeiser, S, eist vernietiging van die transactie op grond van de actio Pauliana (art. 3:45 BW). De rechtbank geeft S gelijk en stelt in haar vonnis dat de vernietiging terugwerkt tot het sluiten van de koopovereenkomst en voorts stelt de rechtbank dat omdat de titel tot eigendomsoverdracht is vernietigd, achteraf beschouwd ook de levering zonder rechtsgevolg is gebleven en dus A altijd eigenaar is gebleven.
In overleg met S wordt de woning na die rechtzaak door A verkocht en geleverd aan C. De akte van levering vermeldt echter B als verkoper. Na de levering heeft B teruggaaf van de door hem uit hoofde van zijn aankoop van A betaalde overdrachtsbelasting teruggevraagd op grond van art. 19 WBR.
De Belastingdienst is het hier niet mee eens en stelt dat de situatie niet feitelijk of rechtens is hersteld zoals vereist op grond van art. 19 WBR.
In hoger beroep oordeelde het hof dat de Rechtbank Arnhem de koopovereenkomst heeft vernietigd maar dat B uit dit vonnis de onjuiste conclusie heeft getrokken dat de eigendom van de woning steeds bij zijn schoonvader A is gebleven. B heeft de eigendom rechtsgeldig verkregen. Op grond van art. 3:45, lid 4, BW geldt dat vernietiging op grond van paulianeus handelen slechts relatief effect heeft. Het hof is het eens met de stelling van de belastingdienst en oordeelt ‘De door de Pauliana gegeven bevoegdheid om rechtshandelingen van de schuldenaar aan…