Naar de inhoud

Hof Amsterdam 2 april 2013, «JAR» 2013/137, RAR 2013/111

Eenzijdige wijziging leaseautoregeling niet geoorloofd. Geen zwaarwichtig belang werkgever.

De negen werknemers zijn allen als jurist werkzaam bij de werkgever. Zij zijn ingedeeld in functiegroep 30 of lager. In hun aanstellingsbrief is vermeld dat zij in aanmerking komen voor een leaseauto of voor de leaseautoregeling gezien het karakter van hun functie. De werknemers mogen de leaseauto ook privé gebruiken en hoeven niet bij te houden hoeveel zakelijke kilometers zij rijden. Op 6 juli 2009 heeft de werkgever de werknemers bericht dat de leaseautoregeling op een aantal punten is aangepast. Op basis van de nieuwe toekenningscriteria moet een aantal werknemers hun leaseauto inleveren. De werknemers vorderen in eerste aanleg een verklaring voor recht dat het gebruik van een leaseauto een tot hun functie behorende arbeidsvoorwaarde vormt en dat de werkgever hen de leaseauto ter beschikking moet stellen onder gelijke voorwaarden als voorheen. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemers toe. De werkgever gaat in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat voorafgaand aan de indiensttreding van de werknemers namens de werkgever op wervende wijze over het ter beschikking stellen van een leaseauto is gesproken en dat daarbij niet is gewezen op nadere voorwaarden voor toekenning daarvan. De werknemers hebben uit de aanstellingsbrief mogen afleiden dat het ter beschikking krijgen van een leaseauto onvoorwaardelijk was verbonden aan hun functie. De werknemers kregen de beschikking over een leaseauto zonder dat aan hen werd gevraagd het aantal zakelijk gereden kilometers bij te houden. De werkgever kon aldus niet toetsen of zij aan het omvangcriterium voldeden, wat niet voor de hand ligt indien – zoals de werkgever stelt – het recht van de werknemers op een leaseauto daarvan afhankelijk is. Aldus is vast komen te staan dat de werkgever krachtens besluit van een daartoe bevoegde directeur met de werknemers op individuele basis als arbeidsvoorwaarde is overeengekomen dat zij een leaseauto ter beschikking kregen. Het wijzigingsbeding dat in de leaseautoregeling is opgenomen, kan niet zo worden uitgelegd dat de in het verleden genomen besluiten tot toekenning van een leaseauto ongedaan kunnen worden gemaakt. De werkgever heeft onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat hij een zwaarwegend belang had tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde, terwijl de werknemers een helder te omschrijven belang hebben bij behoud van de leaseauto. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. (NB. Ook in «JAR» 2011/291, «JAR» 2005/237 en «JAR» 2005/139 werd het een werkgever niet toegestaan een leaseautoregeling eenzijdig te wijzigen. In «JAR» 2006/246 mocht dit wel, gelet op de financiële problemen van de werkgever, de in acht genomen overgangsperiode en het feit dat compensatie bespreekbaar was.)