Naar de inhoud

Hoge Raad 26-01-2001 (Weststrate/De Schelde), RvdW 2001, 41, JOL 2001, 67, JAR 2001, 39, NJ 2001, 597

Bedrijfsongeval (beroepsziekte). Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 39.

(Zie voorgeschiedenis Rechtbank Middelburg 23-12-1998, JAR 1999, 113, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 26). Een werknemer stelt zijn ex-werkgever (waar hij 17 jaar heeft gewerkt) aansprakelijk voor het feit dat hij mesothelioom heeft en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter acht niet bewezen dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden is blootgesteld aan asbeststof en wijst de vordering af. De rechtbank be- krachtigt het vonnis van de kantonrechter, overwegende dat de werknemer op grond van art. 7:658 BW dient te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werk- zaamheden en dat hij daadwerkelijk is blootgesteld aan asbest, nu zijn werkgever dit betwist. De bijzondere bewijslastverdeling geldt alleen de vraag of de werkgever tekort is geschoten in zijn zorgplicht en niet de vraag of de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De erfgenamen van de werknemer gaan in cassatie. De Hoge Raad is met de rechtbank van oordeel dat art. 7:658 BW niet de schade betreft waarvan niet vast- staat dat deze in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden. Er is geen reden de aan- sprakelijkheid van de werkgever uit te breiden tot schade die mogelijkerwijs in de uitoefe- ning van de werkzaamheden is geleden. Ook indien ervan uit moet worden gegaan dat de werknemer op verschillende plaatsen werkzaam was, wil dit niet zeggen dat hij daadwerke- lijk is blootgesteld aan asbest. Voorts overweegt de Hoge Raad dat met betrekking tot de vraag of de werknemer is blootgesteld aan asbest, in beginsel geldt de hoofdregel van art. 177 Rv, op grond waarvan de werknemer feiten moet stellen en bewijzen. Art. 7:658 BW brengt hierin geen verandering. De rechtbank heeft aldus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel dat art. 7:658 BW niet noopt tot een andere bewijslastverdeling is juist en kan gezien de verwevenheid met de feitelijke waardering niet verder worden ge- toetst. Het oordeel over de bewijslast geldt ook de uit art. 7:658 BW voortvloeiende stel- plicht. De klacht die opkomt tegen de aan de rechtbank als feitenrechter voorgehouden waar- dering van het bewijsmateriaal kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verwerpt het beroep