Informatiecode elektriciteit en gas [Tekst geldig vanaf 01-07-2017 tot 24-03-2018]

[Tekst geldig vanaf 01-07-2017 tot 24-03-2018]



De Autoriteit Consument en Markt,

Gelet op artikel 55 van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 23 van de Gaswet;

Besluit:


1. Algemene bepalingen


1.1. Werkingssfeer en definities


1.1.1

Deze code bevat de voorwaarden bedoeld in artikel 54 eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 22 eerste lid van de Gaswet.


1.1.2

De in deze code gebruikte begrippen die ook in de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet worden gebruikt, hebben de betekenis die daaraan in de desbetreffende wet is toegekend. Van de overige in deze code gebruikte begrippen is de betekenis vastgelegd in de Begrippencode elektriciteit of de Begrippencode gas.


1.1.3

In deze code wordt, in geval van gas, onder net mede verstaan gastransportnet.


1.1.4

Tenzij anders vermeld, worden de in deze code beschreven processen toegepast per aansluiting en, voor zover van toepassing, voor elektriciteit en gas afzonderlijk.


1.1.5

Voor de beheerder van het landelijk gastransportnet zijn van deze code uitsluitend de volgende bepalingen van toepassing: 1.1.1 tot en met 1.1.5, 1.1.11 en de paragrafen 2.13, 4.14, 4.15, 10.1.1.6 en 10.1.1.7.


1.1.6

In deze code wordt met uitzondering van hoofdstuk 3, 5 en 8, en artikelen 2.1.2 en 9.1.1 onder regionale netbeheerder of netbeheerder tevens de beheerder van een gesloten distributiesysteem verstaan, indien deze beheerder van het gesloten distributiesysteem gebruik maakt van het elektronisch berichtenverkeer.


1.1.7

Een leverancier is voor alle kleinverbruikaansluitingen waarvoor hij in het aansluitingenregister als leverancier staat geregistreerd, verantwoordelijk voor de distributie van de vastgestelde meterstanden.


1.1.8

Waar in paragrafen 5.1.2 en 5.1.3 is gesteld dat de leverancier verantwoordelijk is voor het collecteren, valideren en vaststellen van meterstanden, schakelt de leverancier een meetbedrijf in, als bedoeld in artikel 95ca, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 44a, eerste lid, van de Gaswet.


1.1.9

Het meetbedrijf, bedoeld in 1.1.8, zal fouten in de meetgegevens die worden geconstateerd door de leverancier onverwijld corrigeren.


1.1.10

Daar waar in deze code de leverancier wordt genoemd, wordt programmaverantwoordelijke gelezen indien een aangeslotene met een grootverbruikaansluiting geen leverancier heeft. In dat geval machtigt de aangeslotene zijn programmaverantwoordelijke om de in deze code aan de leverancier toegeschreven handelingen te verrichten.


1.1.11

Daar waar in deze code sprake is van een programmaverantwoordelijke, wordt de programmaverantwoordelijke bedoeld voor elektriciteit en de erkende programmaverantwoordelijke voor gas.


1.1.12

In deze code wordt, ingeval van een meetinrichting met meer dan één telwerk, met meterstand tevens meterstanden bedoeld.


2. Registers en gegevensbestanden


2.1. Aansluitingenregister


2.1.1

De netbeheerder identificeert de aansluitingen en geplande aansluitingen op het eigen net door aan elke aansluiting of geplande aansluiting één unieke EAN-code toe te kennen. De netbeheerder deelt de aangeslotene desgevraagd mee welke EAN-code aan diens aansluiting is toegekend.


2.1.2

De netbeheerders hebben gezamenlijk een centraal register, hierna te noemen het centraal aansluitingenregister, waarin elke netbeheerder zijn register, bedoeld in 2.1.3, beheert.


2.1.3

De netbeheerder beheert voor het eigen net een register, hierna te noemen het aansluitingenregister, waarin per aansluiting of geplande aansluiting geïdentificeerd door de EAN-code van de aansluiting, bedoeld in 2.1.1, voor zover beschikbaar voor geplande aansluitingen, de volgende gegevens zijn vastgelegd:

  1. de naam van de aangeslotene met wie de aansluit- en transportovereenkomst is gesloten;

  2. de EAN-code van de aansluiting;

  3. de EAN-code van het netgebied waarin de aansluiting zich bevindt;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  5. de adresgegevens behorend bij het overdrachtspunt van de aansluiting;

  6. de identificatie van de actuele leverancier behorende bij de desbetreffende aansluiting (bedrijfs-EAN-code);

  7. de identificatie van de actuele programmaverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting (bedrijfs-EAN-code);

  8. een kenmerk dat de fysieke status van de aansluiting weergeeft;

  9. een kenmerk dat de administratieve status van de aansluiting weergeeft;

  10. een kenmerk dat de leveringsrichting op de aansluiting weergeeft;

  11. in geval van een elektriciteitsaansluiting, waarachter zich een of meer productie-installaties bevinden: de aard van die productie-installaties aangeduid met het brandstoftype;

  12. de aanduiding of de aansluiting behoort tot de categorie grootverbruik, kleinverbruik of artikel 1 lid 2 of lid 3 van de Elektriciteitswet 1998;

  13. in geval van een elektriciteitsaansluiting: een registratie van de verblijfsfunctie of complexbepaling;

  14. in geval van een elektriciteitsaansluiting tot en met 3x80A: de doorlaatwaarde van de aansluiting, aangeduid als het aantal beschikbaar gestelde fasen vermenigvuldigd met de nominale waarde van de overstroombeveiliging per fase;

  15. in geval van een gasaansluiting tot en met 40 m3(n)/uur of een profielgrootverbruikaansluiting: de aansluitcapaciteit van de aansluiting, aangeduid als de G-waarde van de meetinrichting die zich bij de aansluiting bevindt;

  16. de wijze waarop de desbetreffende aansluiting wordt bemeten;

  17. de profielcategorie voor elektriciteit respectievelijk de afnamecategorie voor gas die van toepassing is op de desbetreffende aansluiting;

  18. in geval van aansluitingen waarbij de allocatie met behulp van profielen plaatsvindt: het standaardjaarverbruik, in geval van een elektriciteitsaansluiting onderscheiden naar normaaluren en laaguren indien de aansluiting over een meetinrichting met telwerken voor normaaluren en laaguren beschikt;

  19. een kenmerk dat de allocatiemethode op de aansluiting weergeeft.


2.1.4

In aanvulling op 2.1.3 neemt de netbeheerder in het aansluitingenregister ten aanzien van kleinverbruikaansluitingen de volgende gegevens op:

  1. de capaciteitstariefcode;

  2. in geval van een aansluiting die is voorzien van een kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is: een kenmerk dat weergeeft of de aangeslotene de mogelijkheid om op afstand uit te lezen administratief heeft laten uitzetten;

  3. [Vervallen]

  4. het identificatienummer van de meetinrichting;

  5. in geval van een gasaansluiting: een kenmerk dat weergeeft of de meting door de kleinverbruikmeetinrichting wordt gecorrigeerd voor temperatuur;

  6. per telwerk van de meetinrichting, bedoeld onder d, de volgende gegevens:


    1. in geval van elektriciteit: de telwerkindicatie;


    2. in geval van elektriciteit en uitsluitend voor een niet op afstand uitleesbare meetinrichting: of dit het telwerk normaal of het telwerk laag of een combinatie daarvan betreft;


    3. in geval van elektriciteit en uitsluitend voor een niet op afstand uitleesbare meetinrichting: de energierichting van het telwerk;


    4. de meeteenheid;


    5. het aantal posities voor de komma;


    6. de vermenigvuldigingsfactor;

  7. in geval van een aansluiting die is voorzien van een kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is: een kenmerk dat weergeeft of de kleinverbruikmeetinrichting gelet op externe factoren van technische aard al dan niet op afstand uitleesbaar is.


2.1.5

In aanvulling op 2.1.3 neemt de netbeheerder in het aansluitingenregister ten aanzien van grootverbruikaansluitingen met inbegrip van de aansluitingen bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid van de Elektriciteitswet 1998, de volgende gegevens op:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke dan wel, indien sprake is van een aansluiting waarbij op grond van 2.1.3.5 van de Netcode elektriciteit geen comptabele meetinrichting aanwezig is of indien sprake is van een aansluiting zoals bedoeld in B3.4.7, de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  2. in geval van aansluitingen waarbij eenmaal per jaar het verbruik wordt bepaald: de maand waarin de verbruiksbepaling plaatsvindt;

  3. in geval van een elektriciteitsaansluiting groter dan 3x80A: het op de aansluiting gecontracteerde transportvermogen [kW];

  4. in geval van aansluitingen van telemetriegrootverbruikers gas: het jaarverbruik telemetriegrootverbruikers (uitgedrukt in m3(n;35,17));

  5. in geval van aansluitingen van telemetriegrootverbruikers gas: het maxverbruik (uitgedrukt in m3(n;35,17)/uur).


2.1.6

De velden, bedoeld in 2.1.3 onderdeel f en g, kunnen door de netbeheerder alleen worden gemuteerd in opdracht van een leverancier op de door de leverancier aangegeven datum.


2.1.7

In uitzondering op 2.1.6 kan een netbeheerder de velden, bedoeld in 2.1.3 onderdeel f en g, muteren zonder opdracht van een leverancier ter uitvoering van het besluit, bedoeld in artikelen 16, achtste lid, en 95f, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikelen 10a, vierde lid en 47, tweede lid, van de Gaswet.


2.1.8

De netbeheerder effectueert wijzigingen in het aansluitingenregister op de mutatiedatum op tijdstip 00:00 uur (in geval van elektriciteit) en op tijdstip 06:00 uur (in geval van gas). Een leverancier, programmaverantwoordelijke en meetverantwoordelijke die voor een bepaalde dag is vermeld in het aansluitingenregister voldoet vanaf deze volledige dag aan de voorwaarden die aan de betreffende marktpartij worden gesteld.


2.1.9

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet hebben het recht de voor hen relevante onderdelen van de door de andere netbeheerders beheerde aansluitingenregisters in te zien. Zij kunnen de andere netbeheerders verzoeken hen gegevens met betrekking tot een individuele programmaverantwoordelijke met een volledige erkenning te verstrekken.


2.1.10

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verleent de andere netbeheerders desgevraagd inzage in het meetverantwoordelijkenregister, bedoeld in B4.2.2 van de Meetcode elektriciteit en B3.2.2 van de Meetcode gas RNB.


2.1.11

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet respectievelijk de beheerder van het landelijk gastransportnet verlenen de andere netbeheerders desgevraagd inzage in het programmaverantwoordelijkenregister, bedoeld in paragraaf 3.3 van de Systeemcode elektriciteit en paragraaf 3.2 van de Transportcode gas LNB.


2.2. Wijzigen en opvraag van stamgegevens


2.2.1

De netbeheerder verzendt uiterlijk de werkdag volgend op de dag dat één of meerdere gegevens in het aansluitingenregister zijn gewijzigd de stamgegevens van de desbetreffende aansluiting aan de leverancier en de programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de reden van verzending van de stamgegevens, te weten: "wijziging stamgegevens";

  2. de aanduiding van het desbetreffende mutatieproces, indien het betreft:

    1. (i)

      een leverancierswitch, een inhuizing, of een switch van programmaverantwoordelijke;

    2. (ii)

      een meterwissel, of

    3. (iii)

      een verzoek tot wijziging van de allocatiemethode;

  3. de datum waarop het aansluitingenregister door de netbeheerder is gemuteerd;

  4. de gegevens, bedoeld in 2.1.3, met uitzondering van onderdeel a;

  5. het referentienummer van de leverancier in het geval dat de stamgegevens worden verzonden bij een mutatieproces, waarbij de leverancier een referentienummer heeft opgegeven in de betreffende melding.


2.2.2

De netbeheerder vermeldt in de stamgegevens in aanvulling op 2.2.1 de gegevens, bedoeld in 2.1.4, ingeval van een wijziging van het aansluitingenregister die betrekking heeft op een kleinverbruikaansluiting.


2.2.3

De netbeheerder vermeldt in de stamgegevens in aanvulling op 2.2.1 de gegevens, bedoeld in 2.1.5, ingeval van een wijziging van het aansluitingenregister die betrekking heeft op een grootverbruikaansluiting.


2.2.4

De netbeheerder verzendt de stamgegevens, bedoeld in 2.2.3, tevens aan de meetverantwoordelijke.


2.2.5

In het bericht, bedoeld in 2.2.3, dient in plaats van het in 2.2.1, onderdeel b, genoemde te worden gelezen: indien het een wijziging van leverancier of programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke ten gevolge van een leverancierswitch, een inhuizing, een uithuizing, een eindelevering, een switch van programmaverantwoordelijke of een meetverantwoordelijkeswitch of een wisseling of wijziging van meetinrichting betreft, de identificatie van het desbetreffende mutatieproces.


2.2.6

In afwijking van 2.2.1 verzendt de netbeheerder geen stamgegevens indien als gevolg van het proces 3.12 uitsluitend de gegevens, genoemd in 2.1.3, onderdeel a, wijzigen.


2.2.7

De actuele leverancier, actuele programmaverantwoordelijke dan wel, indien het een grootverbruikaansluiting betreft, actuele meetverantwoordelijke, of een leverancier, programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke die beschikt over een machtiging van de aangeslotene om eenmalig de stamgegevens op te vragen kan bij de netbeheerder de stamgegevens van de betreffende aansluiting opvragen. De opvraag stamgegevens bevat de volgende onderdelen:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de opvragende partij;

  2. de EAN-code van de aansluiting;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. indien de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke dat wenst op te geven: het referentienummer van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke.


2.2.8

Naar aanleiding van de opvraag stamgegevens controleert de netbeheerder of:

  1. de opvraag stamgegevens volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de opvragende leverancier opgenomen is in het leveranciersregister, dan wel de opvragende programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijken-register, dan wel de opvragende meetverantwoordelijke beschikt over een erkenning als bedoeld in bijlage 4 van de Meetcode elektriciteit of bijlage 3 van de Meetcode gas RNB.


2.2.9

De netbeheerder voert de opvraag stamgegevens niet uit en bericht het besluit de opvraag stamgegevens niet uit te voeren uiterlijk de werkdag na ontvangst van de opvraag stamgegevens aan de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke, indien één of meer van de controles, genoemd in 2.2.8, een negatief resultaat opleveren. In het bericht wordt vermeld:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de opvragende partij;

  2. de EAN-code van de aansluiting;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de reden van het niet uitvoeren van de opvraag stamgegevens:


    1. de opvraag stamgegevens is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de opvragende leverancier komt niet voor in het leveranciersregister, dan wel de opvragende programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijken-register, dan wel de opvragende meetverantwoordelijke beschikt niet over een erkenning;

  5. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke.


2.2.10

Het antwoord op de opvraag stamgegevens, bedoeld in 2.2.7, bevat de volgende onderdelen:

  1. de gegevens, bedoeld in 2.1.3, met uitzondering van onderdeel a;

  2. indien de opvraag van stamgegevens betrekking heeft op een kleinverbruikaansluiting: de gegevens, bedoeld in 2.1.4;

  3. indien de opvraag van stamgegevens betrekking heeft op een grootverbruikaansluiting: de gegevens, bedoeld in 2.1.5;

  4. reden van verzending van stamgegevens, te weten: opvraag stamgegevens;

  5. de datum waarop de stamgegevens betrekking hebben;

  6. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke.


2.2.11

De netbeheerder verstuurt de in 2.2.10 bedoelde stamgegevens, die betrekking hebben op de dag voorafgaand aan de dag van ontvangst van de opvraag, zo snel mogelijk doch uiterlijk de werkdag na ontvangst van de opvraag stamgegevens aan de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke of meetverantwoordelijke, indien alle controles, bedoeld in 2.2.8, een positief resultaat opleveren.


2.3. Het EAN-codeboek


2.3.1

De regionale netbeheerders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van een register, hierna te noemen het EAN-codeboek, dat bestaat uit:

  1. een openbaar register dat voor een ieder toegankelijk is ten behoeve van het achterhalen van de juiste EAN-code op basis van adresgegevens voor het (laten) uitvoeren van mutatieprocessen, bedoeld in hoofdstukken drie en vier;

  2. een gesloten register dat voor leveranciers, netbeheerders en programmaverantwoordelijken toegankelijk is en, in aanvulling op de functie, bedoeld in onderdeel a, additionele gegevens van de aansluiting bevat.


2.3.2

De regionale netbeheerders stellen in het openbare gedeelte van het EAN-codeboek, bedoeld in 2.3.1 onderdeel a, per aansluiting de volgende gegevens beschikbaar:

  1. de aanduiding of het een elektriciteits- of een gasaansluiting betreft;

  2. de gegevens, bedoeld in 2.1.3, onderdelen b, d en e.


2.3.3

De regionale netbeheerders stellen in het gesloten gedeelte van het EAN-codeboek, bedoeld in 2.3.1 onderdeel b, per aansluiting in aanvulling op de gegevens, bedoeld in 2.3.2, de volgende gegevens beschikbaar:

  1. de datum van de laatste update van de gegevens omtrent de aansluiting;

  2. de gegevens, bedoeld in 2.1.3, onderdelen c, j, l, m, p en q.

  3. in geval van een kleinverbruikaansluiting: de capaciteitstariefcode, bedoeld in 2.1.4 onderdeel a.


2.3.4

De gegevens, bedoeld in 2.3.2 en 2.3.3, worden door de regionale netbeheerders online beschikbaar gesteld.


2.4. Het CalGos-boek


2.4.1

De regionale netbeheerders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van een register, hierna te noemen het CalGos-boek.


2.4.2

De regionale netbeheerders stellen uiterlijk de achttiende werkdag van de maand per netgebied aan de leveranciers de maandgemiddelde calorische omrekenfactor van het naar dat netgebied getransporteerde gas van tenminste de maand voorafgaand aan de huidige maand online in het CalGos-boek, bedoeld in 2.4.1, beschikbaar.


2.5. Het contracteindegegevensregister


2.5.1

De regionale netbeheerders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van een register, hierna te noemen het contracteindegegevensregister. Dit contracteindegegevensregister is alleen van toepassing op aansluitingen die vallen onder de werking van:

  1. artikel 95a van de Elektriciteitswet 1998 met uitsluiting van aansluitingen die een beroep doen op artikel 95n van de Elektriciteitswet 1998;

  2. artikel 43 van de Gaswet met uitsluiting van aansluitingen die een beroep doen op artikel 52c van de Gaswet.


2.5.2

De leverancier vraagt bij de kleinverbruiker een machtiging om de gegevens omtrent de leveringsovereenkomst, bedoeld in 2.5.3, in het contracteindegegevensregister, bedoeld in 2.5.1, op te nemen.


2.5.3

Een leverancier, die levert aan kleinverbruikers, stelt per actuele en toekomstige leveringsovereenkomst met een kleinverbruiker die hiervoor een machtiging, bedoeld in 2.5.2, heeft afgegeven, de volgende contractgegevens ter beschikking voor opname in het in 2.5.1 bedoelde register:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de einddatum van de leveringsovereenkomst indien van toepassing;

  3. de opzegtermijn;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier.


2.5.4

De gegevens in het in 2.5.1 bedoelde register worden tenminste eenmaal per vijf werkdagen geactualiseerd.


2.5.5

De contracteindegegevens van een bepaalde kleinverbruiker, bedoeld in 2.5.3, zijn uitsluitend opvraagbaar door een leverancier die beschikt over een machtiging daartoe van de desbetreffende kleinverbruiker.


2.6. Het toegankelijk meetregister


2.6.1

De regionale netbeheerders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van een register, hierna te noemen het toegankelijk meetregister.


2.6.2

De regionale netbeheerders stellen, per EAN-code van een kleinverbruikaansluiting, in het toegankelijk meetregister, bedoeld in 2.6.1, de volgende gegevens beschikbaar:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de meterstanden bedoeld in 5.1.4.1, 5.2.2.3, 5.3.4.3, 5.3.4.3a en 5.3.4.3b;

  3. indien bepaald op basis van de meterstanden, bedoeld in 2.6.2, onderdeel b: de verbruiken, bedoeld in 5.3.4.4.


2.6.3

De gegevens van een bepaalde kleinverbruiker in het toegankelijk meetregister, bedoeld in 2.6.2, zijn uitsluitend opvraagbaar door:

  1. de leverancier die op dat moment een leveringsovereenkomst heeft met de desbetreffende kleinverbruiker;

  2. de leverancier van de desbetreffende kleinverbruiker, waarvan de leveringsovereenkomst is beëindigd, tot het moment waarop de eindfactuur of een dispuut over de eindstand is afgehandeld;

  3. een andere dan de in onderdeel a of b bedoelde leverancier indien deze beschikt over de in 3.1.1.1 of 3.3.1.1 bedoelde machtiging van de desbetreffende kleinverbruiker.


2.7. Het netbeheerdersregister


2.7.1

De regionale netbeheerders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van een register, hierna te noemen het netbeheerdersregister.


2.7.2

De regionale netbeheerders stellen in het netbeheerdersregister, bedoeld in 2.7.1, aan leveranciers, programmaverantwoordelijken en meetverantwoordelijken de volgende gegevens online beschikbaar:

  1. de bedrijfsnaam;

  2. de handelsna(a)m(en);

  3. de bedrijfs-EAN-codes waarmee hij zich in het berichtenverkeer identificeert;

  4. de EAN-codes van zijn netgebieden;

  5. de adresgegevens;

  6. het bankrekeningnummer ten behoeve van de afdracht in het leveranciersmodel;

  7. het BTW-nummer;

  8. het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel;

  9. de gegevens van de contactpersonen.


2.7.3

In het netbeheerdersregister, bedoeld in 2.7.1, wordt van de gegevens, bedoeld in 2.7.2, tevens de begindatum en, indien bekend, de einddatum van de geldigheid van de gegevens per gegeven vastgelegd.


2.7.4

Bij een nieuwe registratie in het netbeheerdersregister, bedoeld in 2.7.1, stelt de netbeheerder de gegevens, bedoeld in 2.7.2, onderdelen a tot en met h tenminste één maand en de gegevens, bedoeld in 2.7.2 onderdeel i tenminste vijf werkdagen voor de beoogde ingangsdatum beschikbaar in netbeheerdersregister onder vermelding van de eerste geldigheidsdatum van de gegevens.


2.7.5

Bij de wijziging van een bestaande registratie in het netbeheerdersregister, bedoeld in 2.7.1, stelt de netbeheerder wijzigingen in de gegevens, bedoeld in 2.7.2, onderdelen a tot en met h tenminste één maand en wijzigingen in de gegevens, bedoeld in 2.7.2 onderdeel i tenminste vijf werkdagen voor de beoogde wijzigingsdatum beschikbaar in het netbeheerdersregister onder vermelding van de ingangsdatum van de wijzigingen.


2.7.6

In aanvulling op het beschikbaar stellen van de gegevens, bedoeld in 2.7.4 en 2.7.5, communiceert de netbeheerder de gegevens overeenkomstig de termijnen, bedoeld in 2.7.4 en 2.7.5, rechtstreeks aan de leveranciers, geregistreerd in het leveranciersregister, bedoeld in 2.8.1.


2.7.7

De gegevens, bedoeld in 2.7.2 en 2.7.3, worden bewaard voor een termijn van minstens zeven jaar, ingaande vanaf de datum van beëindiging van de geldigheid van de gegevens.


2.7.8

Een regionale netbeheerder kan de geldigheid van zijn gegevens in het netbeheerdersregister laten beëindigen onder voorwaarde dat:

  1. er in het aansluitingenregister geen actieve aansluitingen zijn opgenomen met verwijzingen naar de bedrijfs-EAN-code van de betreffende netbeheerder, en;

  2. er geen verplichtingen op gebied van facturering en afdracht, als bedoeld in paragraaf 8.2, meer bestaan tussen de netbeheerder en enig leverancier.


2.8. Het leveranciersregister


2.8.1

De regionale netbeheerders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en beheer van een register, hierna te noemen het leveranciersregister.


2.8.2

De leveranciers stellen in het leveranciersregister, bedoeld in 2.8.1, aan de netbeheerders, programmaverantwoordelijken en meetverantwoordelijken, voor zover van toepassing voor elektriciteit en gas afzonderlijk per bedrijfs-EAN-code, de volgende gegevens online beschikbaar:

  1. de bedrijfs-EAN-code waarmee de leverancier zich in het berichtenverkeer identificeert;

  2. de datum van dagtekening;

  3. de bedrijfsnaam;

  4. de handelsna(a)men;

  5. aan welke categorie(ën) de leverancier levert of wil gaan leveren, onderscheiden naar kleinverbruikers waarvoor een leveringsvergunning vereist is, kleinverbruikers waarvoor geen leveringsvergunning vereist is en grootverbruikers;

  6. de adresgegevens;

  7. het bankrekeningnummer;

  8. het BTW-nummer;

  9. het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel;

  10. voor zover er sprake is van levering aan kleinverbruikers waarvoor een leveringsvergunning vereist is: het nummer van het Besluit op grond waarvan de Autoriteit Consument en Markt hem voor het betreffende product een leveringsvergunning voor kleinverbruikers heeft verstrekt;

  11. de gegevens van de contactpersonen;

  12. indien de bedrijfs-EAN-code eerder gebruikt is door een andere leverancier, een verklaring met ingang van welke datum de leverancier met instemming van de oude leverancier, alle rechten en plichten ter zake overneemt respectievelijk heeft overgenomen.


2.8.3

In het leveranciersregister, bedoeld in 2.8.1, wordt van de gegevens, bedoeld in 2.8.2, tevens de begindatum en, indien bekend, de einddatum van de geldigheid van de gegevens per gegeven vastgelegd.


2.8.4

Bij een nieuwe registratie in het leveranciersregister, bedoeld in 2.8.1, stelt de leverancier de gegevens, bedoeld in 2.8.2, onderdelen a tot en met j en l tenminste één maand en de gegevens, bedoeld in 2.8.2 onderdeel k tenminste vijf werkdagen voor de beoogde ingangsdatum beschikbaar in het leveranciersregister onder vermelding van de eerste geldigheidsdatum van de gegevens.


2.8.5

Bij de wijziging van een bestaande registratie in het leveranciersregister, bedoeld in 2.8.1, stelt de leverancier wijzigingen in de gegevens, bedoeld in 2.8.2, onderdelen a tot en met j en l tenminste één maand en wijzigingen in de gegevens, bedoeld in 2.8.2 onderdeel k tenminste vijf werkdagen voor de beoogde wijzigingsdatum beschikbaar in het leveranciersregister onder vermelding van de ingangsdatum van de wijzigingen. De leveranciers geven opnieuw een verklaring als bedoeld in 2.8.2, onderdeel l, af indien de wijzigingen daartoe aanleiding geven.


2.8.6

In aanvulling op het beschikbaar stellen van de gegevens, bedoeld in 2.8.4 en 2.8.5, communiceert de leverancier de gegevens overeenkomstig de termijnen, bedoeld in 2.8.4 en 2.8.5, rechtstreeks aan de netbeheerders, geregistreerd in het netbeheerdersregister, bedoeld in 2.7.1.


2.8.7

De gegevens, bedoeld in 2.8.2 en 2.8.3, worden bewaard voor een termijn van minstens zeven jaar, ingaande vanaf de datum van beëindiging van de geldigheid van de gegevens.


2.8.8

Een leverancier kan de geldigheid van zijn gegevens in het leveranciersregister laten beëindigen onder voorwaarde dat:

  1. er in het aansluitingenregister geen actieve aansluitingen zijn opgenomen met verwijzingen naar de bedrijfs-EAN-code van de betreffende leverancier, en;

  2. de leverancier aan alle verplichtingen op gebied van facturering en afdracht, als bedoeld in paragraaf 8.2, heeft voldaan.


2.9. Opvragen gegevens ten behoeve van compensatievergoedingen kleinverbruikaansluitingen


2.9.1. Opvragen contactgegevens door de netbeheerder


2.9.1.1

De netbeheerder kan ten behoeve van de uitbetaling van compensatievergoedingen, bedoeld in 6.3.1 van de Netcode elektriciteit en 4.2.1 van de Aansluit- en transportcode gas RNB, tot uiterlijk dertig werkdagen nadat een storing is opgetreden de contactgegevens en bankrekeningnummers van de aangeslotenen behorende bij de getroffen kleinverbruikaansluitingen opvragen bij de leveranciers.


2.9.1.2

De netbeheerder stuurt per leverancier, voor de aansluitingen waarop de leverancier op het moment van het optreden van de storing, bedoeld in 2.9.1.1, in het aansluitingenregister geregistreerd is, een verzoek om gegevens ten behoeve van compensatievergoeding voor de in 2.9.1.1 bedoelde aansluitingen. In dit bericht worden de volgende gegevens vermeld:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  3. de datum waarop de storing heeft plaatsgevonden;

  4. de EAN-code(s) van de getroffen aansluiting(en);

  5. indien de netbeheerder dat wenst op te geven: het referentienummer van de netbeheerder.


2.9.2. Aanleveren contactgegevens door de leverancier


2.9.2.1

De leverancier stuurt de netbeheerder uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van de opvraag, bedoeld in 2.9.1.2, de gegevens ten behoeve van compensatievergoedingen. In dit bericht worden de volgende gegevens vermeld:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  3. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de netbeheerder.

Per aansluiting waarvoor de opvraag, bedoeld in 2.9.1.2, is ingediend:

  1. d.

    de EAN-code van de aansluiting;

  2. e.

    indien de leverancier, voor de datum waarop de storing heeft plaatsgevonden, op de betreffende aansluiting over een leveringsovereenkomst met de aangeslotene beschikt:


    1. de achternaam, initialen en tussenvoegsels van de aangeslotene;


    2. het correspondentieadres van de aangeslotene;


    3. indien beschikbaar: het bankrekeningnummer van de aangeslotene.

  3. f.

    indien de leverancier, voor de datum waarop de storing heeft plaatsgevonden, op de betreffende aansluiting niet over een leveringsovereenkomst met de aangeslotene beschikt:


    1. in plaats van de achternaam, initialen en tussenvoegsels van de aangeslotene wordt de waarde "nee" ingevuld;


    2. er wordt geen correspondentieadres van de aangeslotene ingevuld;


    3. er wordt geen bankrekeningnummer van de aangeslotene ingevuld.


2.10. Controle van de naam van de aangeslotene in het aansluitingenregister


2.10.1

De netbeheerder is gerechtigd om maximaal twee keer per jaar een controle van de naamsgegevens van de aangeslotene, bedoeld in 2.1.3 onderdeel a, uit te voeren.


2.10.2

De netbeheerder vraagt voor de uitvoering van de controle, bedoeld in 2.10.1, per leverancier de naamsgegevens van de aangeslotenen op voor alle kleinverbruikaansluitingen waarvoor de leverancier in het aansluitingenregister verantwoordelijk is. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


2.10.3

De leverancier stuurt de naamsgegevens van de aangeslotenen voor alle gevraagde aansluitingen naar de netbeheerder.


2.10.4

De netbeheerder controleert de ontvangen naamsgegevens van de leverancier ten opzichte van de geregistreerde naam in het aansluitingenregister en stuurt de gegevens van de aansluitingen waarvoor verschillen in naam zijn geconstateerd aan de leverancier.


2.10.5

De leverancier stuurt voor de aansluitingen waarbij de netbeheerder een verschil in naam heeft geconstateerd een wijziging naam of verblijfsfunctie of complexbepaling overeenkomstig paragraaf 3.12 aan de netbeheerder.


2.10.6

Voor elke controle, waarbij het percentage geconstateerde verschillen in naam groter is dan één procent van het totaal aantal kleinverbruikaansluitingen in de controle, is de netbeheerder voor de leverancier waarbij dit is geconstateerd gerechtigd een extra controle uit te voeren in aanvulling op het maximale aantal controles in de periode, bedoeld in 2.10.1.


2.11. Wijzigen en opvraag van gegevens van het primaire deel van de meetinrichting


2.11.1

De meetverantwoordelijke stuurt een opvraag gegevens van het primaire deel van de meetinrichting naar de netbeheerder en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke;

  4. indien de opvragende meetverantwoordelijke dat wenst op te geven: het referentienummer van de meetverantwoordelijke.


2.11.2

Naar aanleiding van de ontvangen opvraag gegevens van het primaire deel van de meetinrichting controleert de netbeheerder of:

  1. de melding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in zijn aansluitingenregister;

  3. de meetverantwoordelijke geregistreerd staat in het MV-register.


2.11.3

De opvraag gegevens van het primaire deel van de meetinrichting wordt niet uitgevoerd als één of meer van de controles, bedoeld in 2.11.2, een negatief resultaat opleveren. De netbeheerder bericht dit uiterlijk de werkdag na ontvangst van de opvraag gegevens van het primaire deel van de meetinrichting aan de opvragende meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de EAN-code van de opvragende meetverantwoordelijke;

  4. de reden van het niet uitvoeren van de opvraag:


    1. de opvraag van de gegevens van het primaire deel van de meetinrichting is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de meetverantwoordelijke komt niet voor in het MV-register.

  5. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de meetverantwoordelijke;


2.11.4

De netbeheerder stuurt de volgende gegevens uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de opvraag, bedoeld in 2.11.1, aan de opvragende meetverantwoordelijke indien alle controles, bedoeld in 2.11.2, een positief resultaat opleveren en de opvraag betrekking heeft op een elektriciteitsaansluiting:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke;

  4. het tijdstip van verzending van het bericht;

  5. het product dat op de desbetreffende aansluiting wordt geleverd, zijnde: elektriciteit;

  6. de benodigde technische gegevens van de aansluiting;

  7. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de meetverantwoordelijke;


2.11.5

De netbeheerder stuurt de volgende gegevens uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de opvraag, bedoeld in 2.11.1, aan de opvragende meetverantwoordelijke indien alle controles, bedoeld in 2.11.2, een positief resultaat opleveren en de opvraag betrekking heeft op een gasaansluiting:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke;

  4. het tijdstip van verzending van het bericht;

  5. het product dat op de desbetreffende aansluiting wordt geleverd, zijnde: gas;

  6. de benodigde technische gegevens van de aansluiting;

  7. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de meetverantwoordelijke;


2.11.6

De netbeheerder verzendt uiterlijk de werkdag volgend op de dag dat één of meer technische gegevens van het primaire deel van de meetinrichting zijn gewijzigd, de desbetreffende gegevens aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de reden van verzending van de gegevens, te weten ‘wijziging gegevens’;

  2. indien het een elektriciteitsaansluiting betreft: de gegevens bedoeld in 2.11.4, met uitzondering van onderdeel g;

  3. indien het een gasaansluiting betreft: de gegevens bedoeld in 2.11.5, met uitzondering van onderdeel g.


2.12. Blokkeren van automatische mutaties op grootverbruikaansluitingen


2.12.1

Een aangeslotene met een grootverbruikaansluiting elektriciteit met een aansluitcapaciteit groter dan of gelijk aan 10 MVA of een grootverbruikaansluiting gas met de afnamecategorie GGV heeft het recht om zijn aansluiting door de netbeheerder in het aansluitingenregister te laten blokkeren voor de automatische verwerking van mutatieprocessen, bedoeld in hoofdstuk vier.


2.12.2

Een aangeslotene mandateert een leverancier om de blokkade op automatische verwerking, bedoeld in 2.12.1, tijdelijk op te laten heffen.


2.12.3

Een leverancier, die beschikt over een mandaat van een aangeslotene bedoeld in 2.12.2 om een mutatie bedoeld in hoofdstuk vier door te voeren, verzoekt de netbeheerder om de blokkade voor automatische mutaties voorafgaand aan het indienen van een melding van een mutatie tijdelijk op te heffen. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


2.12.4

Na het uitvoeren van de mutatie, bedoeld in 2.12.3, wordt de aansluiting door de netbeheerder opnieuw geblokkeerd voor automatische mutaties.


2.13. Aansluitingenregister landelijk gastransportnet


2.13.1

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet beheert voor aansluitingen van direct aangeslotenen op het landelijk gastransportnet die exclusief gas afnemen voor eigen verbruik, een register, hierna te noemen het aansluitingenregister landelijk gastransportnet. In dit register worden per aansluiting de volgende gegevens vastgelegd:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de naam van de direct aangeslotene;

  3. de identificatie van de programmaverantwoordelijke(n) op de desbetreffende aansluiting (bedrijfs-EAN-code);

  4. de naam van de programmaverantwoordelijke(n);

  5. de identificatie van de leverancier(s) behorende bij de desbetreffende aansluiting (bedrijfs-EAN-code);

  6. de naam van de leverancier(s);

  7. de ingangsdatum van de bij de aansluiting behorende relatie(s) programmaverantwoordelijke(n) enerzijds en de leverancier(s) anderzijds;

  8. opmerkingen (vrij tekstveld).


2.13.2

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke ten minste eenmaal per jaar schriftelijk over de voor de leverancier respectievelijk programmaverantwoordelijke relevante stamgegevens van de hen betreffende aansluitingen als bedoeld in 2.13.1.


3. Mutatieprocessen voor kleinverbruikaansluitingen


3.1. Switch van leverancier op een kleinverbruikaansluiting


3.1.1. De leverancier dient de switchmelding in bij de regionale netbeheerder


3.1.1.1

De aangeslotene machtigt de nieuwe leverancier om namens hem de switch van leverancier af te wikkelen. Op grond van deze machtiging stuurt de nieuwe leverancier één werkdag voor de switchdatum namens deze aangeslotene een switchmelding naar de regionale netbeheerder. De switchmelding bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de programmaverantwoordelijke;

  6. het correspondentieadres van de aangeslotene indien dit afwijkt van het adres behorende bij de aansluiting;

  7. indien de leverancier dat wenst op te geven: de naam van de aangeslotene;

  8. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier;

  9. indien de leverancier de naam van de aangeslotene overeenkomstig 3.1.1.1, onderdeel g, heeft opgegeven, en hierover beschikt: de geboortedatum van de aangeslotene;

  10. indien de leverancier de naam van de aangeslotene overeenkomstig 3.1.1.1, onderdeel g, heeft opgegeven, en hierover beschikt: het KvK-nummer van de aangeslotene.


3.1.1.2

In afwijking van 3.1.1.1 stuurt de nieuwe leverancier de switchmelding, bedoeld in 3.1.1.1, tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen voor de switchdatum naar de regionale netbeheerder, indien de aansluiting een kleinverbruikaansluiting is die deel uit maakt van een groep aansluitingen, behorend bij een afnemer bedoeld in artikel 95n of 95ca tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 52c of 44a tweede lid van de Gaswet.


3.1.2. De regionale netbeheerder controleert de switchmelding


3.1.2.1

Naar aanleiding van de switchmelding controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de switchmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de switchdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de nieuwe leverancier is opgenomen in het leveranciersregister;

  5. de opgegeven programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  6. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding of inhuizingsmelding is voor dezelfde aansluiting.


3.1.2.2

In aanvulling op 3.1.2.1 controleert de regionale netbeheerder of de naam van de aangeslotene, bedoeld in 3.1.1.1 onderdeel g, is ingevuld in de switchmelding, indien op de aansluiting in het aansluitingenregister geen leverancier is geregistreerd op de switchdatum.


3.1.2.3

Als alle controles uit 3.1.2.1 en 3.1.2.2 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.1.2.5. Als dat niet het geval is, wordt de switch niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.1.2.4 beëindigd.


3.1.2.4

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de switch naar aanleiding van 3.1.2.3 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de leverancier die de switchmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  5. de switchdatum

  6. de reden van het niet uitvoeren van de switch:


    1. de switchmelding is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de switchdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de leverancier komt niet voor in het leveranciersregister;


    5. de programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    6. de switchmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde switchmelding of inhuizingsmelding;


    7. in het aansluitingenregister is geen leverancier vermeld en de switchmelding bevat geen naam van de aangeslotene;

  7. indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.1.2.5

De regionale netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de nieuwe leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  7. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch;

  8. indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.1.2.6

De regionale netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de nieuwe programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch;


3.1.2.7

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de oude leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch;


3.1.2.8

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de oude programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch.


3.1.2.9

De regionale netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces uithuizing, eindelevering, PV-switch of wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de leverancierswitch, bedoeld in 3.1.1.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


3.1.3. De regionale netbeheerder voert de switch uit en communiceert dit


3.1.3.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de nieuwe leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


3.1.3.2

De regionale netbeheerder informeert de nieuwe leverancier en de nieuwe programmaverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 3.1.3.1.


3.1.3.4

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode naar de waarde “profielallocatie”.


3.1.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


3.1.4.1

De nieuwe leverancier collecteert de meterstand behorende bij het switchproces, stelt deze vast en distribueert deze overeenkomstig hoofdstuk 5 indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, de waarde "in bedrijf" heeft.


3.1.4.2

De nieuwe leverancier stelt geen meterstand vast indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, niet de waarde "in bedrijf" heeft.


3.2. Uithuizing op een kleinverbruikaansluiting


3.2.1. De leverancier dient de uithuizingsmelding in bij de regionale netbeheerder


3.2.1.1

De aangeslotene machtigt zijn actuele leverancier om namens hem de uithuizing af te wikkelen. Op grond van deze machtiging stuurt de actuele leverancier één werkdag voor de uithuizingsdatum namens deze aangeslotene een uithuizingsmelding naar de regionale netbeheerder. De uithuizingsmelding bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. indien de actuele leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de actuele leverancier.


3.2.1.2

In afwijking van 3.2.1.1 stuurt de actuele leverancier de uithuizingsmelding, bedoeld in 3.2.1.1, tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen voor de uithuizingsdatum naar de regionale netbeheerder, indien de aansluiting een kleinverbruikaansluiting is die deel uit maakt van een groep aansluitingen, behorend bij een afnemer bedoeld in artikel 95n of 95ca tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 52c of 44a tweede lid van de Gaswet.


3.2.2. De regionale netbeheerder controleert de uithuizingsmelding


3.2.2.1

Naar aanleiding van de uithuizingsmelding controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de uithuizingsmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de uithuizingsdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting met een eerdere of dezelfde datum;

  5. de uithuizingsmelding is ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier.


3.2.2.2

Als alle controles uit 3.2.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.2.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de uithuizing niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.2.2.3 beëindigd.


3.2.2.3

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de uithuizing naar aanleiding van 3.2.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de leverancier die de uithuizingsmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de uithuizingsdatum;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de uithuizing:


    1. de uithuizingsmelding is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de uithuizingsdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de uithuizingsmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding of eindeleveringsmelding;


    5. de indienende leverancier is onjuist;

  6. indien aangeleverd in de uithuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.2.2.4

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de actuele leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing;

  6. indien aangeleverd in de uithuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.2.2.5

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de actuele programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing.


3.2.2.6

De regionale netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces eindelevering, PV-switch of wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de uithuizing, bedoeld in 3.2.1.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


3.2.3. De regionale netbeheerder voert de uithuizing uit


3.2.3.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de actuele leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8, tenzij een later ingediende leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding of uithuizingsmelding voor dezelfde aansluiting is ontvangen voor een eerdere of dezelfde mutatiedatum.


3.2.3.2

De regionale netbeheerder zet, indien de aansluiting is voorzien van een meetinrichting die op afstand uitleesbaar is, de administratieve status van de meetinrichting, bedoeld in 2.1.4 onderdeel b, op "aan" indien deze op "uit" staat.


3.2.3.4

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode naar de waarde “profielallocatie”.


3.2.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


3.2.4.1

De actuele leverancier collecteert de meterstand behorende bij het uithuizingsproces, stelt deze vast en distribueert deze overeenkomstig hoofdstuk 5 indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, de waarde "in bedrijf" heeft.


3.2.4.2

De actuele leverancier stelt geen meterstand vast indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, niet de waarde "in bedrijf" heeft.


3.3. Inhuizing op een kleinverbruikaansluiting


3.3.1. De leverancier dient de inhuizingsmelding in bij de regionale netbeheerder


3.3.1.1

De aangeslotene machtigt zijn actuele dan wel de nieuwe leverancier, in paragraaf 3.3 te noemen de nieuwe leverancier, om namens hem de inhuizing af te wikkelen. Op grond van deze machtiging stuurt de nieuwe leverancier tenminste op de inhuizingsdatum en ten hoogste twee werkdagen voor de inhuizingsdatum namens deze aangeslotene een inhuizingsmelding naar de regionale netbeheerder. De inhuizingsmelding bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de naam van de nieuwe aangeslotene;

  3. de inhuizingsdatum;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  6. de bedrijfs-EAN-code van de programmaverantwoordelijke;

  7. het correspondentieadres van de aangeslotene indien dit afwijkt van het adres behorende bij de aansluiting;

  8. in geval van een elektriciteitsaansluiting, of er sprake is van een aansluiting met verblijfsfunctie of complexbepaling;

  9. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier;

  10. indien de leverancier hierover beschikt: de geboortedatum van de aangeslotene;

  11. indien de leverancier hierover beschikt: het KvK-nummer van de aangeslotene.


3.3.1.2

In afwijking van 3.3.1.1 stuurt de nieuwe leverancier de in 3.3.1.1 bedoelde inhuizingsmelding tenminste op de inhuizingsdatum en ten hoogste twintig werkdagen voor de inhuizingsdatum naar de regionale netbeheerder, indien de aansluiting een kleinverbruikaansluiting is die deel uit maakt van een groep aansluitingen, behorend bij een afnemer bedoeld in artikel 95n of 95ca tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 52c of 44a tweede lid van de Gaswet.


3.3.2. De regionale netbeheerder controleert de inhuizingsmelding


3.3.2.1

Naar aanleiding van de inhuizingsmelding controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de inhuizingsmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de inhuizingsdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste op dezelfde datum en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de nieuwe leverancier is opgenomen in het leveranciersregister;

  5. de opgegeven programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  6. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding of inhuizingsmelding is voor dezelfde aansluiting.


3.3.2.2

Als alle controles uit 3.3.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.3.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de inhuizing niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.3.2.3 beëindigd.


3.3.2.3

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de inhuizing naar aanleiding van 3.3.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de leverancier die de inhuizingsmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  4. de inhuizingsdatum;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de inhuizing:


    1. de inhuizingsmelding is onvolledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de inhuizingsdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de nieuwe leverancier komt niet voor in het leveranciersregister;


    5. de programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    6. de inhuizingsmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde inhuizingsmelding of leverancierswitchmelding;

  6. indien aangeleverd in de inhuizingsmelding: het referentienummer van de nieuwe leverancier.


3.3.2.4

De regionale netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de nieuwe leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de inhuizingsdatum;

  3. de naam van de inhuizende aangeslotene;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  6. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  7. indien de inhuizingsmelding tevens een uithuizing van de oude leverancier tot gevolg heeft: de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  8. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: inhuizing;

  9. indien aangeleverd in de inhuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.3.2.5

De regionale netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de nieuwe programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de inhuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: inhuizing.


3.3.2.6

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht als gevolg van de inhuizing uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de oude leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier.

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing.


3.3.2.7

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht als gevolg van de inhuizing uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de oude programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing.


3.3.2.8

De regionale netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces uithuizing, eindelevering, PV-switch of wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de inhuizing, bedoeld in 3.3.1.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


3.3.3. De regionale netbeheerder voert de inhuizing uit en communiceert dit


3.3.3.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de nieuwe leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


3.3.3.2

De regionale netbeheerder informeert de nieuwe leverancier en nieuwe programmaverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 3.3.3.1.


3.3.3.3

De regionale netbeheerder zet, indien de aansluiting is voorzien van een meetinrichting die op afstand uitleesbaar is, de administratieve status van de meetinrichting, bedoeld in 2.1.4 onderdeel b, op "aan" tenzij de aangeslotene voorafgaand aan de inhuizing heeft aangegeven dat de administratieve status van de meetinrichting, bedoeld in 2.1.4 onderdeel b, op "uit" moet staan.


3.3.3.5

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode naar de waarde “profielallocatie”.


3.3.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


3.3.4.1

De nieuwe leverancier collecteert de meterstand behorende bij het inhuizingsproces, stelt deze vast en distribueert deze overeenkomstig hoofdstuk 5 indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, de waarde "in bedrijf" heeft.


3.3.4.2

De nieuwe leverancier stelt geen meterstand vast indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, niet de waarde "in bedrijf" heeft.


3.4. Beëindiging van de levering op een kleinverbruikaansluiting


3.4.1. Voorbereiding


3.4.1.1

De leverancier informeert de aangeslotene tenminste twintig werkdagen voorafgaand aan het indienen van de eindeleveringsmelding bij de regionale netbeheerder over zijn voornemen om de levering te beëindigen. De leverancier zorgt dat is voldaan aan de voorwaarden van de regeling, bedoeld in artikel 95b, achtste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 44, achtste lid, van de Gaswet.


3.4.1a. De leverancier stuurt een vooraankondiging eindelevering


3.4.1a.1

Voorafgaand aan het eindeleveringsbericht stuurt de actuele leverancier een vooraankondiging eindeleveringsmelding tien werkdagen voor de voorgenomen mutatiedatum van de in te dienen eindeleveringsmelding naar de regionale netbeheerder. De vooraankondiging eindelevering bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  4. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: vooraankondiging eindelevering;

  5. de voorgenomen mutatiedatum.


3.4.2. De leverancier dient de eindeleveringsmelding in bij de regionale netbeheerder


3.4.2.1

[Vervallen]


3.4.2.2

De actuele leverancier stuurt een eindeleveringsmelding één werkdag voor de eindeleveringsdatum naar de regionale netbeheerder, waarin is vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. indien de actuele leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de actuele leverancier.


3.4.2.3

In afwijking van 3.4.2.2 stuurt de actuele leverancier de in 3.4.2.2 bedoelde eindeleveringsmelding tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen voor de eindeleveringsdatum naar de regionale netbeheerder, indien de aansluiting een kleinverbruikaansluiting is die deel uit maakt van een groep aansluitingen, behorend bij een afnemer bedoeld in artikel 95n of 95ca tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 52 c of 44a tweede lid van de Gaswet.


3.4.3. De regionale netbeheerder controleert de eindeleveringsmelding


3.4.3.1

Naar aanleiding van de eindeleveringsmelding controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de eindeleveringsmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. [Vervallen]

  4. de eindeleveringsdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  5. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde eindeleverings-, leverancierswitch-, uithuizings- of inhuizingsmelding is voor dezelfde aansluiting met dezelfde of een eerdere datum;

  6. de eindeleveringsmelding wordt ingediend door de actuele leverancier.


3.4.3.2

Als alle controles uit 3.4.3.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.4.3.4. Als dat niet het geval is, wordt de eindelevering niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.4.3.3 beëindigd.


3.4.3.3

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de eindelevering naar aanleiding van 3.4.3.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de leverancier die de eindeleveringsmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de eindelevering:


    1. de eindeleveringsmelding is onvolledig of syntactisch niet correct;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend


    3. [Vervallen]


    4. de eindeleveringsdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    5. de eindeleveringsmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde eindeleverings-, switch-, uithuizings- of inhuizingsmelding;


    6. de indienende leverancier is onjuist;

  6. indien aangeleverd in de eindeleveringsmelding: het referentienummer van de actuele leverancier.


3.4.3.4

De regionale netbeheerder stuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de actuele leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: eindelevering;

  6. indien aangeleverd in de eindeleveringsmelding: het referentienummer van de actuele leverancier.


3.4.3.5

De regionale netbeheerder stuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de actuele programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: eindelevering.


3.4.3.6

Ingeval de aangeslotene voorafgaand aan de eindeleveringsdatum tijdig alsnog recht op levering verkrijgt, meldt de leverancier dit aan de regionale netbeheerder:

  1. door middel van een inhuizingsmelding, bedoeld in 3.3.1.1, indien hij de actuele leverancier van de aangeslotene is. De procedure wordt vervolgd vanaf 3.3.2.1;

  2. door middel van een switchmelding, bedoeld in 3.1.1.1, indien hij een nieuwe leverancier van de aangeslotene is. De procedure wordt vervolgd vanaf 3.1.2.1.


3.4.3.7

De regionale netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces eindelevering, PV-switch of wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de eindelevering, bedoeld in 3.4.2.2, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


3.4.4. De regionale netbeheerder voert de eindelevering uit


3.4.4.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de actuele leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8, tenzij een later ingediende leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding of uithuizingsmelding voor dezelfde aansluiting is ontvangen voor een eerdere of dezelfde mutatiedatum.


3.4.4.2

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode naar de waarde “profielallocatie”.


3.4.5. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


3.4.5.1

De actuele leverancier collecteert de meterstand behorende bij het eindeleveringsproces, stelt deze vast en distribueert deze overeenkomstig hoofdstuk 5 indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, de waarde "in bedrijf" heeft.


3.4.5.2

De actuele leverancier stelt geen meterstand vast indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, niet de waarde "in bedrijf" heeft.


3.5. Individuele switch van programmaverantwoordelijke op een kleinverbruikaansluiting


3.5.1. De leverancier dient de switch van programmaverantwoordelijke in bij de regionale netbeheerder


3.5.1.1

De leverancier stuurt één werkdag voor de switchdatum een programmaverantwoordelijke-switchmelding, hierna te noemen een PV-switchmelding naar de regionale netbeheerder. In de PV-switchmelding is opgenomen:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


3.5.1.2

In afwijking van 3.5.1.1 stuurt de leverancier de in 3.5.1.1 bedoelde switchmelding tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen voor de switchdatum naar de regionale netbeheerder, indien de aansluiting een kleinverbruikaansluiting is die deel uit maakt van een groep aansluitingen, behorend bij een afnemer bedoeld in artikel 95n of 95ca tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 52c of 44a tweede lid van de Gaswet.


3.5.2. De regionale netbeheerder controleert de PV-switchmelding


3.5.2.1

Naar aanleiding van de switchmelding controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de PV-switchmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de PV-switchdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste één werkdag en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de opgegeven programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  5. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting voor een eerdere of dezelfde datum;

  6. de PV-switchmelding is ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier.


3.5.2.2

Als alle controles uit 3.5.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.5.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de PV-switch niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.5.2.3 beëindigd.


3.5.2.3

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de PV-switch naar aanleiding van 3.5.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de PV-switchmelding aan de leverancier die de PV-switchmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de reden van het niet uitvoeren van de switch:


    1. de switchmelding is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de switchdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de nieuwe programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    5. de switchmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde switch, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding;


    6. de indienende leverancier is onjuist;

  7. indien aangeleverd in de PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.5.2.4

De regionale netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV;

  7. indien aangeleverd in de PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.5.2.5

De regionale netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de oude programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV.


3.5.2.6

De regionale netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de nieuwe programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV.


3.5.3. De regionale netbeheerder voert de switch uit en communiceert dit


3.5.3.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


3.5.3.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en nieuwe programmaverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 over de mutaties, bedoeld in 3.5.3.1.


3.6. Bulk PV-switch op kleinverbruikaansluitingen


3.6.1. De leverancier stuurt een vooraankondiging aan de regionale netbeheerder


3.6.1.1

De leverancier informeert de regionale netbeheerder tenminste vijfentwintig werkdagen en ten hoogste dertig werkdagen voor de beoogde switchdatum over het voornemen om een bulk PV-switch uit te voeren. In de vooraankondiging wordt vermeld:

  1. de beoogde switchdatum van de in te dienen bulk PV-switch;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  4. bij benadering het aantal aansluitingen dat de bulk PV-switch zal bevatten.


3.6.1.2

In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


3.6.2. De leverancier dient de melding bulk PV-switch in bij de regionale netbeheerder


3.6.2.1

De leverancier stuurt tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen voor de switchdatum een melding bulk PV-switch naar de regionale netbeheerder. In afwijking van 1.1.4 wordt in het bericht vermeld:

  1. de EAN-codes van de aansluitingen;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: "PV-switch";

  6. de switchdatum;

  7. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


3.6.3. De regionale netbeheerder controleert de melding bulk PV-switch


3.6.3.1

Naar aanleiding van de melding bulk PV-switch controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de melding bulk PV-switch volledig en syntactisch correct is;

  2. de switchdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  3. de nieuwe programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

Per individuele aansluiting in de melding bulk PV-switch controleert de regionale netbeheerder of:

  1. d.

    de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  2. e.

    de melding bulk PV-switch wordt ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier;

  3. f.

    er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor een eerdere of dezelfde datum;

  4. g.

    de aansluiting volgens het aansluitingenregister een kleinverbruikaansluiting is.


3.6.3.2

De regionale netbeheerder beëindigt de bulk PV-switchprocedure en bericht dit uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de melding bullk PV-switch aan de leverancier, indien één of meerdere van de controles, bedoeld in 3.6.3.1, onderdeel a tot en met c, een negatief resultaat opleveren, en vermeldt daarbij:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  3. de reden van het niet uitvoeren van de melding bulk PV-switch:


    1. de melding bulk PV-switch is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de switchdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    3. de nieuwe programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;

  4. indien aangeleverd in de bulk PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


3.6.3.3

De regionale netbeheerder beëindigt de PV-switchprocedure voor de desbetreffende aansluiting en bericht dit uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de melding bulk PV-switch aan de leverancier, indien één of meerdere van de controles, bedoeld in 3.6.3.1, onderdeel d tot en met g, een negatief resultaat opleveren, en vermeldt daarbij:

  1. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  3. indien aangeleverd in de bulk PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier;

Per aansluiting waarvoor de melding wordt afgewezen wordt vermeld:

  1. d.

    de EAN-code van de aansluiting;

  2. e.

    de reden van het niet uitvoeren van de PV-switch:


    1. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    2. de indienende leverancier is onjuist;


    3. de melding bulk PV-switch conflicteert met een eerdere leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding;


    4. de aansluiting is volgens het aansluitingenregister geen kleinverbruikaansluiting.


3.6.3.4

De regionale netbeheerder verstuurt uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de melding bulk PV-switch aan de oude programmaverantwoordelijke een verliesbericht voor de aansluitingen waarbij alle controles, bedoeld in 3.6.3.1, een positief resultaat opleveren en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  4. de switchdatum;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: "PV-switch".


3.6.3.5

De regionale netbeheerder verstuurt uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de melding bulk PV-switch aan de leverancier een verwervingsbericht voor de aansluitingen waarbij alle controles, bedoeld in 3.6.3.1, een positief resultaat opleveren en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  5. indien aangeleverd in de bulk PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier;

  6. de switchdatum;

  7. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: "PV-switch".


3.6.3.6

De regionale netbeheerder verstuurt uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de melding bulk PV-switch aan de nieuwe programmaverantwoordelijke een verwervingsbericht voor de aansluitingen waarbij alle controles, bedoeld in 3.6.3.1, een positief resultaat opleveren en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  5. de switchdatum;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: "PV-switch".


3.6.4. De regionale netbeheerder voert de bulk PV-switch uit en communiceert dit


3.6.4.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


3.6.4.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de nieuwe programmaverantwoordelijke conform 2.2 omtrent de in 3.6.4.1 bedoelde mutaties. In afwijking van 1.1.4 worden de stamgegevensberichten van alle gemuteerde aansluitingen in de bulk PV-switch per ontvangende partij gebundeld in een bericht.


3.7. Aanleggen van een kleinverbruikaansluiting


3.7.1

De regionale netbeheerder registreert de aanleg van de aansluiting in het aansluitingenregister en legt tenminste de volgende gegevens in het aansluitingenregister vast:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "in aanleg";

  4. ingeval van een elektriciteitsaansluiting: de verblijfsfunctie of complexbepaling van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel m, te weten: "geen verblijfsfunctie, geen complex".


3.8. In bedrijf nemen van een kleinverbruikaansluiting


3.8.1. De regionale netbeheerder neemt de aansluiting in bedrijf en communiceert dit


3.8.1.1

Uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de aansluiting fysiek in bedrijf is genomen effectueert de regionale netbeheerder de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "in bedrijf" in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


3.8.1.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan, overeenkomstig paragraaf 2.2, over de mutatie, bedoeld in 3.8.1.1.


3.8.2. De regionale netbeheerder voert een fysieke meteropname uit en distribueert de meterstand


3.8.2.1

De regionale netbeheerder voert bij het fysiek in bedrijf nemen van de aansluiting een fysieke meteropname uit overeenkomstig paragraaf 5.2.


3.9. Uit bedrijf nemen van een kleinverbruikaansluiting


3.9.1. De regionale netbeheerder neemt de aansluiting uit bedrijf en communiceert dit


3.9.1.1

Uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de aansluiting fysiek uit bedrijf is genomen effectueert de regionale netbeheerder de waarde, bedoeld in 2.1.3, onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "uit bedrijf" in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


3.9.1.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan, overeenkomstig paragraaf 2.2 over de mutatie, bedoeld in 3.9.1.1.


3.9.2. De regionale netbeheerder voert een fysieke meteropname uit en distribueert de meterstand


3.9.2.1

De regionale netbeheerder voert bij het fysiek uit bedrijf nemen van de aansluiting een fysieke meteropname uit overeenkomstig paragraaf 5.2.


3.10. Verwijderen van een kleinverbruikaansluiting


3.10.1. De regionale netbeheerder verwijdert de aansluiting en communiceert dit


3.10.1.1

De regionale netbeheerder controleert, voorafgaand aan de effectuering in het aansluitingenregister, bedoeld in 3.10.1.4, of er voor de desbetreffende aansluiting nog eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmeldingen, inhuizingsmeldingen, uithuizingsmeldingen, eindeleveringsmeldingen of PV-switchmeldingen zijn.


3.10.1.2

De regionale netbeheerder verwijdert eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde meldingen, bedoeld in 3.10.1.1, indien deze aanwezig zijn, beëindigt de procedure(s) en informeert de leverancier hierover. In afwijking van paragraaf 8.1.1 vindt deze informatie niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


3.10.1.3

De leverancier informeert de programmaverantwoordelijke over de verwijdering van eerder ingediende, doch nog niet geëffectueerde meldingen, bedoeld in 3.10.1.2.


3.10.1.4

De regionale netbeheerder effectueert uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de aansluiting fysiek is verwijderd de waarde, genoemd in 2.1.3, onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "gesloopt" in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


3.10.1.5

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan, overeenkomstig paragraaf 2.2 over de mutatie, bedoeld in 3.10.1.4.


3.10.2. De regionale netbeheerder voert een fysieke meteropname uit en distribueert de meterstand


3.10.2.1

De regionale netbeheerder voert bij het verwijderen van de aansluiting een fysieke meteropname uit overeenkomstig paragraaf 5.2 indien de fysieke status van de aansluiting, genoemd in 2.1.3 onderdeel h, voorafgaand aan de verwijdering van de aansluiting de waarde "in bedrijf" had.


3.11. Wisseling of wijziging van meetinrichting op een kleinverbruikaansluiting


3.11.1. De regionale netbeheerder communiceert de gegevens ten gevolge van de wisseling of wijziging van de meetinrichting


3.11.1.1

Uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de kleinverbruikmeetinrichting is gewisseld of gewijzigd effectueert de regionale netbeheerder dit in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


3.11.1.1a

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter- allocatie” heeft, en de regionale netbeheerder stelt vast dat de meetinrichting niet op afstand uitleesbaar is, muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode onmiddellijk naar de waarde “profielallocatie”.


3.11.1.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan overeenkomstig paragraaf 2.2 over de mutatie, bedoeld in 3.11.1.1 en in voorkomende gevallen over de mutatie bedoeld in 3.11.1.1a.


3.11.2. De regionale netbeheerder voert een fysieke meteropname uit en distribueert de meterstand


3.11.2.1

De regionale netbeheerder voert bij een wisseling of wijziging van een kleinverbruikmeetinrichting een fysieke meteropname uit overeenkomstig paragraaf 5.2.


3.12. Wijzigen van naam of verblijfsfunctie of complexbepaling op een kleinverbruikaansluiting


3.12.1. De leverancier dient het verzoek wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling in bij de regionale netbeheerder


3.12.1.1

De leverancier stuurt een melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling op de werkdag voor de beoogde wijziging naar de regionale netbeheerder, indien de verblijfsfunctie of complexbepaling wijzigt of de registratie van de naam van de aangeslotene wijzigt zonder dat hiervoor een nieuw leveringscontract wordt aangegaan. De melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling bevat de volgende gegevens:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de reden van wijzigen:


    1. alleen wijziging van de naam van de aangeslotene;


    2. alleen wijziging van de verblijfsfunctie of complexbepaling;


    3. wijzigen van zowel de naam als de verblijfsfunctie of complexbepaling;

  4. de gewijzigde gegevens, bedoeld in 3.12.1.1 onderdeel c;

  5. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


3.12.2. De regionale netbeheerder controleert de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling


3.12.2.1

Naar aanleiding van de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling controleert de regionale netbeheerder of:

  1. de melding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling wordt ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier;

  4. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting met een eerdere of dezelfde datum.


3.12.2.2

Als alle controles uit 3.12.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.12.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de wijziging naam of verblijfsfunctie of complexbepaling niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.12.2.3 beëindigd.


3.12.2.3

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de wijziging naam of verblijfsfunctie of complexbepaling naar aanleiding van 3.12.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling aan de leverancier die de melding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. indien aangeleverd in de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling: het referentienummer van de leverancier;

  5. de reden voor het niet uitvoeren van de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling:


    1. de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de indienende leverancier is onjuist;


    4. de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling conflicteert met een eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitch-, inhuizings-, uithuizings- of eindeleveringsmelding.


3.12.2.4

De regionale netbeheerder bevestigt de geplande uitvoering van de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling aan de leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting

  2. indien aangeleverd in de melding wijzigen naam of verblijfsfunctie of complexbepaling: het referentienummer van de leverancier.


3.12.3. De regionale netbeheerder voert de wijziging naam of verblijfsfunctie of complexbepaling uit en communiceert dit


3.12.3.1

De regionale netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8, tenzij een later ingediende leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding voor dezelfde aansluiting is ontvangen voor een eerdere of dezelfde mutatiedatum.


3.12.3.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en programmaverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2, indien de mutaties, bedoeld in 3.12.3.1, een wijziging van de verblijfsfunctie of complexbepaling betreffen.


3.13. Op verzoek van de aangeslotene administratief aan- en uitzetten van kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is


3.13.1. Verwerken verzoek van de aangeslotene door de regionale netbeheerder


3.13.1.1

Op verzoek van de aangeslotene wijzigt de regionale netbeheerder de administratieve status van de kleinverbruikmeetinrichting, bedoeld in 2.1.4 onderdeel b, van de kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


3.13.1.1a

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, en het verzoek van de aangeslotene inhoudt dat de kleinverbruikmeetinrichting administratief uit wordt gezet, collecteert de regionale netbeheerder de dan geldende meterstand(en) en stelt deze vast. Vervolgens muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode naar de waarde “profielallocatie” met inachtneming van 2.1.8.


3.13.1.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan overeenkomstig paragraaf 2.2 over de mutatie, bedoeld in 3.13.1.1 en in voorkomende gevallen over de mutatie bedoeld in 3.13.1.1a.


3.13.1.3

De meetinrichting waarvan de administratieve status op ”uit” is gezet wordt beschouwd als een meetinrichting die niet op afstand uitleesbaar is.


3.13a. Wijzigen van het kenmerk of de kleinverbruikmeetinrichting al dan niet op afstand uitleesbaar is


3.13a.1. De netbeheerder muteert het kenmerk inzake de uitleesbaarheid van de kleinverbruikmeetinrichting


3.13a.1.1

Indien de regionale netbeheerder constateert dat de kleinverbruikmeetinrichting vanwege externe factoren van technische aard niet op afstand uitleesbaar is, dan wijzigt de regionale netbeheerder het kenmerk als bedoeld in 2.1.4, onderdeel g dienovereenkomstig met inachtneming van 2.1.8.


3.13a.1.2

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft en de regionale netbeheerder de uitleesbaarheid van de kleinverbruikmeetinrichting, zoals bedoeld in 2.1.4, onderdeel g wijzigt naar “niet op afstand uitleesbaar”, dan:

  1. (i)

    collecteert de regionale netbeheerder de dan geldende meterstand overeenkomstig 5.2.2, of indien zulks onmogelijk is,

  2. (ii)

    berekent de regionale netbeheerder de dan geldende meterstand overeenkomstig 5.1.3.3

en stelt deze vast. Vervolgens muteert de regionale netbeheerder de allocatiemethode naar de waarde “profielallocatie” met inachtneming van 2.1.8.


3.13a.1.3

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan overeenkomstig paragraaf 2.2 over de mutatie bedoeld in 3.13a.1.1 en in voorkomende gevallen over de mutatie bedoeld in 3.13a.1.2.


3.14. Correctieprocessen op kleinverbruikaansluitingen


3.14.1. Correctieproces onterechte leverancierswitch


3.14.1.1

Onder een onterechte leverancierswitch wordt verstaan de uitvoering van de leverancierswitch, bedoeld in 3.1, op een aansluiting waarvoor geen leveringsovereenkomst voor de desbetreffende periode tot stand is gekomen tussen de aangeslotene en de leverancier die de leverancierswitchmelding heeft ingediend.


3.14.1.2

De leverancier, die constateert dat er sprake is van een onterechte leverancierswitch, neemt hierover binnen vijf werkdagen contact op met de andere betrokken leverancier. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


3.14.1.3

De leverancier, die voor de desbetreffende aansluiting uit het aansluitingenregister is verwijderd, dient terstond een leverancierswitch in ter correctie van de onterechte leverancierswitch, bedoeld in 3.14.1.1, voor deze aangeslotene overeenkomstig paragraaf 3.1, indien de leveranciers constateren dat er sprake is van een onterechte leverancierswitch met dien verstande dat voor de leverancierswitch ter correctie geen nieuwe machtiging van de aangeslotene benodigd is.


3.14.1.4

In de leverancierswitch die ter correctie is ingediend, bedoeld in 3.14.1.3, wordt de laatst vastgestelde meterstand op de aansluiting gebruikt voor de mutatiedatum van de leverancierswitch die als correctie is ingediend.


3.14.1.5

De leveranciers verrekenen de inkoopkosten onderling, indien de switch die ter correctie is ingediend, bedoeld in 3.14.1.3, op een later tijdstip dan dertien maanden na de onterechte leverancierswitch plaatsvindt en één van de leveranciers dit verlangt.


3.14.2. Correctieproces onterechte uithuizing


3.14.2.1

Onder een onterechte uithuizing wordt verstaan de uitvoering van de uithuizing, bedoeld in 3.2, op een aansluiting waarbij de aangeslotene niet daadwerkelijk de aansluiting heeft verlaten.


3.14.2.2

De leverancier, die constateert dat er sprake is van een onterechte uithuizing op een aansluiting, dient terstond een inhuizing ter correctie in overeenkomstig paragraaf 3.3, met dien verstande dat geen nieuwe machtiging van de aangeslotene benodigd is.


3.14.2.3

In de inhuizing ter correctie, bedoeld in 3.14.2.2, wordt de meterstand die voor de aansluiting op de mutatiedatum van de onterechte uithuizing is gebruikt, vastgesteld voor de datum van de inhuizing die ter correctie is ingediend.


3.14.2.4

De leverancier vergoedt de kosten als gevolg van de onterechte uithuizing aan de regionale netbeheerder.


3.14.3. Correctieproces onterechte inhuizing


3.14.3.1

Onder een onterechte inhuizing wordt verstaan de uitvoering van de inhuizing, bedoeld in paragraaf 3.3, op een aansluiting waarbij de veronderstelde aangeslotene niet daadwerkelijk op de aansluiting is ingehuisd dan wel dat er geen leveringsovereenkomst voor de desbetreffende aansluiting tussen de aangeslotene en de leverancier bestaat.


3.14.3.2

De leverancier die constateert dat het een onterechte inhuizing betreft op een aansluiting, waarbij op het moment van inhuizen geen leverancier in het aansluitingenregister geregistreerd staat, zal terstond een uithuizing ter correctie indienen overeenkomstig paragraaf 3.2, met dien verstande dat geen nieuwe machtiging van de aangeslotene benodigd is.


3.14.3.3

In de uithuizing ter correctie, bedoeld in 3.14.3.2, wordt de laatst vastgestelde meterstand op de aansluiting gebruikt voor de mutatiedatum van de uithuizing die als correctie is ingediend.


3.14.3.4

De leverancier die constateert dat het een onterechte inhuizing betreft op een aansluiting, waarbij op het moment van inhuizen een leverancier in het aansluitingenregister geregistreerd staat, neemt hierover binnen vijf werkdagen contact op met de andere betrokken leverancier. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


3.14.3.5

De leverancier die door de onterechte inhuizing uit het aansluitingenregister is verwijderd, dient terstond een inhuizing ter correctie in voor deze aangeslotene overeenkomstig paragraaf 3.3, indien de leveranciers, bedoeld in 3.14.3.4, constateren dat er sprake is van een onterechte inhuizing. Met dien verstande dat voor de inhuizing ter correctie geen nieuwe machtiging van de aangeslotene benodigd is.


3.14.3.6

In de inhuizing ter correctie, bedoeld in 3.14.3.5, wordt de laatst vastgestelde meterstand op de aansluiting gebruikt voor de mutatiedatum van de inhuizing die als correctie is ingediend.


3.14.3.7

De leveranciers verrekenen de inkoopkosten onderling, indien de inhuizing ter correctie, bedoeld in 3.14.3.6, op een later tijdstip dan dertien maanden na de onterechte inhuizing plaatsvindt en één van de leveranciers dit verlangt.


3.14.4. Correctieproces onterechte eindelevering


3.14.4.1

Onder een onterechte eindelevering wordt verstaan de onbedoelde uitvoering van het proces eindelevering op een aansluiting, bedoeld in paragraaf 3.4.


3.14.4.2

De leverancier die constateert dat er sprake is van een onterechte eindelevering, dient terstond een inhuizing ter correctie in overeenkomstig 3.3, met dien verstande dat geen nieuwe machtiging van de aangeslotene benodigd is.


3.14.4.3

In de inhuizing ter correctie, bedoeld in 3.14.4.2, wordt de meterstand, die op de mutatiedatum van de onterechte eindelevering is vastgesteld, gebruikt voor de mutatiedatum van de inhuizing die als correctie is ingediend.


3.14.5. Correctieproces onterechte PV-switch


3.14.5.1

Onder een onterechte PV-switch wordt verstaan de onbedoelde uitvoering van het proces PV-switch op een aansluiting, bedoeld in paragraaf 3.5 of paragraaf 3.6.


3.14.5.2

De leverancier, die constateert dat er sprake is van een onterechte PV-switch, neemt hierover binnen vijf werkdagen contact op met de betrokken programmaverantwoordelijken. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


3.14.5.3

De leverancier die constateert dat er sprake is van een onterechte PV-switch, dient terstond een PV-switch ter correctie in overeenkomstig 3.5.


3.14.5.4

De programmaverantwoordelijke die naar aanleiding van de onterechte PV-switch, bedoeld in 3.14.5.1, onterecht in het aansluitingenregister is geregistreerd, verrekent de volumes en eventuele kosten met de leverancier wanneer dit noodzakelijk wordt geacht.


3.15. Wijzigen van de allocatiemethode met betrekking tot elektriciteitsaansluitingen die voorzien zijn van een kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is


3.15.1. De leverancier dient een verzoek in tot wijziging van de allocatiemethode


3.15.1.1

De actuele leverancier die beschikt over een machtiging van de aangeslotene om de allocatiemethode te wijzigen, stuurt de betreffende wijziging van de allocatiemethode op de gewenste mutatiedatum naar de regionale netbeheerder. De melding “wijziging allocatiemethode” bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de mutatiedatum;

  3. de gewenste allocatiemethode;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  6. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


3.15.2. De regionale netbeheerder controleert het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode


3.15.2.1

Naar aanleiding van het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode controleert de regionale netbeheerder of:

  1. het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voorkomt in het aansluitingenregister;

  3. de aansluiting een elektriciteitsaansluiting betreft;

  4. de gewenste mutatiedatum gelijk is aan datum indiening wijzigingsverzoek;

  5. de wijziging van de allocatiemethode wordt ingediend door de actuele leverancier;

  6. de allocatiemethode is toegestaan;

  7. de aansluiting op afstand uitleesbaar is;

  8. de gewenste allocatiemethode niet reeds van toepassing is.


3.15.2.2

Als alle controles uit 3.15.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 3.15.3. Als dat niet het geval is, wordt de wijziging niet uitgevoerd en wordt de procedure na 3.15.2.3 beëindigd.


3.15.2.3

De regionale netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de wijziging van de allocatiemethode naar aanleiding van 3.15.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode aan de leverancier die het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de reden van het niet uitvoeren van de wijziging van de allocatiemethode:


    1. het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode is onvolledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de aansluiting betreft geen elektriciteitsaansluiting;


    4. de gewenste mutatiedatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    5. de indienende leverancier is onjuist;


    6. de allocatiemethode is niet toegestaan


    7. de aansluiting is niet op afstand uitleesbaar;


    8. de gewenste allocatiemethode wordt reeds toegepast;

  5. indien aangeleverd in het verzoek tot wijziging van de allocatiemethode: het referentienummer van de leverancier.


3.15.3. De regionale netbeheerder voert de wijziging van de allocatiemethode uit en communiceert hierover


3.15.3.1

De regionale netbeheerder muteert het veld, zoals bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, in het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


3.15.3.2

De regionale netbeheerder informeert de leverancier en de programmaverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan overeenkomstig paragraaf 2.2. over de mutatie, bedoeld in 3.15.3.1.


3.15.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


3.15.4.1

De leverancier collecteert de meterstand behorende bij de wijziging van de allocatiemethode, stelt deze vast en distribueert deze overeenkomstig hoofdstuk 5 indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, de waarde “in bedrijf” heeft.


3.15.4.2

De leverancier stelt geen meterstand vast indien de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, niet de waarde “in bedrijf” heeft.


4. Mutatieprocessen voor grootverbruikaansluitingen


4.1. Switch van leverancier op een grootverbruikaansluiting


4.1.1. De leverancier dient de switchmelding in bij de netbeheerder


4.1.1.1

De aangeslotene machtigt de nieuwe leverancier om namens hem de switch van leverancier af te wikkelen. Op grond van deze machtiging stuurt de nieuwe leverancier tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen voor de switchdatum namens deze aangeslotene een switchmelding naar de netbeheerder. De switchmelding bevat de volgende gegevens:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de programmaverantwoordelijke;

  6. indien de leverancier dat wenst op te geven: de naam van de aangeslotene;

  7. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier;

  8. indien de leverancier de naam van de aangeslotene overeenkomstig 4.1.1.1, onderdeel f, heeft opgegeven, en hierover beschikt: de geboortedatum van de aangeslotene;

  9. indien de leverancier de naam van de aangeslotene overeenkomstig 4.1.1.1, onderdeel f, heeft opgegeven, en hierover beschikt: het KvK-nummer van de aangeslotene.


4.1.2. De netbeheerder controleert de switchmelding


4.1.2.1

Naar aanleiding van de switchmelding controleert de netbeheerder of:

  1. de switchmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de switchdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de nieuwe leverancier is opgenomen in het leveranciersregister;

  5. de opgegeven programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  6. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding of inhuizingsmelding is voor dezelfde aansluiting;

  7. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.1.2.2

In aanvulling op 4.1.2.1 controleert de netbeheerder of de naam van de aangeslotene is ingevuld in de switchmelding, indien op de aansluiting in het aansluitingenregister geen leverancier is geregistreerd op de switchdatum.


4.1.2.3

Als alle controles uit 4.1.2.1 en 4.1.2.2 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 4.1.2.5. Als dat niet het geval is, wordt de switch niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.1.2.4 beëindigd.


4.1.2.4

De netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de switch naar aanleiding van 4.1.2.3 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de leverancier die de switchmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  5. de switchdatum;

  6. de reden van het niet uitvoeren van de switch:


    1. de switchmelding is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de switchdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de nieuwe leverancier komt niet voor in het leveranciersregister;


    5. de programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    6. de switchmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde switchmelding of inhuizingsmelding;


    7. in het aansluitingenregister is geen leverancier vermeld en de switchmelding bevat geen naam van de aangeslotene;


    8. de aansluiting is geblokkeerd voor automatische mutaties;

  7. indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.1.2.5

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de nieuwe leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  7. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch;

  8. indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.1.2.6

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de nieuwe programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch.


4.1.2.7

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  7. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch;

  8. indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.1.2.8

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de oude leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch.


4.1.2.9

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de switchmelding aan de oude programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: leverancierswitch.


4.1.2.10

De netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces uithuizing, eindelevering, PV-switch of wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de leverancierswitch, bedoeld in 4.1.1.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


4.1.3. De netbeheerder voert de switch uit en communiceert dit


4.1.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de nieuwe leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


4.1.3.2

De netbeheerder informeert de nieuwe leverancier, nieuwe programmaverantwoordelijke en meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.1.3.1.


4.1.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


4.1.4.1

Het collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand en het verbruik behorend bij het switchproces wordt overeenkomstig hoofdstuk 6 uitgevoerd.


4.2. Uithuizing op een grootverbruikaansluiting


4.2.1. De leverancier dient de uithuizingsmelding in bij de netbeheerder


4.2.1.1

De aangeslotene machtigt zijn actuele leverancier om namens hem de uithuizing af te wikkelen. Op grond van deze machtiging stuurt de actuele leverancier tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen voor de uithuizingsdatum namens deze aangeslotene een uithuizingsmelding naar de netbeheerder. De uithuizingsmelding bevat de volgende gegevens:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. indien de actuele leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de actuele leverancier.


4.2.2. De netbeheerder controleert de uithuizingsmelding


4.2.2.1

Naar aanleiding van de uithuizingsmelding controleert de netbeheerder of:

  1. de uithuizingsmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de uithuizingsdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting met een eerdere of dezelfde datum;

  5. de uithuizingsmelding is ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier;

  6. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.2.2.2

Als alle controles uit 4.2.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 4.2.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de uithuizing niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.2.2.3 beëindigd.


4.2.2.3

De netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de uithuizing naar aanleiding van 4.2.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de leverancier die de uithuizingsmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de uithuizingsdatum;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de uithuizing:


    1. de uithuizingsmelding is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de uithuizingsdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de uithuizingsmelding conflicteert met een eerdere bevestigde maar nog niet geëffectueerde uithuizingsmelding;


    5. de uithuizingsmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding of inhuizingsmelding;


    6. de indienende leverancier is onjuist;


    7. de aansluiting is geblokkeerd voor automatische mutaties;

  6. indien aangeleverd in de uithuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.2.2.4

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de actuele leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing;

  6. indien aangeleverd in de uithuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.2.2.5

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de actuele programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing;


4.2.2.6

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de uithuizingsmelding aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. indien de uithuizing het gevolg is van een inhuizing, bedoeld in 4.3, bevat de melding tevens de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier op de aansluiting.

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing;

  7. indien aangeleverd in de uithuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.2.2.7

De netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces uithuizing, eindelevering, PV-switch of wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de uithuizing, bedoeld in 4.2.1.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


4.2.3. De netbeheerder voert de uithuizing uit en communiceert dit


4.2.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de actuele leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8, tenzij een later ingediende leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is ontvangen voor een eerdere of dezelfde mutatiedatum.


4.2.3.2

De netbeheerder informeert de meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.2.3.1.


4.2.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


4.2.4.1

Het collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand en verbruik bij het uithuizingsproces wordt overeenkomstig hoofdstuk 6 uitgevoerd.


4.3. Inhuizing op een grootverbruikaansluiting


4.3.1. De leverancier dient de inhuizingsmelding in bij de netbeheerder


4.3.1.1

De aangeslotene machtigt zijn actuele dan wel de nieuwe leverancier, in het inhuizingsproces hierna te noemen de nieuwe leverancier, om namens hem de inhuizing af te wikkelen. Op grond van deze machtiging stuurt de nieuwe leverancier tenminste vijf werkdagen voor de inhuizingsdatum en ten hoogste twintig werkdagen voor de inhuizingsdatum namens deze aangeslotene een inhuizingsmelding naar de netbeheerder. De inhuizingsmelding bevat de volgende gegevens:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de naam van de nieuwe aangeslotene;

  3. de adresgegevens van de aansluiting;

  4. de inhuizingsdatum;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  6. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  7. de bedrijfs-EAN-code van de programmaverantwoordelijke;

  8. in geval van een elektriciteitsaansluiting, of er sprake is van een aansluiting met verblijfsfunctie of complexbepaling;

  9. indien de nieuwe leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de nieuwe leverancier;

  10. indien de leverancier hierover beschikt: de geboortedatum van de aangeslotene;

  11. indien de leverancier hierover beschikt: het KvK-nummer van de aangeslotene.


4.3.1.2

In afwijking van 4.3.1.1 stuurt de nieuwe leverancier de inhuizingsmelding tenminste op de inhuizingsdatum en ten hoogste twintig werkdagen voor de inhuizingsdatum naar de netbeheerder indien het een inhuizingsmelding betreft voor een aansluiting, waarop op het moment van inhuizen geen leverancier is geregistreerd in het aansluitingenregister.


4.3.2. De netbeheerder controleert de inhuizingsmelding


4.3.2.1

Naar aanleiding van de inhuizingsmelding controleert de netbeheerder of:

  1. de inhuizingsmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de inhuizingsdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. of de inhuizingdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste op dezelfde datum en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt, indien op de desbetreffende aansluiting op het moment van inhuizen geen leverancier is geregistreerd in het aansluitingenregister;

  5. de nieuwe leverancier is opgenomen in het leveranciersregister;

  6. de opgegeven programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  7. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding of inhuizingsmelding is voor dezelfde EAN-code;

  8. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.3.2.2

Als alle controles uit 4.3.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 4.3.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de inhuizing niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.3.2.3 beëindigd.


4.3.2.3

De netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de inhuizing naar aanleiding van 4.3.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de leverancier die de inhuizingsmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  4. de inhuizingsdatum;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de inhuizing:


    1. de inhuizingsmelding is onvolledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de inhuizingsdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de nieuwe leverancier komt niet voor in het leveranciersregister;


    5. de programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    6. de inhuizingsmelding conflicteert met een eerder bevestigde, maar nog niet geëffectueerde inhuizingsmelding of leverancierswitchmelding;


    7. de aansluiting is geblokkeerd voor automatische mutaties;

  6. indien aangeleverd in de inhuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.3.2.4

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de nieuwe leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de inhuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. indien de inhuizingsmelding tevens een uithuizing van de oude leverancier tot gevolg heeft: de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier.

  7. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: inhuizing;

  8. indien aangeleverd in de inhuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.3.2.5

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de nieuwe programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de inhuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: inhuizing.


4.3.2.6

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding indien aanwezig aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de inhuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de programmaverantwoordelijke;

  6. indien de inhuizingsmelding tevens een uithuizing van de oude leverancier tot gevolg heeft: de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier.

  7. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: inhuizing;

  8. indien aangeleverd in de inhuizingsmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.3.2.7

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de oude leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe leverancier.

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing.


4.3.2.8

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de inhuizingsmelding aan de oude programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de uithuizingsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: uithuizing.


4.3.2.9

De netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces inhuizing, uithuizing, eindelevering, PV-switch of wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de inhuizing, bedoeld in 4.3.1.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


4.3.3. De netbeheerder voert de inhuizing uit en communiceert dit


4.3.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de nieuwe leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


4.3.3.2

De netbeheerder informeert de nieuwe leverancier en nieuwe programmaverantwoordelijke en, indien aanwezig, meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.3.3.1.


4.3.4. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


4.3.4.1

Het collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand en het verbruik bij het inhuizingsproces wordt overeenkomstig hoofdstuk 6 uitgevoerd.


4.4. Beëindiging van de levering op een grootverbruikaansluiting


4.4.1. Voorbereiding


4.4.1.1

De leverancier informeert de aangeslotene tenminste twintig werkdagen voorafgaand aan de eindeleveringsdatum over zijn voornemen om de levering te beëindigen.


4.4.2. De leverancier dient de eindeleveringsmelding in bij de netbeheerder


4.4.2.1

De actuele leverancier stuurt tenminste twaalf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen voor de eindeleveringsdatum een eindeleveringsmelding naar de netbeheerder, waarin is vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting,

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


4.4.3. De netbeheerder controleert de eindeleveringsmelding


4.4.3.1

Naar aanleiding van de eindeleveringsmelding controleert de netbeheerder of:

  1. de eindeleveringsmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de eindeleveringsdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste twaalf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde switchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting met dezelfde of een eerdere datum;

  5. de eindeleveringsmelding wordt ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier;

  6. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.4.3.2

Als alle controles uit 4.4.3.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 4.4.3.4. Als dat niet het geval is, wordt de eindelevering niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.4.3.3 beëindigd.


4.4.3.3

De netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de eindelevering naar aanleiding van 4.4.3.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de leverancier die de eindeleveringsmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de eindelevering:


    1. de eindeleveringsmelding is onvolledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de eindeleveringsdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de eindeleveringsmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde switchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding met dezelfde of een eerdere datum;


    5. de indienende leverancier is onjuist;


    6. de aansluiting is geblokkeerd voor automatische mutaties;

  6. indien aangeleverd in de eindeleveringsmelding: het referentienummer van de actuele leverancier.


4.4.3.4

De netbeheerder stuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de actuele leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: eindelevering;

  6. indien aangeleverd in de eindeleveringsmelding: het referentienummer van de actuele leverancier.


4.4.3.5

De netbeheerder stuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de actuele programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: eindelevering;


4.4.3.6

De netbeheerder stuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de eindeleveringsmelding aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de eindeleveringsdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: eindelevering;

  6. indien aangeleverd in de eindeleveringsmelding: het referentienummer van de actuele leverancier.


4.4.3.7

Ingeval de aangeslotene voorafgaand aan de eindeleveringsdatum tijdig alsnog recht op levering verkrijgt, meldt de leverancier dit aan de netbeheerder:

  1. door middel van een inhuizingsmelding, bedoeld in 4.3.1.1, indien hij de actuele leverancier van de aangeslotene is. De procedure wordt vervolgd vanaf 4.3.2.1;

  2. door middel van een switchmelding, bedoeld in 4.1.1.1, indien hij een nieuwe leverancier van de aangeslotene is. De procedure wordt vervolgd vanaf 4.1.2.1.


4.4.3.8

De netbeheerder beëindigt de procedure van een reeds bevestigd, maar nog niet geëffectueerd mutatieproces PV-switch of wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling, indien de eindelevering, bedoeld in 4.4.2.1, het desbetreffende mutatieproces annuleert.


4.4.4. De netbeheerder voert de eindelevering uit en communiceert dit


4.4.4.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8, tenzij een later ingediende leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding of uithuizingsmelding is ontvangen voor een eerdere of dezelfde mutatiedatum.


4.4.4.2

De netbeheerder informeert de meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.4.4.1.


4.4.5. Collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand


4.4.5.1

Het collecteren, vaststellen en distribueren van de meterstand en het verbruik bij het eindeleveringsproces wordt overeenkomstig hoofdstuk 6 uitgevoerd.


4.5. Individuele switch van programmaverantwoordelijke op een grootverbruikaansluiting


4.5.1. De leverancier dient de switch van programmaverantwoordelijke in bij de netbeheerder


4.5.1.1

De leverancier stuurt tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen voor de switchdatum namens de aangeslotene een programmaverantwoordelijkeswitchmelding, hierna te noemen een PV-switchmelding naar de netbeheerder. In de PV-switchmelding is opgenomen:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. indien de actuele leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de actuele leverancier.


4.5.2. De netbeheerder controleert de PV-switchmelding


4.5.2.1

Naar aanleiding van de switchmelding controleert de netbeheerder of:

  1. de PV-switchmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de PV-switchdatum ten opzichte van de datum van indienen tenminste vijf werkdagen en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de nieuwe programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  5. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmelding, inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting voor een eerdere of dezelfde datum;

  6. de switchmelding wordt ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier;

  7. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.5.2.2

Als alle controles uit 4.5.2.1 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 4.5.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de PV-switch niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.5.2.3 beëindigd.


4.5.2.3

De netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de PV-switch naar aanleiding van 4.5.2.2 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de PV-switchmelding aan de leverancier die de PV-switchmelding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de actuele leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de reden van het niet uitvoeren van de switch:


    1. de switchmelding is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de switchdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de nieuwe programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    5. de switchmelding conflicteert met een eerder bevestigde maar nog niet geëffectueerde inhuizingsmelding, uithuizingsmelding of eindeleveringsmelding voor een eerdere of dezelfde datum;


    6. de indienende leverancier is onjuist;


    7. de aansluiting is geblokkeerd voor automatische mutaties;

  7. indien aangeleverd in de PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.5.2.4

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de PV-switchmelding aan de leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV;

  7. indien aangeleverd in de PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.5.2.5

De netbeheerder verstuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de PV-switchmelding aan de oude programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de oude programmaverantwoordelijke;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV.


4.5.2.6

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de PV-switchmelding aan de nieuwe programmaverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV.


4.5.2.7

De netbeheerder verstuurt een verwervingsbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de PV-switchmelding aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de switchdatum;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe programmaverantwoordelijke;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: wijziging PV;

  7. indien aangeleverd in de PV-switchmelding: het referentienummer van de leverancier.


4.5.3. De netbeheerder voert de switch uit en communiceert dit


4.5.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


4.5.3.2

De netbeheerder informeert de leverancier, nieuwe programmaverantwoordelijke en meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.5.3.1.


4.6. Switch van meetverantwoordelijke op een grootverbruikaansluiting


4.6.1. Voorbereiding


4.6.1.1

De aangeslotene wijst een nieuwe meetverantwoordelijke aan, machtigt de nieuwe meetverantwoordelijke voor het afwikkelen van het proces switch van meetverantwoordelijke, hierna te noemen MV-switch en verstrekt daarbij de volgende gegevens:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. gewenste datum van ingang;

  3. voor zover van toepassing de wens voor een telemetriegrootverbruikmeetinrichting.


4.6.1.2

De nieuwe meetverantwoordelijke spreekt met de oude meetverantwoordelijke af wanneer en hoe de daadwerkelijke wisseling van het beheer en voor zover van toepassing van de meetinrichting wordt uitgevoerd. Betreft het een telemetriegrootverbruikmeetinrichting, dan wordt tevens afgesproken op welke wijze de data van de dag van verwisseling tussen beide meetverantwoordelijken wordt uitgewisseld. De data-aanlevering van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen op de dag van de switch is een verantwoordelijkheid van de nieuwe meetverantwoordelijke.


4.6.2. De meetverantwoordelijke dient de switch in bij de netbeheerder


4.6.2.1

Op grond van de in 4.6.1.1 bedoelde machtiging stuurt de nieuwe meetverantwoordelijke op de mutatiedatum en ten hoogste twintig werkdagen voor de beoogde mutatiedatum een melding MV-switch naar de netbeheerder. In de melding MV-switch is opgenomen:

  1. de switchdatum;

  2. de EAN-code van de aansluiting;

  3. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: “MV-switch”;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  5. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe meetverantwoordelijke;

  6. indien de meetverantwoordelijke dat wenst op te geven: het referentienummer van de meetverantwoordelijke.


4.6.2.2

Naar aanleiding van de in 4.6.2.1 bedoelde melding controleert de netbeheerder of:

  1. de melding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de switchdatum ten opzichte van de datum van indienen niet in het verleden en ten hoogste twintig werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de nieuwe meetverantwoordelijke geregistreerd staat in het MV-register;

  5. er geen eerder bevestigde, doch niet geëffectueerde MV-switchmeldingen zijn met betrekking tot dezelfde EAN-code;

  6. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.6.2.3

Als de in 4.6.2.2 genoemde controles een negatief resultaat geven, wordt de procedure gestopt en wordt de nieuwe meetverantwoordelijke uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding MV-switch op de hoogte gesteld van de reden waarom de procedure is gestopt. In het bericht wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe meetverantwoordelijke;

  4. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: “MV-switch”;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de MV-switch:


    1. de melding MV-switch is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de switchdatum voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de meetverantwoordelijke komt niet voor in het MV-register;


    5. de melding conflicteert met eerder ingediende, doch nog niet geëffectueerde meldingen;


    6. de aansluiting is geblokkeerd voor geautomatiseerde mutaties;

  6. indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de meetverantwoordelijke.


4.6.2.4

De netbeheerder verstuurt uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding MV-switch een verliesbericht aan de oude meetverantwoordelijke als alle controles, bedoeld in 4.6.2.2, een positief resultaat opleveren en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de oude meetverantwoordelijke;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe meetverantwoordelijke;

  5. de switchdatum;

  6. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: “MV-switch”.


4.6.2.5

De netbeheerder verstuurt uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding MV-switch een verwervingsbericht aan de nieuwe meetverantwoordelijke als alle controles, bedoeld in 4.6.2.2, een positief resultaat opleveren en vermeldt daarbij:

  1. a.

    de EAN-code van de aansluiting;

  2. b.

    de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. c.

    de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe meetverantwoordelijke;

  4. e.

    de bedrijfs-EAN-code van de oude meetverantwoordelijke;

  5. f.

    de switchdatum;

  6. g.

    de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: “MV-switch”;

  7. h.

    indien aangeleverd in de switchmelding: het referentienummer van de nieuwe meetverantwoordelijke.


4.6.3. De netbeheerder voert de switch uit en communiceert dit


4.6.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de nieuwe meetverantwoordelijke aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


4.6.3.2

De netbeheerder informeert de leverancier, de programmaverantwoordelijke en de nieuwe meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.6.3.1.


4.7. Plaatsing, wijziging of wegname van (het secundaire deel van) de meetinrichting


4.7.1. Voorbereiding


4.7.1.1

Bij een plaatsing, wijziging of wegname van het secundaire deel van de meetinrichting voor een elektriciteitsaansluiting of een plaatsing, wijziging of wegname van de meetinrichting voor een gasaansluiting wordt de toegang tot de meterruimte geregeld, overeenkomstig 4.3.1.1 van de Meetcode elektriciteit en 4.3.1.1 van de Meetcode gas RNB.


4.7.2. Uitvoeren van de plaatsing, wijziging of wegname van (het secundaire deel van) de meetinrichting


4.7.2.1

Indien de plaatsing, wijziging of wegname van het secundaire deel van de meetinrichting voor een elektriciteitsaansluiting of de plaatsing, wijziging of wegname van de meetinrichting voor een gasaansluiting in combinatie met een MV-switch wordt uitgevoerd, meldt de nieuwe meetverantwoordelijke het moment van de aanvang van de werkzaamheden bij de oude meetverantwoordelijke, zodat deze de laatste uitlezing van de weg te nemen meetinrichting kan verrichten. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.7.2.2

De nieuwe meetverantwoordelijke registreert de meterstand van de weg te nemen meetinrichting bij de wegname en de meterstand van de te plaatsen meetinrichting bij de plaatsing en bericht de meterstand bij wegname aan de oude meetverantwoordelijke. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.7.2.3

De nieuwe meetverantwoordelijke bericht de plaatsing of wijziging van het secundaire deel van de meetinrichting binnen vijf werkdagen nadat het secundaire deel van de meetinrichting is geplaatst aan de netbeheerder, indien de plaatsing of wijziging van de meetinrichting betrekking heeft op een elektriciteitsaansluiting, waarbij wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting waarbij de meetinrichting hoort;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe meetverantwoordelijke;

  4. de aanduiding dat het bericht betrekking heeft op een elektriciteitsaansluiting;

  5. van elk verwijderd telwerk:


    1. het nummer van de meetinrichting waarvan het telwerk deel uitmaakte


    2. de omschrijving van de te meten grootheid


    3. de vermenigvuldigingsfactor


    4. het aantal posities voor de komma


    5. de stand op het moment van buitengebruikstelling


    6. de datum en het tijdstip van buitengebruikstelling


    7. de aanduiding of er sprake is van een meetinrichting die op afstand uitleesbaar is;


    8. de tariefzone;


    9. de energierichting;

  6. een schatting van de hoeveelheid niet gemeten energie tussen de buitengebruikstelling van de oude meetinrichting en de ingebruikname van de nieuwe meetinrichting;

  7. van elk nieuw telwerk:


    1. het nummer van de meetinrichting waarvan het telwerk deel uitmaakt;


    2. de omschrijving van de te meten grootheid;


    3. de vermenigvuldigingsfactor;


    4. het aantal posities voor de komma;


    5. de stand op het moment van ingebruikname;


    6. de datum en het tijdstip van ingebruikname;


    7. de aanduiding of er sprake is van een meetinrichting die op afstand uitleesbaar is;


    8. de tariefzone;


    9. de energierichting.


4.7.2.4

De nieuwe meetverantwoordelijke bericht de plaatsing of wijziging van de meetinrichting binnen vijf werkdagen nadat de meetinrichting is geplaatst aan de netbeheerder, indien de plaatsing of wijziging van de meetinrichting betrekking heeft op een gasaansluiting, waarbij wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting waarbij de meetinrichting hoort;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de nieuwe meetverantwoordelijke;

  4. de aanduiding dat het bericht betrekking heeft op een gasaansluiting;

  5. van elk verwijderd telwerk:

    • het nummer van de gasmeter of het volumeherleidingsinstrument waarvan het telwerk deel uitmaakte;

    • de omschrijving van de te meten grootheid;

    • de vermenigvuldigingsfactor;

    • het aantal posities voor de komma;

    • de energierichting;

    • de stand op het moment van buitengebruikstelling;

    • de datum en het tijdstip van buitengebruikstelling;

  6. een schatting van het niet gemeten herleid volume in normaal kubieke meter [m3(n)] tussen de buitengebruikstelling van de oude meetinrichting en de ingebruikname van de nieuwe meetinrichting;

  7. van elk nieuw telwerk:

    • het nummer van de gasmeter of het volumeherleidingsinstrument waarvan het telwerk deel uitmaakt;

    • de omschrijving van de te meten grootheid;

    • de vermenigvuldigingsfactor;

    • het aantal posities voor de komma;

    • de energierichting;

    • de stand op het moment van ingebruikname;

    • de datum en het tijdstip van ingebruikname;

  8. de G-waarde van de gasmeter.


4.8. Beëindigen van de meetverantwoordelijkheid op een grootverbruikaansluiting


4.8.1. Informeren van de leverancier


4.8.1.1

De meetverantwoordelijke stelt de leverancier uiterlijk twee werkdagen na beëindiging van de beheerovereenkomst, als bedoeld in paragraaf 1.2.4 van de Meetcode elektriciteit en paragraaf 1.2.4 van de Meetcode gas RNB, hiervan op de hoogte indien de beheerovereenkomst tussen de meetverantwoordelijke en de afnemer die beschikt over een grootverbruikaansluiting wordt beëindigd. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.8.2. Beëindiging van de meetverantwoordelijkheid


4.8.2.1

De meetverantwoordelijke stuurt uiterlijk twee werkdagen na de datum waarop de beheerovereenkomst is beëindigd een melding beëindiging meetverantwoordelijkheid naar de netbeheerder, waarin is vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke;

  4. de einddatum van de beheerovereenkomst;

  5. indien de meetverantwoordelijke dat wenst op te geven: het referentienummer van de meetverantwoordelijke.


4.8.2.2

Naar aanleiding van de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid controleert de netbeheerder of:

  1. de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de einddatum van de beheerovereenkomst ten opzichte van de datum van indienen ten hoogste twee werkdagen in het verleden ligt;

  4. de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid wordt ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde meetverantwoordelijke;

  5. de aansluiting niet geblokkeerd is voor automatische mutaties.


4.8.2.3

Als alle controles uit 4.8.2.2 een positief resultaat geven, wordt de procedure vervolgd vanaf 4.8.2.5. Als dat niet het geval is, wordt de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.8.2.4 beëindigd.


4.8.2.4

De netbeheerder bericht het niet uitvoeren van de beëindiging meetverantwoordelijkheid naar aanleiding van 4.8.2.3 uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid aan de meetverantwoordelijke die de melding heeft ingediend en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke;

  4. de einddatum van de beheerovereenkomst;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de beëindiging meetverantwoordelijkheid:


    1. de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid is onvolledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de einddatum van de beheerovereenkomst voldoet niet aan de gestelde indientermijn;


    4. de indienende meetverantwoordelijke is onjuist;


    5. de aansluiting is geblokkeerd voor automatische mutaties;

  6. indien aangeleverd in de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid: het referentienummer van de meetverantwoordelijke.


4.8.2.5

De netbeheerder stuurt een verliesbericht uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid aan de meetverantwoordelijke en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de meetverantwoordelijke;

  4. de datum waarop de meetverantwoordelijkheid eindigt;

  5. de procesidentificatie die van toepassing is, te weten: einde meetverantwoordelijkheid;

  6. indien aangeleverd in de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid: het referentienummer van de meetverantwoordelijke.


4.8.2.6

De netbeheerder wijst uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de melding beëindiging meetverantwoordelijkheid de afnemer per brief op de gevolgen indien de afnemer niet binnen tien werkdagen na het einde van de beheerovereenkomst een nieuwe meetverantwoordelijke heeft aangewezen.


4.8.2.7

De netbeheerder voert de beëindiging meetverantwoordelijkheid uit, bedoeld in paragraaf 4.8.3, indien geen nieuwe meetverantwoordelijke zich meldt binnen tien werkdagen na de einddatum van de beheerovereenkomst.


4.8.3. De netbeheerder voert de beëindiging meetverantwoordelijkheid uit en communiceert dit


4.8.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de meetverantwoordelijke aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


4.8.3.2

De netbeheerder informeert de leverancier en programmaverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutaties, bedoeld in 4.8.3.1.


4.9. Aanleggen van een grootverbruikaansluiting


4.9.1

De netbeheerder registreert de aanleg van de aansluiting in het aansluitingenregister en legt tenminste de volgende gegevens in het aansluitingenregister vast:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "in aanleg";

  4. ingeval van een elektriciteitsaansluiting: de verblijfsfunctie of complexbepaling van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel m, te weten: "geen verblijfsfunctie, geen complex".


4.10. In bedrijf nemen van een grootverbruikaansluiting


4.10.1. Voorbereiding


4.10.1.1

De netbeheerder informeert, tenzij anders overeengekomen, de meetverantwoordelijke tenminste tien werkdagen voorafgaand aan de datum waarop de aansluiting in bedrijf wordt genomen over de geplande inbedrijfname. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.10.2. Inbedrijfname van de aansluiting en communicatie hierover door de netbeheerder


4.10.2.1

De netbeheerder informeert de meetverantwoordelijke op de datum waarop de aansluiting fysiek in bedrijf wordt genomen over de inbedrijfname van de aansluiting. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.10.2.2

Uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de aansluiting fysiek in bedrijf is genomen effectueert de netbeheerder de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "in bedrijf" in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


4.10.2.3

De netbeheerder informeert de leverancier, de programmaverantwoordelijke en de meetverantwoordelijke die voor de desbetreffende aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan, overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutatie, bedoeld in 4.10.2.2.


4.11. Uit bedrijf nemen van een grootverbruikaansluiting


4.11.1. Voorbereiding


4.11.1.1

De netbeheerder informeert de meetverantwoordelijke tenminste tien werkdagen voorafgaand aan de datum waarop de aansluiting uit bedrijf wordt genomen over de geplande uitbedrijfname. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.11.2. Uitbedrijfname van de aansluiting en communicatie hierover door de netbeheerder


4.11.2.1

De netbeheerder informeert de meetverantwoordelijke op de datum waarop de aansluiting fysiek uit bedrijf wordt genomen over de uitbedrijfname van de aansluiting. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.11.2.2

Uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de aansluiting fysiek uit bedrijf is genomen effectueert de netbeheerder de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "uit bedrijf" in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


4.11.2.3

De netbeheerder informeert de leverancier, de programmaverantwoordelijke en de meetverantwoordelijke die voor de desbetreffende aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan, overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutatie, bedoeld in 4.11.2.2.


4.12. Verwijderen van een grootverbruikaansluiting


4.12.1. Voorbereiding


4.12.1.1

De netbeheerder informeert de meetverantwoordelijke, indien mogelijk tenminste vijf werkdagen voorafgaand aan de datum waarop de aansluiting wordt verwijderd, over de geplande verwijdering van de aansluiting. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.12.2. Verwijdering van de aansluiting en communicatie hierover door de netbeheerder


4.12.2.1

De netbeheerder controleert, voorafgaand aan de effectuering in het aansluitingenregister, bedoeld in 4.12.2.4, of er voor de desbetreffende aansluiting nog eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitchmeldingen, inhuizingsmeldingen, uithuizingsmeldingen, eindeleveringsmeldingen of PV-switchmeldingen zijn.


4.12.2.2

Indien een of meerdere reeds bevestigde, doch nog niet geëffectueerde meldingen, bedoeld in 4.12.2.1, aanwezig zijn, verwijdert de netbeheerder deze meldingen, beëindigt de netbeheerder de procedure(s) en informeert de netbeheerder de leverancier hierover. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


4.12.2.3

De leverancier informeert de programmaverantwoordelijke over de verwijdering van eerder ingediende, doch nog niet geëffectueerde meldingen, zoals genoemd in 4.12.2.2.


4.12.2.4

Uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de aansluiting fysiek is verwijderd effectueert de netbeheerder de fysieke status van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel h, die van toepassing is, te weten: "gesloopt" in het aansluitingenregister overeenkomstig 2.1.8.


4.12.2.5

De netbeheerder informeert de leverancier, de programmaverantwoordelijke en de meetverantwoordelijke die voor de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staan, overeenkomstig paragraaf 2.2 omtrent de mutatie, bedoeld in 4.12.2.4.


4.13. Wijzigen van verblijfsfunctie of complexbepaling op een grootverbruikaansluiting


4.13.1. De leverancier dient het verzoek wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling in bij de netbeheerder


4.13.1.1

De leverancier stuurt een melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling op de werkdag voor de beoogde wijziging naar de netbeheerder, waarbij wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de gewijzigde verblijfsfunctie of complexbepaling;

  4. indien de leverancier dat wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


4.13.2. De netbeheerder controleert de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling


4.13.2.1

Naar aanleiding van de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling controleert de netbeheerder of:

  1. de melding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling wordt ingediend door de in het aansluitingenregister vermelde leverancier;

  4. er geen eerder bevestigde, doch nog niet geëffectueerde leverancierswitch-, inhuizings-, uithuizings- of eindeleveringsmelding is voor dezelfde aansluiting met dezelfde datum.


4.13.2.2

Als alle controles uit 4.13.2.1 een positief resultaat geven, wordt de wijziging verblijfsfunctie of complexbepaling uitgevoerd en wordt de procedure vervolgd vanaf 4.13.2.4. Als dat niet het geval is, wordt de wijziging verblijfsfunctie of complexbepaling niet uitgevoerd en wordt de procedure na 4.13.2.3 beëindigd.


4.13.2.3

Indien naar aanleiding van 4.13.2.2 de wijziging verblijfsfunctie of complexbepaling niet uitgevoerd wordt, bericht de netbeheerder dit uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling aan de leverancier die de melding heeft ingediend, waarbij wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. indien aangeleverd in de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling: het referentienummer van de leverancier;

  5. de reden voor het niet uitvoeren van de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling:


    1. de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code is onbekend;


    3. de indienende leverancier is onjuist;


    4. de melding verblijfsfunctie of complexbepaling conflicteert met een eerder bevestigde, maar nog niet geëffectueerde leverancierswitch-, inhuizings-, uithuizings- of eindeleveringsmelding.


4.13.2.4

De netbeheerder bevestigt de geplande uitvoering van de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling uiterlijk de werkdag na ontvangst van de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling aan de leverancier. De melding bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. indien aangeleverd in de melding wijzigen verblijfsfunctie of complexbepaling: het referentienummer van de leverancier.


4.13.3. De netbeheerder voert de wijziging verblijfsfunctie of complexbepaling uit en communiceert dit


4.13.3.1

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met de door de leverancier aangeleverde gegevens overeenkomstig 2.1.8.


4.13.3.2

De netbeheerder informeert de leverancier, programmaverantwoordelijke en meetverantwoordelijke overeenkomstig paragraaf 2.2.


4.14. Switch van de leverancier of de programmaverantwoordelijke bij de direct aangeslotene op het landelijk gastransportnet


4.14.1. De leverancier dient de switchmelding in bij de netbeheerder van het landelijk gastransportnet


4.14.1.1

Ten einde een switchmelding te kunnen doen verwerken, en voor zover van toepassing, meldt de nieuwe leverancier zich eenmalig aan als juridische entiteit bij de netbeheerder van het landelijk gastransportnet door middel van het daartoe bestemd en door genoemde netbeheerder beschikbaar gesteld aanmeldformulier.


4.14.1.2

Ingeval de direct aangeslotene van leverancier en/of programmaverantwoordelijke wisselt, stuurt de nieuwe leverancier de switchmelding naar de netbeheerder van het landelijke gastransportnet door middel van een daartoe bestemd switch-mutatieformulier.


4.14.1.3

De nieuwe leverancier stuurt de switchmelding bij voorkeur één maand doch uiterlijk vijf werkdagen voor de switchdatum naar de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, tenzij anders wordt overeengekomen. De switchmelding bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de naam van de direct aangeslotene;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de (nieuwe) programmaverantwoordelijke(n);

  4. de naam van de (nieuwe) programmaverantwoordelijke(n);

  5. de bedrijfs-EAN-code van de (nieuwe) leverancier(s);

  6. de naam van de (nieuwe) leverancier(s);

  7. de ingangsdatum/beëindigingsdatum van de bij de aansluiting behorende relatie(s) programmaverantwoordelijke(n) enerzijds en de leverancier(s) anderzijds;

  8. opmerkingen (vrij tekstveld).


4.14.2. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet controleert de switchmelding


4.14.2.1

Naar aanleiding van de switchmelding controleert de netbeheerder van het landelijk gastransportnet of:

  1. de switchmelding volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code behoort bij een aansluiting als bedoeld in 2.13.1;

  3. de switchdatum ten opzichte van de datum van de switchmelding ten minste vijf werkdagen in de toekomst ligt;

  4. de nieuwe leverancier als juridische entiteit bekend is als bedoeld in 4.14.1.1;

  5. de opgegeven programmaverantwoordelijke een transportovereenkomst heeft afgesloten met de netbeheerder van het landelijke gastransportnet voor het desbetreffende entry/exitpunt met een transportcapaciteit groter dan 0 op de ingangsdatum zoals genoemd in het in 4.14.1.2 bedoelde formulier.


4.14.2.2

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet wijst de switchmelding af die niet voldoet aan de vereisten a, b, d en e van het voorgaande artikel en stelt de nieuwe leverancier in staat om de switchmelding binnen een termijn van 5 werkdagen inhoudelijk aan te passen.


4.14.3. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet voert de switch uit en communiceert dit


4.14.3.1

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet muteert het aansluitingenregister naar aanleiding van de switchmelding die al dan niet na inhoudelijke aanpassing, voldoet aan de vereisten a, b, d en e van 4.14.2.1, dan wel ingeval van een niet-tijdige melding of een niet-tijdige inhoudelijke aanpassing, uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van de switchmelding die hier (uiteindelijk) aan voldoet.


4.14.3.2

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet informeert de desbetreffende leverancier(s) en programmaverantwoordelijk(en) over de mutatie zodra deze is geëffectueerd.


4.15. Beëindiging van levering bij de direct aangeslotene op het landelijk gastransportnet


4.15.1. De leverancier dient de eindeleveringsmelding in bij de netbeheerder van het landelijk gastransportnet


4.15.1.1

Ingeval de levering beëindigd wordt, stuurt de leverancier de eindeleveringsmelding naar de netbeheerder van het landelijk gastransportnet door middel van een daartoe bestemd eindeleveringsformulier.


4.15.1.2

De leverancier stuurt het eindeleveringsformulier uiterlijk één maand voor de einddatum van de levering naar de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. De eindeleveringsmelding bevat:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de naam van de direct aangeslotene;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de programmaverantwoordelijke(n);

  4. de naam van de programmaverantwoordelijke(n);

  5. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  6. de naam van de leverancier;

  7. de beëindigingsdatum van de van de bij de aansluiting behorende relatie(s) programmaverantwoordelijke(n) enerzijds en de leverancier relatie(s) anderzijds voor de aansluiting;

  8. in het vrije tekstveld de melding dat de levering wordt beëindigd.


4.15.2. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet controleert de eindeleveringsmelding


4.15.2.1

Naar aanleiding van de eindeleveringsmelding controleert de netbeheerder van het landelijk gastransportnet of:

  1. de EAN-code van de aansluiting voorkomt in het aansluitingenregister landelijk gastransport;

  2. de einddatum van de levering ten opzichte van de datum van indienen van de eindeleveringsmelding ten minste één maand in de toekomst ligt;

  3. er geen eerder bevestigde en nog niet geëffectueerde switchmelding is betreffende de relatie(s) programmaverantwoordelijke(n) enerzijds en de leverancier(s) anderzijds voor dezelfde aansluiting van dezelfde of een eerdere datum;

  4. de eindeleveringsmelding is ingediend door de in het aansluitingenregister landelijk gastransportnet vermelde leverancier.


4.15.2.2

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet wijst de eindeleveringsmelding af die niet voldoet aan de vereisten a, c en d van het voorgaande artikel en stelt de leverancier in staat om de eindeleveringsmelding aan te passen.


4.15.3. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet voert de eindelevering uit en communiceert dit


4.15.3.1

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet muteert het aansluitingenregister overeenkomstig 2.13.1 naar aanleiding van de eindeleveringsmelding die voldoet aan de vereisten a, c en d van 4.15.2.1, uiterlijk één maand nadat deze is ontvangen dan wel afdoende aan de genoemde vereisten is aangepast.


4.15.3.2

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet informeert de direct aangeslotene, de leverancier en de programmaverantwoordelijke(-n) over de mutatie zodra deze is geëffectueerd.


5. Meetgegevensprocessen ten behoeve van kleinverbruikaansluitingen


5.1. Collecteren, valideren, vaststellen en distribueren van meterstanden


5.1.1

Paragraaf 5.1 is niet van toepassing op onbemeten kleinverbruikaansluitingen.


5. Meetgegevensprocessen ten behoeve van kleinverbruikaansluitingen


5.1. Collecteren, valideren, vaststellen en distribueren van meterstanden


5.1.2. De leverancier collecteert meterstanden


5.1.2.1

Indien de allocatiemethode van een kleinverbruikaansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “profielallocatie” heeft, collecteert de leverancier voor deze kleinverbruikaansluiting ten minste eenmaal per 12 maanden een meterstand.


5.1.2.1a

Indien de allocatiemethode van een kleinverbruikaansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, collecteert de leverancier voor deze kleinverbruikaansluiting maandelijks een op afstand uitleesbare meterstand van de eerste kalenderdag van de desbetreffende maand.


5.1.2.2

De leverancier collecteert in het kader van een mutatieproces een meterstand die betrekking heeft op de mutatiedatum, zoals bedoeld in paragrafen 3.1 tot en met 3.4 en 3.15.


5.1.2.3

De leverancier meldt bij de opvraag, bedoeld in 5.1.2.1 of 5.1.2.2, aan de aangeslotene dat het niet (tijdig) verstrekken van de bedoelde meterstand leidt tot berekening of schatting van de meterstand.


5.1.3. De leverancier valideert meterstanden en stelt deze vast


5.1.3.1

De leverancier valideert de meterstand, bedoeld in 5.1.2, met uitzondering van de meterstand zoals bedoeld in artikel 5.1.2.1a, met behulp van de in het toegankelijk meetregister vermelde historische meterstanden en het uit het aansluitingenregister verkregen standaardjaarverbruik en controleert of de meterstand, indien van toepassing voor zowel het normaaltelwerk als het laagtelwerk, tussen de volgende validatiegrenzen ligt:

  1. Bovengrens = Vorige meterstand + 200% * [SOM fractie (Datumvorige meterstand : Datumte valideren meterstand)] * SJV / vermenigvuldigingsfactor

  2. Ondergrens = Vorige meterstand + 50% * [SOM fractie (Datumvorige meterstand : Datumte valideren meterstand)] * SJV / vermenigvuldigingsfactor;

  3. Bovengrens teruglevering (elektriciteit) = vorige meterstand + 5000 kWh / 365 * [SOM dagen (Datumvorige meterstand : Datumte valideren meterstand)];

  4. Ondergrens teruglevering (elektriciteit) = vorige meterstand.


5.1.3.2

De leverancier treedt in overleg met de aangeslotene indien de gecollecteerde meterstanden buiten de grenzen, bedoeld in 5.1.3.1, vallen, met als doel om:

  1. een nieuwe door de aangeslotene aangeleverde meterstand te verkrijgen, of;

  2. te constateren dat de op grond van artikel 5.1.2 gecollecteerde meterstand wel gebruikt kan worden en als gevalideerd wordt beschouwd.


5.1.3.3

De leverancier berekent de meterstand indien geen collectie op grond van paragraaf 5.1.2 heeft kunnen plaatsvinden of wanneer in overleg met de aangeslotene, bedoeld in 5.1.3.2, geen duidelijkheid is verkregen over de bruikbaarheid van de meterstand die buiten de validatiegrenzen, bedoeld in 5.1.3.1, valt. Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van de volgende algoritmen:

  1. Berekende meterstand (elektriciteit normaal) = Vorige meterstand (normaal)+ [SOM fractie (Datumvorige meterstand : Datumte berekenen meterstand)] * SJVnormaaluren / vermenigvuldigingsfactor;

  2. Berekende meterstand (elektriciteit laag) = Vorige meterstand (laag) + [SOM fractie (Datumvorige meterstand : Datumte berekenen meterstand)] * SJVlaaguren / vermenigvuldigingsfactor;

  3. Berekende meterstand (elektriciteit totaal) = Vorige meterstand (totaal) + [SOM fractie (Datumvorige meterstand : Datumte berekenen meterstand)] * SJV(normaal- + laaguren) / vermenigvuldigingsfactor;

  4. Berekende meterstand (gas) = Vorige meterstand+ [SOM fractie (Datumvorige meterstand : Datumte berekenen meterstand)] * SJV / (vermenigvuldigingsfactor * volumeherleidingsfactor), met inachtneming van 5.1.3.5;

  5. Berekende meterstand (teruglevering elektriciteit normaal) = vorige meterstand (teruglevering elektriciteit normaal);

  6. Berekende meterstand (teruglevering elektriciteit laag) = vorige meterstand (teruglevering elektriciteit laag).


5.1.3.4

De leverancier stelt de gevalideerde meterstand, bedoeld in 5.1.3.1 of 5.1.3.2 onderdeel b, of de berekende meterstand, bedoeld in 5.1.3.3, vast voor de opnamedatum bij een periodieke meterstand of voor de mutatiedatum bij een mutatieproces.


5.1.3.4a

De leverancier stelt de gecollecteerde meterstand als bedoeld in 5.1.2.1a vast op uiterlijk de vijftiende werkdag van de desbetreffende maand.


5.1.3.5

Gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 wordt in plaats van de volumeherleidingsfactor tijdelijk een afwijkende factor toegepast door de volumeherleidingsfactor te vermenigvuldigen met 1,008027. De tijdelijk toe te passen factor wordt daarmee 0,98408 (= 0,97624 x 1,008027).


5.1.4. De leverancier stuurt vastgestelde meterstanden naar de regionale netbeheerder


5.1.4.1

De leverancier verstuurt de vastgestelde meterstand, bedoeld in 5.1.3.4 en 5.1.3.4a, de werkdag na vaststelling, doch uiterlijk binnen de termijnen, bedoeld in 5.3.4.3, naar de regionale netbeheerder en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de van toepassing zijnde procesidentificatie;

  5. per telwerk de volgende gegevens;


    1. de meterstand;


    2. de datum waarop de meterstand betrekking heeft;


    3. aanduiding van de herkomst van de meterstand;


    4. in geval van elektriciteit de telwerkidentificatie;

  6. indien de leverancier dit wenst op te geven: het referentienummer van de leverancier.


5.2. Collecteren, valideren en vaststellen van fysieke meteropnames door de regionale netbeheerder voor de leverancier


5.2.1

Paragraaf 5.2 is niet van toepassing op onbemeten kleinverbruikaansluitingen.


5.2. Collecteren, valideren en vaststellen van fysieke meteropnames door de regionale netbeheerder voor de leverancier


5.2.2. De regionale netbeheerder neemt de meterstand fysiek op en stelt de meterstand voor de leverancier vast


5.2.2.1

De regionale netbeheerder voert fysieke meteropnames uit op kleinverbruikaansluitingen in de onderstaande gevallen:

  1. ten minste eenmaal in de 36 maanden bij kleinverbruikmeetinrichtingen die niet op afstand uitleesbaar zijn, met inbegrip van kleinverbruikmeetinrichtingen die administratief uit staan, door middel van aflezing op de meetinrichting bij de aangeslotene;

  2. in geval van de processen, bedoeld in paragrafen 3.8 tot en met 3.11 voor alle kleinverbruikmeetinrichtingen.


5.2.2.2

De regionale netbeheerder valideert voor de leverancier of de fysiek opgenomen meterstand binnen de validatiegrenzen, bedoeld in 5.1.3.1, valt. Indien de fysiek opgenomen meterstand buiten de validatiegrenzen valt, verifieert de regionale netbeheerder of de fysiek opgenomen meterstand op de kleinverbruikmeetinrichting weergegeven is.


5.2.2.3

De regionale netbeheerder stelt de fysiek opgenomen meterstand vast voor de leverancier die op het moment van de fysieke opname als leverancier op de desbetreffende aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staat, stelt deze stand in het toegankelijk meetregister beschikbaar en informeert de leverancier hierover.


5.3. Bepalen verbruik


5.3.1. De leverancier bepaalt het verbruik voor facturatie


5.3.1.1

De leverancier bepaalt het verbruik voor de facturatie, overeenkomstig paragrafen 5.3.2 en 5.3.3, op basis van vastgestelde meterstanden.


5.3.1.2

In afwijking van 5.3.1.1 zal de leverancier in geval van een schakelstoring in de meetinrichting, in overleg met de aangeslotene, het gemeten verbruik, op basis van de in het toegankelijk meetregister aanwezige meetreeks, en ten behoeve van de facturatie, verdelen naar normaal en laag tarief.


5.3.1.3

In afwijking van 5.3.1.1 zal de leverancier het door de netbeheerder op grond van 5.3.4 berekende en gecommuniceerde verbruik overnemen in zijn facturatie indien hij hiervoor niet zelf een verbruik kan bepalen door storing van de meetinrichting, niet zijnde een schakelstoring.


5.3.2. Verbruiksbepaling elektriciteit


5.3.2.1

Het verbruik voor de normaaluren wordt bepaald door het verschil te bepalen tussen de vastgestelde meterstand en de voorlaatste vastgestelde meterstand van het hoogtelwerk of normaaltelwerk en door dit verschil te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor van het telwerk.


5.3.2.2

Het verbruik voor de laaguren wordt bepaald door het verschil te bepalen tussen de vastgestelde meterstand en de voorlaatste vastgestelde meterstand van het laagtelwerk en door dit verschil te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor van het telwerk.


5.3.2.3

In afwijking van 5.3.2.1 wordt in het geval dat een meetinrichting beschikt over een totaaltelwerk en een laagtelwerk, het verbruik voor de normaaluren bepaald door het verschil te bepalen tussen de vastgestelde meterstand en de voorlaatste vastgestelde meterstand van het totaaltelwerk en dit verschil te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor van het telwerk en dit verbruik te verminderen met het verbruik voor het laagtelwerk.


5.3.2.4

In afwijking van 5.3.2.2 wordt in het geval dat een meetinrichting beschikt over een totaaltelwerk en een hoog- of normaaltelwerk, het verbruik voor de laaguren bepaald door het verschil te bepalen tussen de vastgestelde meterstand en de voorlaatste vastgestelde meterstand van het totaaltelwerk en dit verschil te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor van het telwerk en dit verbruik te verminderen met het verbruik voor het normaaltelwerk.


5.3.2.5

Het verbruik voor een kleinverbruikaansluiting zonder meetinrichting wordt door de regionale netbeheerder bepaald op basis van:

  1. het belastingprofiel dat overeenkomstig de systematiek beschreven in bijlage B2 wordt bepaald voor zover het een installatie voor openbare verlichting of een verkeersregelinstallatie betreft;

  2. het verbruiksprofiel dat overeenkomstig de systematiek beschreven in bijlage B1.3 wordt bepaald voor zover het een andere installatie dan een installatie voor openbare verlichting of een verkeersregelinstallatie betreft met dien ten verstande dat de regionale netbeheerder het standaardjaarverbruik bepaalt op basis van de gegevens genoemd in 2.1.3.6 van de Netcode elektriciteit.


5.3.2.6

Indien de meterbeheerder een defect heeft vastgesteld in de meetinrichting, niet zijnde een schakelstoring, of fraude met de meetinrichting heeft geconstateerd, zal de netbeheerder, in afwijking van 5.3.2.1 tot en met 5.3.2.4, het te veel of te weinig geregistreerde verbruik bepalen voor de periode dat de meetinrichting niet correct heeft gefunctioneerd op basis van één of meerdere van de volgende gegevens:

  1. (i)

    de in het toegankelijk meetregister aanwezige betrouwbare meetreeks;

  2. (ii)

    een met een herstelde meetinrichting gedurende twee maanden geregistreerd volume;

  3. (iii)

    een ijkrapport;

  4. (iv)

    indien door de desbetreffende klant aan de netbeheerder verstrekt, de productie-installatiegegevens.

Het aldus te veel of te weinig geregistreerde verbruik wordt gesaldeerd met het op basis van de artikelen 5.3.2.1 tot en met 5.3.2.4 te bepalen verbruik behorende bij de periode van de vastgestelde stand die als eerstvolgende op grond van paragraaf 5.5 niet meer te corrigeren zal zijn.


5.3.3. Verbruiksbepaling gas


5.3.3.1

Het verbruik wordt bepaald door het verschil te bepalen tussen de vastgestelde meterstand en de voorlaatste vastgestelde meterstand van het telwerk en door dit verschil te vermenigvuldigen met de gewogen calorische factor van het desbetreffende netgebied voor de betreffende verbruiksperiode, de vermenigvuldigingsfactor van het telwerk en de volumeherleidingsfactor. De onderdelen uit deze formule worden als volgt bepaald:

  1. de gewogen calorische factor voor de verbruiksperiode (GCFV) wordt berekend met de volgende formule:

  2. voor de bij de aansluiting horende profielcategorie wordt de som van de profielfracties berekend met de volgende formule:

    Somfractiesmaand x = Σ VPPC (h)

    Waarin:

    h = uren in maand x

    VPPC = de profielfracties van het verondersteld profiel van de profielcategorie in de desbetreffende verbruiksperiode, rekening houdend met het juiste temperatuurgebied

  3. de profielfracties voor een bepaalde verbruiksperiode worden berekend aan de hand van de volgende formule:

    VPPC = TOPPC + TAPPC

    Waarin:

    TOPPC = temperatuuronafhankelijke deel van het profiel

    TAPPC = temperatuurafhankelijke deel van het profiel

  4. indien TAC groter is dan TSTPC dan geldt TAPPC = 0

    Waarin:

    TAC = actuele temperatuurcoëfficient;

    TSTPC = stooktemperatuur

  5. indien TAC kleiner dan of gelijk aan TSTPC is dan geldt:

    TAPPC = RERPC x (TSTPC – TAC)

    Waarin:

    RERPC = regressiecoëfficient

  6. TOP, RER en TST worden beschikbaar gesteld door het platform bedoeld in B3.1.2.

  7. voor niet temperatuur gecorrigeerde meetinrichtingen is de volumeherleidingsfactor op grond van de 7-gradenmethode bepaald op 1 voor de verbruiksperiode tot 1 januari 2015 en op grond van de 15-gradenmethode bepaald op 0,97624 voor de verbruiksperiode vanaf 1 januari 2015, met inachtneming van 5.1.3.5.

  8. voor temperatuur gecorrigeerde meetinrichtingen wordt geen volumeherleidingsfactor toegepast.


5.3.3.2

Het verbruik voor kleinverbruikaansluitingen zonder meetinrichting wordt bepaald overeenkomstig B3.4.7.


5.3.3.3

Indien de meterbeheerder een defect heeft vastgesteld in de meetinrichting, of fraude met de meetinrichting heeft geconstateerd, zal de netbeheerder in afwijking van 5.3.3.1, het te veel of te weinig geregistreerde verbruik bepalen voor de periode dat de meetinrichting niet correct heeft gefunctioneerd op basis van één of meerdere van de volgende gegevens:

  1. (i)

    de in het toegankelijk meetregister aanwezige betrouwbare meetreeks;

  2. (ii)

    het met een herstelde meetinrichting gedurende twee maanden geregistreerde volume;

  3. (iii)

    een ijkrapport.

Het aldus te veel of te weinig geregistreerde verbruik wordt gesaldeerd met het op basis van artikel 5.3.3.1 te bepalen verbruik behorende bij de periode van de vastgestelde stand die als eerstvolgende op grond van paragraaf 5.5 niet meer te corrigeren zal zijn.


5.3.4. De regionale netbeheerder ontvangt de vastgestelde meterstanden van de leverancier en bepaalt het verbruik voor reconciliatie


5.3.4.1

Naar aanleiding van de ontvangen vastgestelde meterstand van de leverancier, bedoeld in 5.1.4.1, controleert de regionale netbeheerder of:

  1. het bericht met de vastgestelde meterstand volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voor komt in het aansluitingenregister;

  3. de aansluiting op de opnamedatum van de meterstand is voorzien van een meetinrichting;

  4. de leverancier die de vastgestelde meterstand heeft verstuurd op grond van de collectie van een periodieke meterstand, bedoeld in 5.1.2.1, als de leverancier op de aansluiting in het aansluitingenregister vermeld staat voor de opnamedatum, waarop de meterstand betrekking heeft;

  5. de leverancier die de vastgestelde meterstand heeft verstuurd op grond van de collectie van een meterstand bij een mutatieproces, bedoeld in 5.1.2.2, de leverancier is die het betreffende mutatieproces heeft geïnitieerd;

  6. het aantal vastgestelde meterstanden overeen komt met het aantal actieve telwerken van de meetinrichting;

  7. het aantal posities van de vastgestelde meterstanden niet groter is dan het aantal posities (telwielen) van de telwerken van de meetinrichting;

  8. de ontvangen vastgestelde periodieke meterstand, de meest recent vastgestelde meterstand is;

  9. de vastgestelde meterstand tijdig is ingediend, gelet op de mogelijkheid van de in 5.5.1.3 bedoelde wederpartij om hierover in dispuut te treden;

  10. de aansluiting een kleinverbruikaansluiting is.


5.3.4.2

Indien naar aanleiding van 5.3.4.1 de ontvangen meterstand niet verwerkt kan worden, bericht de regionale netbeheerder dit uiterlijk de werkdag na ontvangst van de vastgestelde meterstand aan de leverancier en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de reden van het niet verwerken van de vastgestelde meterstand:


    1. het bericht is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. de EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de aansluiting is op de opnamedatum van de meterstand niet voorzien van een meetinrichting;


    4. de leverancier is niet vermeld in het aansluitingenregister voor de opnamedatum;


    5. de leverancier is niet de leverancier die het mutatieproces heeft geïnitieerd;


    6. het aantal vastgestelde meterstanden komt niet overeen met het aantal actieve telwerken van de meetinrichting;


    7. het aantal posities van de vastgestelde meterstand is groter dan het aantal posities van het telwerk van de meetinrichting;


    8. de ontvangen vastgestelde periodieke meterstand is niet de meest recent vastgestelde meterstand;


    9. de vastgestelde meterstand is te laat ingediend waardoor de wederpartij als bedoeld in 5.5.1.3, hierover niet meer in dispuut kan treden;

    10. 10°

      de aansluiting is geen kleinverbruikaansluiting;

  3. indien aangeleverd in het bericht: het referentienummer van de leverancier.


5.3.4.3

De regionale netbeheerder collecteert een op afstand uitleesbare meterstand namens de leverancier, indien de leverancier in gebreke blijft en de regionale netbeheerder geen tijdig vastgestelde meterstand van de leverancier, bedoeld in 5.1.4.1, heeft ontvangen:

  1. binnen vijftien werkdagen na de mutatiedatum van het betreffende mutatieproces, bedoeld in 3.1 tot en met 3.4 en 3.15, of;

  2. binnen veertien maanden na de laatst vastgestelde meterstand, waarbij een meterstand wordt berekend en vastgesteld voor de datum van één jaar na de opnamedatum van de laatst vastgestelde meterstand, of

  3. binnen vijftien werkdagen na het begin van de maand waarop de meterstand, zoals bedoeld in 5.1.2.1a, betrekking heeft.


5.3.4.3a

Ter uitvoering van het bepaalde in 5.3.2.6, onder (ii) en 5.3.3.3, onder (ii), stelt de regionale netbeheerder namens de leverancier een stand vast.


5.3.4.3b

Indien de leverancier in gebreke blijft en de regionale netbeheerder geen tijdig vastgestelde meterstand zoals bedoeld in 5.1.4.1 van de leverancier heeft ontvangen, noch een op afstand uitleesbare meterstand kon verkrijgen zoals bedoeld in 5.3.4.3, berekent de regionale netbeheerder een meterstand namens de leverancier overeenkomstig 5.1.3.3:

  1. binnen vijftien werkdagen na de mutatiedatum van het betreffende mutatieproces, bedoeld in 3.1 tot en met 3.4 en 3.15, of

  2. binnen veertien maanden na de laatst vastgestelde meterstand, waarbij een meterstand wordt berekend en vastgesteld voor de datum van één jaar na de opnamedatum van de laatst vastgestelde meterstand.


5.3.4.4

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “profielallocatie” heeft, bepaalt de regionale netbeheerder het verbruik voor de reconciliatie, overeenkomstig 5.3.2 en 5.3.3, op basis van alle ontvangen vastgestelde meterstanden en namens de leverancier door de regionale netbeheerder vastgestelde meterstanden.


5.3.4.5

Indien de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft, bepaalt de regionale netbeheerder het verbruik overeenkomstig 5.3.2, op basis van:

  1. (i)

    de overeenkomstig 5.1.3.4a vastgestelde meterstanden;

  2. (ii)

    de overeenkomstig 5.3.4.3, onderdeel c gecollecteerde meterstanden;

  3. (iii)

    de overeenkomstig 5.3.4.3a vastgestelde meterstanden, of

  4. (iv)

    de overeenkomstig 5.3.4.3b berekende meterstanden.


5.3.5. De regionale netbeheerder distribueert de vastgestelde meterstand en verbruik voor reconciliatie


5.3.5.1

De regionale netbeheerder verstuurt uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de vastgestelde meterstand, bedoeld in 5.3.4.1, of uiterlijk vijf werkdagen nadat de regionale netbeheerder namens de leverancier een meterstand heeft bepaald en vastgesteld, bedoeld in 5.3.4.3, 5.3.4.3a en 5.3.4.3b, aan:

  1. de actuele leverancier de vastgestelde meterstand en het verbruik, bepaald in 5.3.4.4, in geval van een periodieke, tussentijdse of fysieke meteropname;

  2. de oude leverancier de vastgestelde meterstand en het verbruik, bepaald in 5.3.4.4, in geval van een leverancierswitch, uithuizing, eindelevering of inhuizing waarmee een uithuizing is uitgevoerd;

  3. de nieuwe leverancier de vastgestelde meterstand in geval van een leverancierswitch of inhuizing.


5.3.5.2

De regionale netbeheerder verstuurt de gegevens, bedoeld in 5.3.5.1, naar de leverancier(s), waarbij wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de regionale netbeheerder;

  3. de verbruiksperiode;

  4. de van toepassing zijnde procesidentificatie;

  5. identificatie van de meetinrichting;

  6. per telwerk de volgende gegevens:


    1. de beginstand met bijbehorende opnamedatum en herkomst van de meterstand;


    2. de eindstand met bijbehorende opnamedatum en herkomst van de meterstand;


    3. het verbruik;

  7. indien aangeleverd in de ontvangen vastgestelde meterstand: het referentienummer van de leverancier.


5.3.5.3

De regionale netbeheerder stelt de vastgestelde meterstand en verbruik uiterlijk vijf werkdagen na de ontvangst van de vastgestelde meterstand of uiterlijk vijf werkdagen nadat de regionale netbeheerder namens de leverancier een meterstand heeft vastgesteld, beschikbaar in het toegankelijk meetregister.


5.4. Bepalen standaardjaarverbruik


5.4.1. Bepalen van het standaardjaarverbruik


5.4.1.1

De regionale netbeheerder bepaalt het standaardjaarverbruik overeenkomstig bijlage B1.3 voor elektriciteitsaansluitingen en bijlage B3.4 voor gasaansluitingen.


5.4.1.2

Behoudens het bepaalde in B3.4.7 past de netbeheerder op 1 januari 2015 eenmalig het standaardjaarverbruik aan voor alle gasaansluitingen van de profielcategorieën G1A en G2A, door het bestaande standaardjaarverbruik te vermenigvuldigen met 0,98408.


5.4.1.2a

Behoudens het bepaalde in B3.4.7 past de netbeheerder op 1 januari 2017 eenmalig het standaardjaarverbruik aan voor alle gasaansluitingen van de profielcategorieën G1A en G2A, door het bestaande standaardjaarverbruik te delen door 1,008027.


5.4.1.3

De netbeheerder bepaalt het verbruik voor het bepalen van het standaardjaarverbruik gas overeenkomstig 5.3.3.1 waarbij voor letter g wordt gelezen: ‘voor niet temperatuur gecorrigeerde meetinrichtingen is de volumeherleidingsfactor op grond van de 15-graden methode bepaald op 0,97624’, met inachtneming van 5.1.3.5.


5.4.1.4

Indien er sprake is van een niet correct geregistreerd verbruik als gevolg van een defect in de meetinrichting, niet zijnde een schakelstoring, zal de netbeheerder in afwijking van 5.4.1.1 het standaard jaarverbruik vaststellen op het gemiddelde van het profiel.


5.4.1.5

Indien er sprake is van een niet correct geregistreerd verbruik als gevolg van een schakelstoring in de meetinrichting, zal de netbeheerder in afwijking van 5.4.1.1 een standaard jaarverbruik bepalen door de verhouding 40% normaal en 60% laag toe te passen op het vastgestelde totale standaard jaarverbruik.


5.5. Dispuutproces


5.5.1. Controleren meterstand en melding dispuut


5.5.1.1

Het dispuutproces wordt gebruikt om geschillen op te lossen tussen leveranciers en regionale netbeheerders over alle vastgestelde meterstanden, bedoeld in 5.1.3.4, 5.2.2.3 en 5.3.4.3, en, indien noodzakelijk, meterstanden te corrigeren.


5.5.1.2

De dispuuttermijn eindigt op de laatste kalenderdag van de derde maand na de maand waarin de dag valt waarop de vastgestelde meterstand betrekking heeft.


5.5.1.3

De regionale netbeheerder of leverancier die het dispuutproces start (hierna te noemen: de wederpartij) heeft tot twintig werkdagen, voordat de dispuuttermijn verstrijkt, de tijd om een vastgestelde meterstand te beoordelen en op basis van de tabel in bijlage 5 te besluiten om in dispuut te treden.


5.5.1.4

De wederpartij stuurt uiterlijk twintig werkdagen, voordat de dispuuttermijn verstrijkt, een dispuutmelding met een alternatieve meterstand naar de leverancier die de meterstand, bedoeld in 5.1.3.4 of 5.3.4.3, of naar de regionale netbeheerder die de meterstand, bedoeld in 5.2.2.3, heeft vastgesteld waartegen in dispuut wordt getreden (hierna te noemen: de initiërende partij). De meegestuurde alternatieve meterstand geldt voor de mutatiedatum waarop het dispuut betrekking heeft. In dit bericht worden vermeld:

  1. EAN-code van de aansluiting;

  2. de reden van het verzenden van het bericht, te weten: "meterstand in dispuut";

  3. de bedrijfs-EAN-code van de wederpartij;

  4. de bedrijfs-EAN-code van de initiërende partij;

  5. de van toepassing zijnde procesidentificatie;

  6. de identificatie van de meetinrichting;

  7. per telwerk de volgende gegevens:


    1. de meterstand;


    2. de datum waarop de meterstand betrekking heeft;


    3. aanduiding van de herkomst van de meterstand;


    4. in geval van elektriciteit: de telwerkindicatie;

  8. indien de wederpartij dit wenst op te geven: het referentienummer van de wederpartij;

  9. indien de wederpartij dit wenst op te geven: een toelichting.


5.5.2. Beoordelen alternatieve meterstand


5.5.2.1

De initiërende partij beoordeelt uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de dispuutmelding op basis van de tabel in bijlage 5 de ontvangen alternatieve meterstand van de wederpartij en besluit tot:

  1. het accepteren van de alternatieve meterstand en het proces wordt vervolgd vanaf 5.5.4.1;

  2. het niet accepteren van de alternatieve meterstand, zodat een overleg, zoals bedoeld in 5.5.2.2, noodzakelijk is.


5.5.2.2

Het overleg tussen de initiërende partij en wederpartij vindt plaats binnen vijf werkdagen na ontvangst van de alternatieve meterstand. Dit overleg kan leiden tot:

  1. overeenstemming over de vast te stellen meterstand en het proces wordt vervolgd vanaf 5.5.4.1;

  2. geen overeenstemming over de vast te stellen meterstand en een fysieke opname op basis van kosten ongelijk, bedoeld in 5.5.3.1, wordt ingepland.


5.5.2.3

De alternatieve meterstand is geaccepteerd door de initiërende partij, indien de initiërende partij niet tijdig heeft gereageerd op de ontvangst van de dispuutmelding van de wederpartij, als bedoeld in 5.5.2.1.


5.5.2.4

Indien de opnamedatum van de alternatieve stand die op basis van de in bijlage 5 opgenomen beslistabel wint, ligt buiten een periode van drie maanden voor de mutatiedatum van de vastgestelde stand waarop het dispuut betrekking heeft, dan kan de initiërende partij de dispuutmelding afwijzen, zodat een overleg, zoals bedoeld in 5.5.2.2, noodzakelijk is.


5.5.3. Fysieke opname op basis van kosten ongelijk


5.5.3.1

Na instemming van de initiërende partij en de wederpartij over de kosten van de fysieke opname op basis kosten ongelijk, laat de initiërende partij de fysieke opname naar aanleiding van 5.5.2.2, onderdeel b, uiterlijk vijf werkdagen voor het verstrijken van de dispuuttermijn uitvoeren.


5.5.3.2

De alternatieve meterstand van de wederpartij, bedoeld in 5.5.1.4, wordt geaccepteerd door de initiërende partij indien niet tijdig een fysieke opname op basis van kosten ongelijk heeft kunnen plaatsvinden, bedoeld in 5.5.3.1.


5.5.3.3

De initiërende partij accepteert:

  1. de oorspronkelijke meterstand op:

    1. (i)

      een levertelwerk, indien deze ligt tussen de op basis van interpolatie van de fysieke opname op basis kosten ongelijk afgeleide

      meterstand + 15% * SJV / vermenigvuldigingsfactor en de op basis van interpolatie van de fysieke opname op basis kosten ongelijk afgeleide

      meterstand – 15% * SJV / vermenigvuldigingsfactor;

    2. (ii)

      een teruglevertelwerk (elektriciteit), indien deze ligt tussen de op basis van interpolatie van de fysieke opname op basis kosten ongelijk afgeleide

      meterstand + 15% * 5000 kWh / vermenigvuldigingsfactor en de op basis van interpolatie van de fysieke opname op basis kosten ongelijk afgeleide

      meterstand – 15% * 5000 kWh / vermenigvuldigingsfactor.

  2. de op basis van interpolatie van de fysieke opname op basis kosten ongelijk afgeleide meterstand op de betreffende mutatiedatum, indien de oorspronkelijke meterstand buiten de grenzen, gesteld in 5.5.3.3, onderdeel a, valt.


5.5.3.4

De initiërende partij meldt het resultaat van de beoordeling uit 5.5.3.3 uiterlijk vijf werkdagen voor het verstrijken van de dispuuttermijn aan de wederpartij en het proces wordt vervolgd vanaf 5.5.4.1.


5.5.4. Vaststellen meterstand na dispuut


5.5.4.1

De initiërende partij stelt zo snel mogelijk doch uiterlijk vijf werkdagen voor het verstrijken van de dispuuttermijn een meterstand vast, indien de oorspronkelijk vastgestelde meterstand wordt herzien.


5.5.4.2

De initiërende partij, indien deze een leverancier is, verstuurt de in 5.5.4.1 vastgestelde meterstand binnen één werkdag na de vaststelling doch uiterlijk vijf werkdagen voor het verstrijken van de dispuuttermijn naar de regionale netbeheerder overeenkomstig paragraaf 5.1.4.


6. Meetgegevensprocessen ten behoeve van grootverbruikaansluitingen


6.1. Behandelen en verwerken van meetgegevens voor mutatieprocessen


6.1.1. De meetverantwoordelijke stelt de meterstand vast, berekent het verbruik en stuurt deze naar de netbeheerder


6.1.1.1

De meetverantwoordelijke stelt voor mutatieprocessen en voor de plaatsing, wijziging of wegname van grootverbruikmeetinrichtingen, zoals bedoeld in paragrafen 4.1 tot en met 4.4, 4.6 tot en met 4.8 en 4.10 tot en met 4.12, overeenkomstig 6.2 voor elektriciteitsaansluitingen en 6.4 voor gasaansluitingen, gevalideerde meterstand vast voor grootverbruikaansluitingen, die niet behoren tot de categorieën zoals genoemd in 6.1.1.2.


6.1.1.2

De meetverantwoordelijke stelt voor mutatieprocessen, zoals bedoeld in 6.1.1.1, geen meterstand vast voor gasaansluitingen behorend tot de afnamecategorie GGV, GXX, GIS of GIN, bedoeld in paragraaf 4.3.1 van de Allocatiecode gas, of voor elektriciteitsaansluitingen die onbemeten zijn op grond van 2.1.3.5 van de Netcode elektriciteit.


6.1.1.3

De meetverantwoordelijke stuurt de vastgestelde meterstand en indien geen sprake is van een proces volgens paragraaf 4.3 of 4.10, het berekende verbruik, zoals bedoeld in 6.1.1.1, uiterlijk de tiende werkdag van de maand volgend op de mutatiedatum aan de netbeheerder.


6.1.1.4

De netbeheerder stelt namens de meetverantwoordelijke een verbruik vast, indien de netbeheerder voor de mutatieprocessen als bedoeld in de paragrafen 4.1, 4.2, 4.4, 4.11 en 4.12 de tiende werkdag van de maand volgend op de mutatiedatum geen vastgestelde meterstand en verbruik heeft ontvangen.


6.1.1.5

De netbeheerder stuurt uiterlijk de vijftiende werkdag van de maand volgende op de mutatiedatum de meetgegevens, bedoeld in 6.1.1.4, naar de meetverantwoordelijke. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


6.1.1.6

De meetverantwoordelijke verwerkt de meetgegevens, bedoeld in 6.1.1.5.


6.1.2. De netbeheerder distribueert de meetgegevens


6.1.2.1

De netbeheerder verstuurt uiterlijk de vijftiende werkdag van de maand volgend op de mutatiedatum de meetgegevens, zoals bedoeld in 6.1.1.3 of 6.1.1.4, naar de leverancier, waarbij wordt vermeld:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier;

  4. de startdatum van de verbruiksperiode;

  5. de einddatum van de verbruiksperiode;

  6. het verbruik, bedoeld onder 6.1.1.3 of 6.1.1.4;

  7. de meterstand behorend bij de mutatiedatum.


6.2. Valideren en vaststellen van meetgegevens elektriciteit door de meetverantwoordelijke


6.2.1. Validatie van meetgegevens


6.2.1.1

In geval van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting wordt de meting op de dag van de verzameling van de meetgegevens door de meetverantwoordelijke op volledigheid gevalideerd aan de hand van de volgende criteria:

  1. status in de meetinrichting aangaande de meting of de meetwaarde en status van het meetkanaal geeft geen indicatie van een fout;

  2. tijdsynchroniteit van de meetinrichting en meetperiode blijft binnen de in 4.3.5.3 tot en met 4.3.5.5 van de Meetcode elektriciteit aangegeven normen;

  3. alle meetperioden zijn aanwezig en bevatten een meetwaarde.


6.2.1.2

In geval van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting worden de gecollecteerde meetgegevens op de dag van de verzameling van de meetgegevens door de meetverantwoordelijke op juistheid gevalideerd aan de hand van de volgende criteria:

  1. in geval van een hoofdmeting en een controlemeting is het verschil per dag in de hoeveelheid energie gemeten door de hoofdmeting en de controlemeting kleiner dan tweemaal de geldende nauwkeurigheidsklasse van de meetinrichting zoals bepaald in bijlage B1 van de Meetcode elektriciteit vermenigvuldigd met het daguitwisseling van de hoofdmeter;

  2. de gemeten hoeveelheid energie is groter dan of gelijk aan nul;

  3. de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie per meetperiode is kleiner dan 120% van het nominale capaciteit van de meetinrichting;

  4. de gemeten hoeveelheid energie is niet langer dan een week gelijk aan nul.


6.2.1.3

De op grond van 6.2.1.1 of 6.2.1.2 afgekeurde meetgegevens worden, voor zover mogelijk, automatisch gerepareerd overeenkomstig 5.4.3 van de Meetcode elektriciteit opdat ze alsnog aan 6.2.1.1 en 6.2.1.2 voldoen.


6.2.1.4

In geval van een profielgrootverbruikmeetinrichting en een productiemeetinrichting worden de verzamelde meetgegevens gevalideerd op volledigheid en op juistheid aan de hand van de volgende criteria:

  1. de voor de bepaling van de hoeveelheid uitgewisselde energie benodigde tellerstanden zijn beschikbaar;

  2. de gemeten hoeveelheid met het net uitgewisselde energie is groter dan 50% van de hoeveelheid die op grond van de uitwisseling tijdens de voorafgaande periode zou mogen worden verwacht;

  3. de gemeten hoeveelheid met het net uitgewisselde energie is kleiner dan 200% van de hoeveelheid die op grond van de uitwisseling tijdens de voorafgaande periode zou mogen worden verwacht.


6.2.1.5

Indien de meetgegevens bedoeld in 6.2.1.4 niet voldoen aan de in 6.2.1.4 genoemde validatiecriteria, worden de meetgegevens door de meetverantwoordelijke (opnieuw) af- of uitgelezen of wordt in overleg met de aangeslotene vastgesteld of de gemeten hoeveelheid overeenkomt met de hoeveelheid die zou mogen worden verwacht.


6.2.1.6

Indien de meetgegevens bedoeld in 6.2.1.4 wel voldoen aan de in 6.2.1.4 genoemde validatiecriteria, worden de meetgegevens door de meetverantwoordelijke vastgesteld.


6.2.1.7

De validatie en vaststelling zoals bedoeld in 6.2.1.4 en 6.2.1.6 vindt plaats uiterlijk de werkdag na de dag van verzameling van meetgegevens zoals bedoeld in 5.2 van de Meetcode elektriciteit.


6.2.2. Overdracht van meetgegevens aan de netbeheerder


6.2.2.1

In geval van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting past de meetverantwoordelijke de vermenigvuldigingsfactor toe op de in het validatieproces goedgekeurde meetgegevens alvorens deze te verzenden aan de netbeheerder opdat de werkelijke hoeveelheid met het net uitgewisselde energie in het overdrachtspunt van de aansluiting wordt verzonden.


6.2.2.2

De op grond van 6.2.2.1 tot stand gekomen meetgegevens inzake alle aansluitingen waarvoor hij meetverantwoordelijkheid draagt, worden tezamen met de op basis van 3.3.3.4 van de Meetcode elektriciteit bepaalde meetgegevens, op de eerstvolgende werkdag vóór 10:00 uur door de meetverantwoordelijke verzonden aan de netbeheerder.


6.2.2.3

Eventuele niet-automatisch gerepareerde meetgegevens, bedoeld in 6.2.2.1, van een bepaalde dag worden, samen met de naar aanleiding van 5.5.1 van de Meetcode elektriciteit gecorrigeerde meetgegevens, vóór 10:00 uur op de vijfde werkdag na de desbetreffende dag door de meetverantwoordelijke als zodanig gekenmerkt verzonden aan de netbeheerder.


6.2.2.4

De mede naar aanleiding van 5.5.1 van de Meetcode elektriciteit vastgestelde definitieve meetgegevens, zoals bedoeld in 6.2.2.1, van een bepaalde dag worden vóór 24:00 uur van de negende werkdag na de desbetreffende dag door de meetverantwoordelijke verzonden aan de netbeheerder.


6.2.2.5

Alle meetgegevens, zoals bedoeld in 6.2.2.1, die zijn afgekeurd in het validatieproces worden in het bericht waarmee ze worden verzonden aangemerkt als voorlopige meetgegevens. Wanneer meetgegevens binnen de in 6.2.2.4 genoemde termijn niet opnieuw worden aangeleverd, dan worden deze na tien werkdagen definitief.


6.2.2.6

Maandelijks, uiterlijk de tiende werkdag van de maand na de maand waarop de meetgegevens, zoals bedoeld in 6.2.2.1 betrekking hebben, verstrekt de meetverantwoordelijke aan de netbeheerder:

  1. de werkelijke (gecorrigeerde) hoeveelheid met het net uitgewisselde energie, onderscheiden naar normaaluren en laaguren, in het overdrachtspunt van de aansluiting, waarbij in geval van een meetinrichting met één telwerk deze beide hoeveelheden worden bepaald op basis van de 15-minutenwaarden;

  2. de tellerstand(en) (normaaltelwerk en laagtelwerk of in geval van een meetinrichting met één telwerk: enkeltelwerk);

  3. de bij de tellerstanden behorende vermenigvuldigingsfactoren;

  4. indien van toepassing de kWmax of de hoeveelheid met het net uitgewisselde blindenergie.

Deze overdracht van meetgegevens vindt plaats uiterlijk de tiende werkdag van de maand na de maand waarop de meetgegevens betrekking heeft en overeenkomstig hetgeen daaromtrent in 3.8 en 4.1 van de Systeemcode elektriciteit is bepaald, waarbij voor ‘erkende programmaverantwoordelijke’ dient te worden gelezen ‘meetverantwoordelijke’.


6.2.2.7

In geval van een profielgrootverbruikmeetinrichting op een aansluiting groter dan 3x80A en een productiemeetinrichting, worden de meetgegevens bedoeld in 6.2.1.4 maandelijks, uiterlijk op de tiende werkdag na de dag van vaststelling zoals bedoeld in 6.2.1.6 aan de netbeheerder verstrekt.


6.2.2.8

In geval van een profielgrootverbruikmeetinrichting op een aansluiting kleiner dan of gelijk aan 3x80A, worden de meetgegevens bedoeld in 6.2.1.4 jaarlijks, uiterlijk op de tiende werkdag na de dag van vaststelling zoals bedoeld in 6.2.1.6 aan de netbeheerder verstrekt.


6.2.2.9

Alle op grond van 5.4.3.1 of 5.4.3.2 van de Meetcode elektriciteit automatisch gerepareerde meetgegevens worden overeenkomstig 6.2.1.1 en 6.2.1.2 gevalideerd alvorens als definitief te kunnen worden vastgesteld.


6.2.2.10

Indien onvolledige of onjuiste meetgegevens niet automatisch kunnen worden gerepareerd, vervangt de meetverantwoordelijke handmatig de meetgegevens door nullen dan wel voorlopige waarden. De definitieve meetgegevens worden binnen de daarvoor in 6.2.2.3 vastgestelde periode gerepareerd.


6.2.2.11

Voor reparaties die niet op een van de in 6.2.2.9 of 6.2.2.10 bedoelde wijzen kunnen worden uitgevoerd, moet in overleg met de aangeslotene, de netbeheerder, de leverancier en de desbetreffende programmaverantwoordelijke een afspraak worden gemaakt over het repareren van de meetgegevens. Indien een meetverantwoordelijke niet de mogelijkheid heeft om meetgegevens te collecteren en te valideren voor de vijfde werkdag na de dag waarop de meetgegevens betrekking hebben, dient de meetverantwoordelijke een schatting te maken die overeenkomstig 6.2.2.3 aan de netbeheerder wordt overgedragen. De meetverantwoordelijke legt de gemaakte schatting voor aan de aangeslotene, netbeheerder, programmaverantwoordelijke en leverancier zodat hij voor de overeenkomstig 6.2.2.4 uit te voeren acties instemming kan hebben ontvangen van betrokken partijen.


6.2.2.12

De meetverantwoordelijke registreert alle reparaties die overeenkomstig 6.2.2.9 tot en met 6.2.2.11 zijn uitgevoerd en verstrekt de aangeslotene en de netbeheerder desgevraagd een rapportage over deze reparaties.


6.2.2.13

Desgevraagd geeft de meetverantwoordelijke aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet inzage in de registratie met betrekking tot de onder 6.2.2.12 genoemde reparaties.


6.2.2.14

Onvolkomenheden aan de meetinrichting die leiden tot aanpassing van de onder 4.3.3.2 van de Meetcode elektriciteit bedoelde meetgegevens alsmede onvolkomenheden met betrekking tot de verzameling van meetgegevens worden binnen vijf werkdagen na constatering door de meetverantwoordelijke gemeld aan de netbeheerder.


6.2.2.15

Indien na het verstrijken van de tiende werkdag na de maand waarop de meetgegevens betrekking hebben wordt geconstateerd dat er, als gevolg van een onvolkomenheid aan de meetinrichting of de verzameling van meetgegevens, sprake is van onjuiste meetgegevens, wordt door de meetverantwoordelijke de werkelijke hoeveelheid met het net uitgewisselde energie in de desbetreffende maand en het voor de allocatie aangeleverde volume aan de aangeslotene doorgegeven binnen tien werkdagen na de maand waarin de onvolkomenheid geconstateerd is. De meetverantwoordelijke informeert binnen deze termijn de programmaverantwoordelijke, leverancier en netbeheerder over de aan de aangeslotene verstrekte informatie. Tevens verzendt de meetverantwoordelijke aan de netbeheerder een nieuw bericht met de juiste maand meetgegevens binnen dezelfde termijn. De netbeheerder verwerkt dit nieuw verkregen bericht met maandmeetgegevens uiterlijk de vijftiende werkdag van de daaropvolgende maand.


6.2.2.16

Indien na het verstrijken van de tiende werkdag na de maand, waarop de meetgegevens betrekking hebben, wordt geconstateerd dat er, als gevolg van een onvolkomenheid in de meetinrichting, sprake is van onjuiste meetgegevens in het allocatieproces, wordt door de meetverantwoordelijke binnen een maand een overleg geïnitieerd met aangeslotene, netbeheerder, programmaverantwoordelijke en leverancier met als doel overeenstemming te bereiken over een schatting van het werkelijke met het net uitgewisselde energie. Indien binnen een periode van drie maanden na informeren van de onvolkomenheid in de meetinrichting geen overeenstemming is bereikt tussen partijen beslist de netbeheerder over het door de meetverantwoordelijke te communiceren volume. De meetverantwoordelijke communiceert het overeengekomen volume overeenkomstig 6.2.2.15.


6.2.3. Uitwisselen van meetgegevens tussen meetverantwoordelijke en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet


6.2.3.1

Een meetverantwoordelijke rapporteert, uiterlijk 20 werkdagen na het einde van de kalendermaand, aan de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet een maandelijks overzicht met daarin:

  1. Het aantal aansluitingen dat op enig moment in de desbetreffende maand telemetriegrootverbruikaansluiting is geweest;

  2. De met het net uitgewisselde hoeveelheid energie, die is verwerkt in de dagelijkse berichten met meetgegevens overeenkomstig 6.2.2.4;

  3. De met het net uitgewisselde hoeveelheid energie, die is verwerkt in de maandelijkse berichten met meetgegevens;

  4. Voor aansluitingen waar een afwijking is geconstateerd:


    1. Het aantal aansluitingen


    2. De met het net uitgewisselde hoeveelheid energie, die is verwerkt in de dagelijkse berichten met meetgegevens overeenkomstig 6.2.2.3;


    3. De met het net uitgewisselde hoeveelheid energie, die is verwerkt in de maandelijkse berichten met meetgegevens overeenkomstig 6.2.2.6;


    4. Het aantal aansluitingen met een aansluitcapaciteit groter dan 1 MVA waarvoor aan de meetgegevens op grond van 6.2.2.3 in de dagelijkse berichten met meetgegevens een andere status is gegeven dan “gemeten en gevalideerd”;

  5. Het aantal gebeurtenissen, dat een meetverantwoordelijke aan de aangeslotene, netbeheerder, programmaverantwoordelijke of leverancier kenbaar heeft gemaakt, overeenkomstig 6.2.2.15;

  6. Het aantal gebeurtenissen, dat een meetverantwoordelijke aan de aangeslotene, netbeheerder, programmaverantwoordelijke of leverancier kenbaar heeft gemaakt, overeenkomstig 6.2.2.16.


6.2.3.2

De beheerder van het landelijk hoogspanningsnet publiceert maandelijks de gecumuleerde landelijke gegevens zoals deze op basis van 6.2.3.1 gerapporteerd zijn.


6.2.3.3

Voor de in 6.2.3.1 beschreven rapportage gebruikt de meetverantwoordelijke het format dat door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, na overleg met de meetverantwoordelijke, is verstrekt.


6.3. Verwerken en distribueren van meetgegevens van elektriciteitsaansluitingen door de netbeheerder


6.3.1. Algemeen


6.3.1.1

De netbeheerder maakt bij het samenstellen van de meetgegevens die volgens deze paragraaf worden doorgegeven, gebruik van meetgegevens, geregistreerd door meetinrichtingen op aansluitingen, die hij op grond van paragraaf 6.2 van deze code van de desbetreffende meetverantwoordelijken ontvangt en van de meetgegevens geregistreerd door de meetinrichtingen in het (de) overdrachtspunt(en) van de aansluitingen van zijn net met andere netten.


6.3.1.2

De netbeheerder bewaakt, mede op basis van zijn aansluitingenregister, de ontvangst van meetgegevens van aangeslotenen, die hij op grond van paragraaf 6.2 van deze code van de desbetreffende meetverantwoordelijken moet ontvangen op volledigheid. Bij geconstateerde tekortkomingen informeert de netbeheerder de meetverantwoordelijke en stelt hij de desbetreffende meetverantwoordelijke zonodig in gebreke. Indien de meetverantwoordelijke de eventueel geconstateerde tekortkomingen zoals bedoeld in 4.1a.1 van de Meetcode elektriciteit niet opheft, meldt de netbeheerder dit aan de aangeslotene, aan de Autoriteit Consument en Markt en aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Indien dit noodzakelijk is voor de voortgang van de in deze paragraaf beschreven processen, worden de desbetreffende meetgegevens overeenkomstig de in 6.3.5.10 vastgesteld en geeft de netbeheerder daarbij aan dat er sprake is van overeenkomstig 6.3.5.10 vastgestelde meetgegevens.


6.3.1.3

De netbeheerder geeft de meetgegevens van aangeslotenen, die hij op grond van paragraaf 6.2 van deze code van de desbetreffende meetverantwoordelijken ontvangt, door.


6.3.1.4

De in 6.3.5 tot en met 6.3.12 bedoelde overdracht van meetgegevens en indiening van verzoeken vindt plaats overeenkomstig het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in hoofdstuk 9.


6.3.2. Beoordelen volledigheid ontvangen van meetgegevens


6.3.2.1

De netbeheerder controleert telkens onmiddellijk na afloop van de in 6.2.2.2 en 6.2.2.3 genoemde termijnen en op basis van zijn aansluitingenregister de ontvangst van meetgegevens van aangeslotenen, die hij van de desbetreffende meetverantwoordelijken heeft ontvangen, op volledigheid aan de hand van de volgende criteria:

  1. Voor een aansluiting uit het aansluitingenregister zijn van de daar vermelde meetverantwoordelijke geen meetgegevens ontvangen;

  2. De voor een aansluiting ontvangen meetgegevens passen naar het oordeel van de netbeheerder niet bij de capaciteit van de desbetreffende aansluiting;

  3. Een meetverantwoordelijke levert meetgegevens aan van een aansluiting waarvoor in het aansluitingenregister een andere meetverantwoordelijk staat vermeld;

  4. Voor een aansluiting hanteert de meetverantwoordelijke een langere periode voor het schatten van meetgegevens dan volgens 5.4 van de Meetcode elektriciteit is toegestaan.


6.3.2.2

Indien voor een aansluiting een van de criteria uit 6.3.2.1 van toepassing is, dan richt de netbeheerder een herzieningsverzoek aan de desbetreffende meetverantwoordelijke om nieuwe of aanvullende meetgegevens aan te leveren.


6.3.3. Afhandeling verzoeken tot hernieuwd vaststellen van meetgegevens


6.3.3.1

De door de netbeheerder, op basis van 3.7.10 van de Systeemcode elektriciteit, van een programmaverantwoordelijke ontvangen verzoeken tot aanpassing van de hem eerder op basis van 6.3.6.4 en 6.3.7.3 toegezonden meetgegevens zullen door de netbeheerder worden afgehandeld voor de termijn waarop 6.3.7 respectievelijk 6.3.8 van toepassing is.


6.3.3.2

Verzoeken op basis van 3.7.10 van de Systeemcode elektriciteit neemt de netbeheerder aan wie het verzoek is gericht niet in behandeling wanneer meer dan vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop hij overeenkomstig 6.3.6.4 of 6.3.7.3 de meetgegevens aan die programmaverantwoordelijke heeft verzonden, tenzij de programmaverantwoordelijke de fout waarvan hij correctie verzoekt redelijkerwijs niet binnen die termijn heeft kunnen opmerken.


6.3.3.3

Voor zover het in 6.3.3.1 genoemde verzoek geen betrekking heeft op onjuiste toerekening van meetgegevens aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke, stelt de netbeheerder de desbetreffende meetverantwoordelijke vóór 10:00 uur van de eerstvolgende werkdag na de dag van ontvangst van het verzoek, op de hoogte van het verzoek van de programmaverantwoordelijke. Daarbij worden de door de programmaverantwoordelijke voorgestelde meetgegevens meegezonden.


6.3.4. Afhandeling verzoeken tot hernieuwd toerekenen definitieve volumes


6.3.4.1

Indien de netbeheerder van een programmaverantwoordelijke een verzoek op basis van 3.7.11 van de Systeemcode elektriciteit heeft ontvangen dan voert hij 6.3.9 onverwijld uit.


6.3.5. Overdracht van meetgegevens in het kader van programmaverantwoordelijkheid


6.3.5.1

In afwijking van 6.3.1.1 gaat de netbeheerder voor het samenstellen van de meetgegevens ten behoeve van programmaverantwoordelijkheid van grootverbruikers die beschikken over een profielgrootverbruikmeetinrichting, uit van het verbruiksprofiel dat overeenkomstig de systematiek beschreven in bijlage 1 bij deze code is vastgesteld.


6.3.5.2

In afwijking van 6.3.1.1 gaat de netbeheerder voor het samenstellen van de meetgegevens ten behoeve van programmaverantwoordelijkheid van grootverbruikers die op grond van 2.1.3.5 en volgende van de Netcode elektriciteit niet beschikken over een meetinrichting, uit van:

  1. het belastingprofiel dat overeenkomstig de systematiek beschreven in bijlage 2 bij deze code is vastgesteld voor zover het een installatie voor openbare verlichting of een verkeersregelinstallatie betreft;

  2. het verbruiksprofiel dat overeenkomstig de systematiek beschreven in bijlage 1 bij deze code is vastgesteld voor zover het een andere installatie dan een installatie voor openbare verlichting of een verkeersregelinstallatie betreft.


6.3.5.3

Op de in 6.3.5.1 en 6.3.5.2 bedoelde meetgegevens zijn, voor zover van toepassing, de bepalingen 6.3.1.1 tot en met 6.3.1.4 van toepassing, met dien verstande dat in 6.3.1.1 in plaats van “geregistreerd door meetinrichtingen op aansluitingen” moet worden gelezen “bepaald op grond van 6.3.5.1 en 6.3.5.2 voor de gezamenlijke aansluitingen per profielcategorie met elk een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 0,1 MW”.


6.3.5.4

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de andere netbeheerders leggen de in 6.3.1.1 en 6.3.5.1 bedoelde meetgegevens met betrekking tot de aansluitingen op hun netten per programmaverantwoordelijke, per leverancier en per profielcategorie per programmatijdseenheid vast in dagrapporten.


6.3.5.5

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de andere netbeheerders, ieder voor het eigen net, leggen de in 6.3.1.1 bedoelde meetgegevens met betrekking tot de aansluitingen als bedoeld in 5.1.2.3 van de Netcode elektriciteit per programmatijdseenheid vast in separate dagrapporten.


6.3.5.6

De netbeheerder verzamelt ten behoeve van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de hoeveelheid met zijn net uitgewisselde energie per programmatijdseenheid voor iedere programmaverantwoordelijke.


6.3.5.7

De netbeheerder verzamelt ten behoeve van iedere programmaverantwoordelijke de hoeveelheid met zijn net uitgewisselde energie per programmatijdseenheid:

  1. voor de aansluitingen waarvoor de desbetreffende programmaverantwoordelijke programmaverantwoordelijkheid draagt en waarvan de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “telemetrie” heeft: per aansluiting;

  2. voor de aansluitingen waarvoor de desbetreffende programmaverantwoordelijke programmaverantwoordelijkheid draagt en waarvan de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3, onderdeel s, de waarde “profielallocatie” heeft: per profielcategorie en per leverancier;

  3. voor de aansluitingen waarvoor de desbetreffende programmaverantwoordelijke programmaverantwoordelijkheid draagt en waarvan de allocatiemethode van de aansluiting, bedoeld in 2.1.3 onderdeel s, de waarde “slimme-meter-allocatie” heeft: per leverancier.


6.3.5.8

Waar in de artikelen 6.3.5.9 tot en met 6.3.5.11 programmaverantwoordelijke staat moet, ten behoeve van congestiemanagement zoals bedoeld in paragraaf 5.1.2 van de Netcode elektriciteit, ook CG-aangeslotene worden gelezen.


6.3.5.9

Wanneer de in 6.3.5.6 en 6.3.5.7 bedoelde meetgegevens een voorlopig karakter hebben, wordt daarvan bij de verstrekking melding gemaakt. In dat geval worden de definitieve meetgegevens overeenkomstig 6.3.8 verwerkt.


6.3.5.10

Wanneer in het geval, bedoeld in 6.3.5.6 en 6.3.5.7, een netbeheerder niet in staat is definitieve gegevens aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de programmaverantwoordelijke te verstrekken, treft hij met de desbetreffende meetverantwoordelijke en de programmaverantwoordelijke die het aangaat een regeling omtrent de te gebruiken meetgegevens.

Onverminderd hetgeen uit de aansluit- en transportovereenkomst voortvloeit, worden deze meetgegevens geacht definitief te zijn en worden deze aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke en aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verstrekt.


6.3.5.11

De netbeheerder geeft aan iedere programmaverantwoordelijke per grootverbruikaansluiting waarvoor de programmaverantwoordelijkheid bestaat jaarlijks of zoveel vaker als met de aangeslotene overeengekomen de tellerstanden voor de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie en voor zover van toepassing de daarbij behorende vermenigvuldigingsfactor(en) door.


6.3.6. Overdracht van meetgegevens op de eerste werkdag na afloop van het etmaal


6.3.6.1

De netbeheerder stuurt de op grond van 6.3.5.6 verzamelde meetgegevens inzake alle aansluitingen op zijn net aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor 16:00 uur van de eerste werkdag na afloop van het desbetreffende etmaal.


6.3.6.2

In de op grond van 6.3.6.1 aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet toe te zenden meetgegevens zijn tevens de meetcorrectiefactoren opgenomen.


6.3.6.3

Netbeheerders van netten met een spanningsniveau gelijk aan of hoger dan 110 kV verstrekken tevens de meetgegevens met betrekking tot de hoeveelheden met andere netten uitgewisselde energie, op vijftienminutenbasis, aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, voor zover deze hoeveelheden niet gemeten worden door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.


6.3.6.4

De netbeheerder stuurt de op grond van 6.3.5.7 verzamelde meetgegevens aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke voor 16:00 uur van de eerste werkdag na afloop desbetreffende etmaal.


6.3.6.5

De netbeheerder die aansluitingen in een congestiegebied beheert, stuurt aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor iedere CG-aangeslotene in dat gebied de hoeveelheid op de desbetreffende aansluitingen met het net uitgewisselde energie per programmatijdseenheid voor 16:00 uur van de eerste werkdag na afloop van het desbetreffende etmaal.


6.3.6.6

De netbeheerder die aansluitingen in een congestiegebied beheert, stuurt aan iedere CG-aangeslotene de hoeveelheid op zijn aansluitingen met het net uitgewisselde energie per programmatijdseenheid voor 16:00 uur van de eerste werkdag na afloop van het desbetreffende etmaal.


6.3.7. Verwerking en overdracht van meetgegevens op de vijfde werkdag na afloop van het etmaal


6.3.7.1

De netbeheerder vervangt indien van toepassing voor de desbetreffende aansluitingen de op basis van 6.2.2.2 van de meetverantwoordelijke ontvangen meetgegevens door de herziene meetgegevens die hem op basis van 6.2.2.3 door de desbetreffende meetverantwoordelijke voor 10:00 uur van de vijfde werkdag na afloop desbetreffende etmaal zijn toegestuurd


6.3.7.2

De netbeheerder voert opnieuw de in 6.3.5.6 en 6.3.5.7 beschreven acties uit.


6.3.7.3

De netbeheerder stuurt de op grond van 6.3.5.6 jo 6.3.7.2 opnieuw verzamelde meetgegevens inzake al zijn aansluitingen aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor 16:00 uur van de vijfde werkdag na afloop desbetreffende etmaal.


6.3.7.4

De netbeheerder stuurt de op grond van 6.3.5.7 jo 6.3.7.2 opnieuw verzamelde meetgegevens aan de desbetreffende programmaverantwoordelijken voor 16:00 uur van de vijfde werkdag na afloop desbetreffende etmaal.


6.3.8. Verwerking en overdracht van meetgegevens op de tiende werkdag na afloop van het etmaal


6.3.8.1

De netbeheerder voert de in 6.3.5.6 en 6.3.5.7 beschreven acties uit op de op grond van 6.2.2.4 van de meetverantwoordelijken ontvangen definitieve meetgegevens.


6.3.8.2

De netbeheerder stuurt de op grond van 6.3.5.6 jo. 6.3.8.1 opnieuw verzamelde meetgegevens inzake al zijn aansluitingen aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor 12:00 uur van de tiende werkdag na afloop van het desbetreffende etmaal.


6.3.8.3

De netbeheerder stuurt de op grond van 6.3.5.7 jo. 6.3.8.2 opnieuw verzamelde meetgegevens aan de desbetreffende programmaverantwoordelijken voor 12:00 uur van de tiende werkdag na afloop van het desbetreffende etmaal.


6.3.8.4

Indien de netbeheerder tussen 12:00 en 16:00 uur van de tiende werkdag na de dag van collectie van de meetgegevens van de programmaverantwoordelijke een verzoek zoals bedoeld in 3.7.11 van de Systeemcode elektriciteit heeft ontvangen, zal de netbeheerder zo mogelijk en nodig de op grond van 6.3.5.6 en 6.3.5.7 verzamelde meetgegevens aanpassen. Vervolgens worden deze meetgegevens als definitieve meetgegevens diezelfde dag voor 24:00 uur verzonden aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke.


6.3.9. Verwerking en overdracht van meetgegevens na reclamatie op de tiende werkdag na afloop van het etmaal


6.3.9.1

De netbeheerder voert de in 6.3.5.6 en 6.3.5.7 beschreven acties uit op de opnieuw vastgestelde definitieve meetgegevens.


6.3.9.2

De netbeheerder stuurt onverwijld de naar aanleiding van 6.3.9.1 jo. 6.3.5.6 verzamelde gegevens inzake al zijn aansluitingen aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.


6.3.9.3

De netbeheerder stuurt onverwijld de naar aanleiding van 6.3.9.1 jo. 6.3.5.7 verzamelde meetgegevens aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke.


6.3.10. Overdracht van gegevens in het kader van transport- en systeemdiensten


6.3.10.1

De netbeheerder geeft dagelijks aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet per deelnet de som van alle, via dat net uitgewisselde energie door.


6.3.10.2

De netbeheerder geeft dagelijks aan de andere met hem gekoppelde netbeheerders per aansluiting tussen de desbetreffende netten per meetperiode de tussen hem en die netbeheerders uitgewisselde energie door.


6.3.10.3

Voor zover overeengekomen, geeft een netbeheerder aan een andere met hem gekoppelde netbeheerder per aansluiting tussen de desbetreffende netten per meetperiode de tussen hem en die andere netbeheerder uitgewisselde blindenergie door.


6.3.10.4

De netbeheerder geeft aan andere, op zijn net aangesloten, netbeheerders de meetgegevens ten behoeve van de verrekening van de transportdiensten door.


6.3.10.5

[Vervallen]


6.3.10.6

De netbeheerder geeft jaarlijks of zoveel vaker als overeengekomen aan grootverbruikers de tellerstanden voor de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie en voor zover van toepassing de daarbij behorende vermenigvuldigingsfactor(en) door.


6.3.11. Dataoverdracht in het kader van artikel 16, lid 1, sub i, van de Wet


6.3.11.1

De netbeheerder geeft aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de hoeveelheid op het net ingevoede duurzame of wkk-elektriciteit per aansluiting, of, indien 2.9.2a van de Netcode elektriciteit van toepassing is, per productie-installatie van een groen- of wkk-producent door.


6.3.11.2

De netbeheerder geeft aan de groen- of wkk-producent de hoeveelheid op het net ingevoede duurzame of wkk-elektriciteit per aansluiting, of, indien 2.9.2a van de Netcode elektriciteit van toepassing is, per productie-installatie door.


6.3.11.3

De in 6.3.11.1 en 6.3.11.2 bedoelde informatieoverdracht vindt voor aansluitingen groter dan 3x80A op laagspanningsniveau steeds plaats op uiterlijk de vijftiende werkdag van de maand na de maand waarop de data betrekking heeft of zoveel vaker als met de aangeslotene is overeengekomen.


6.3.11.4

De in 6.3.11.1 en 6.3.11.2 bedoelde informatieoverdracht vindt voor aansluitingen kleiner of gelijk aan 3x80A op laagspanningsniveau éénmaal per jaar op een door de netbeheerder te bepalen tijdstip plaats of zoveel vaker als met de aangeslotene overeengekomen. In dat geval worden de in 6.3.11.1 en 6.3.11.2 bedoelde hoeveelheden verdeeld in twaalf gelijke delen, tenzij betere gegevens over de maandelijkse hoeveelheden beschikbaar zijn.


6.3.11.5

Indien een aangeslotene met een productie-installatie voor duurzame of wkk-elektriciteit in aanmerking wenst te komen voor garanties van oorsprong respectievelijk wkk-certificaten voor niet-netlevering, zijn de bepalingen 6.3.11.1 tot en met 6.3.11.4 van overeenkomstige toepassing op de meetdata die wordt gegenereerd door de meetinrichting bedoeld in 2.1.1, onderdeel c van de Meetcode elektriciteit.


6.3.12. Overdracht van gegevens in het kader van marktfacilitering


6.3.12.1

De netbeheerder geeft per grootverbruikaansluiting met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x80A op laagspanningsniveau jaarlijks, of zoveel vaker als de netbeheerder een meterstand van de meetverantwoordelijke ontvangt, aan de leverancier die voor de desbetreffende aansluiting programmaverantwoordelijkheid draagt of laat dragen, de laatste en voorlaatste tellerstand(en) voor de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie alsmede de hoeveelheid in de tussenliggende periode op de desbetreffende aansluiting uitgewisselde elektrische energie, onderscheiden naar normaaluren en laaguren als er sprake is van een meetinrichting met twee telwerken, door, tenzij op grond van een aansluit- en transportovereenkomst met de desbetreffende aangeslotene anders is overeengekomen. Deze overdracht van meetgegevens vindt plaats uiterlijk op de vijftiende werkdag van de maand genoemd in het aansluitingenregister.


6.3.12.2

De netbeheerder geeft per grootverbruikaansluiting met een doorlaatwaarde groter dan 3x80A op laagspanningsniveau en een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW maandelijks aan de leverancier die voor de desbetreffende aansluiting programmaverantwoordelijkheid draagt of laat dragen, de laatste en voorlaatste tellerstand(en) voor de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie alsmede de hoeveelheid in de tussenliggende periode op de desbetreffende aansluiting uitgewisselde elektrische energie, onderscheiden naar normaaluren en laaguren als er sprake is van een meetinrichting met twee telwerken, door, tenzij op grond van een aansluit- en transportovereenkomst met de desbetreffende aangeslotene anders is overeengekomen. Deze overdracht van meetgegevens vindt plaats uiterlijk op de vijftiende werkdag van de maand na de maand waarop de meetgegevens betrekking hebben.


6.3.12.3

De netbeheerder geeft per aansluiting met een gecontracteerd transportvermogen groter dan of gelijk aan 100 kW maandelijks of zoveel vaker als overeengekomen aan de leverancier die voor de desbetreffende aansluiting programmaverantwoordelijkheid draagt of laat dragen, de laatste en voorlaatste tellerstand(en) voor de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie alsmede de hoeveelheid in de tussenliggende periode op de desbetreffende aansluiting uitgewisselde elektrische energie, onderscheiden naar normaaluren en laaguren, door, tenzij op grond van een aansluit- en transportovereenkomst met de desbetreffende aangeslotene anders is overeengekomen. Deze overdracht van meetgegevens vindt plaats uiterlijk op de vijftiende werkdag van de maand na de maand waarop de meetgegevens betrekking hebben.


6.3.12.4

[Vervallen]


6.3.12.5

De netbeheerder dient de meetgegevens als bedoeld in 6.3.12.1 tot en met 6.3.12.3, alsmede de meetgegevens die hij ontvangt op grond van 6.2.2, gedurende een termijn van tenminste drie jaren beschikbaar te houden. De netbeheerder verstrekt de aangeslotene of diens gemachtigde op verzoek de meetgegevens van de desbetreffende aangeslotene.


6.3.13. Bekendmaking van gegevens


6.3.13.1

Iedere werkdag publiceert de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op haar website per programmatijdseenheid de som van de door aangeslotenen met een opgesteld vermogen van 10 MW of meer op het net ingevoede elektriciteit, vermeerderd met de som van de uitgewisselde energie op de landgrensoverschrijdende netten. Publicatie vindt plaats de werkdag volgend op de daadwerkelijke meting.


6.3.13.2

Iedere werkdag geven de netbeheerders ten behoeve van de publicatie op grond van 6.3.13.1 de meetgegevens per aangeslotene met een opgesteld vermogen van 10 MW of meer per programmatijdseenheid door aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.


6.3.13.3

De bepalingen 6.3.5.8 en 6.3.5.9 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op 6.3.12.2.


6.3.13.4

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet geeft bij de op grond van 6.3.13.1 gepubliceerde gegevens aan wat de sommatie is van de geprogrammeerde importen respectievelijk de geprogrammeerde exporten.


6.3.13.5

Binnen elf werkdagen na de eerste publicatie maakt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de in 6.3.13.1 en 6.3.13.4 genoemde data definitief.


6.4. Valideren en vaststellen van meetgegevens gas door de meetverantwoordelijke


6.4.1. Validatie van meetgegevens


6.4.1.1

In geval van een telemetriegrootverbruiker wordt de meting op de dag van verzameling van de meetgegevens door de meetverantwoordelijke op volledigheid gevalideerd aan de hand van de volgende criteria:

  1. status in de meetinrichting aangaande de meting of de meetwaarde en status van het meetkanaal geeft geen indicatie van een fout;

  2. tijdsynchroniteit van de meetinrichting en meetperiode blijft binnen de in 4.3.4.2 tot en met 4.3.4.4 van de Meetcode gas RNB aangegeven eisen;

  3. alle meetperioden zijn aanwezig en bevatten een meetwaarde.


6.4.1.2

In geval van een telemetriegrootverbruiker worden de gecollecteerde meetgegevens op de dag van verzameling van de meetgegevens door de meetverantwoordelijke op juistheid gevalideerd aan de hand van de volgende criteria:

  1. [Vervallen]

  2. de door de meetinrichting gemeten hoeveelheid gas [m3(n)] is groter dan of gelijk aan nul;

  3. de door de meetinrichting gemeten hoeveelheid gas [m3(n)] per meetperiode is kleiner dan 120% van de maximale capaciteit van de meetinrichting;

  4. de gemeten hoeveelheid gas is niet langer dan één week gelijk aan nul.


6.4.1.3

Als de meetgegevens niet voldoen aan het in 6.4.1.2, onderdeel d, genoemde validatiecriterium wordt met de aangeslotene overlegd of het gemeten verbruik overeenkomt met het verbruik dat zou mogen worden verwacht. Indien het gemeten verbruik overeenkomt met het gebruik dat zou mogen worden verwacht, wordt voldaan aan het gestelde in 6.4.1.2, onderdeel d.


6.4.1.4

De verzamelde meetgegevens van uurlijks op afstand uitleesbare meetinrichtingen worden direct na het verstrijken van het betreffende klokuur door de meetverantwoordelijke op juistheid gevalideerd aan de hand van de criteria als gesteld in 6.4.1.2, onderdelen b en c.


6.4.1.5

Indien de gecollecteerde meetgegevens van uurlijks op afstand uitleesbare meetinrichtingen niet voldoen aan de criteria volgens 6.4.1.4 worden deze meetgegevens niet verzonden aan het Centraal Systeem Stuursignaal van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet.


6.4.1.6

In geval van een profielgrootverbruiker worden de verzamelde meetgegevens gevalideerd op volledigheid en op juistheid aan de hand van de volgende criteria:

  1. de voor de bepaling van de hoeveelheid gas benodigde tellerstanden zijn beschikbaar;

  2. de gemeten hoeveelheid gas is groter dan 50% van het verbruik dat op grond van het verbruik tijdens de voorafgaande periode zou mogen worden verwacht;

  3. de gemeten hoeveelheid gas is kleiner dan 200% van het verbruik dat op grond van het verbruik tijdens de voorafgaande periode zou mogen worden verwacht.


6.4.1.7

Indien de meetgegevens genoemd in 6.4.1.6 niet voldoen aan de in 6.4.1.6 genoemde validatiecriteria worden de meetgegevens door de meetverantwoordelijke (opnieuw) afgelezen of worden in overleg met de aangeslotene vastgesteld dat het gemeten verbruik overeenkomt met het verbruik dat zou mogen worden verwacht.


6.4.1.8

Indien de meetgegevens bedoeld in 6.4.1.6 wel voldoen aan de in 6.4.1.6 genoemde validatiecriteria, worden de meetgegevens door de meetverantwoordelijke vastgesteld.


6.4.1.9

De validatie en vaststelling zoals bedoeld in 6.4.1.6 en 6.4.1.8 vindt plaats uiterlijk de werkdag na de dag van dataverzameling zoals bedoeld in 5.2 van de Meetcode gas RNB.


6.4.1.10

Bij een invoeder met een aansluiting met een capaciteit groter dan 40 m³(n)/uur waarvan het gas conform B5.6.9 van de Allocatiecode gas aan de (erkende programmaverantwoordelijke van) de invoeder toegerekend dient te worden met de werkelijke gemeten calorische waarde van het ingevoede gas, verzamelt de meetverantwoordelijke de gegevens die conform 5a.6 van de Meetcode gas RNB zijn vastgesteld.


6.4.2. Overdracht van meetgegevens aan de regionale netbeheerder en het Centraal Systeem Stuursignaal


6.4.2.1

In geval van een telemetriegrootverbruiker bewerkt de meetverantwoordelijke op de werkdag volgend op de gasdag van verzameling van de meetgegevens de meetgegevens alvorens deze aan de regionale netbeheerder te verzenden zodanig dat de herleide volumes in normaal kubieke meters [m3(n)] worden verzonden. Ontbrekende meetgegevens worden geschat door de meetverantwoordelijke. De meetverantwoordelijke verzendt de meetgegevens van alle aangeslotenen waarvoor hij meetverantwoordelijkheid draagt, voorzien van de van toepassing zijnde statuscode.


6.4.2.2

De meetverantwoordelijke verzendt de in 6.4.2.1 genoemde meetgegevens aan de regionale netbeheerder overeenkomstig hetgeen daaromtrent in hoofdstuk 9 is bepaald.


6.4.2.3 [Vervallen per 21-01-2017]


6.4.2.4

De meetgegevens van een telemetriegrootverbruiker van een bepaalde gasmaand worden uiterlijk op de vierde werkdag van de maand, volgend op de maand waarop de meetgegevens betrekking hebben, voor 07:00 uur, door de meetverantwoordelijke verzonden aan de regionale netbeheerder. De meetverantwoordelijke verzendt per aansluiting de meetgegevens van een gasmaand in één bericht.


6.4.2.5

Uiterlijk op de twaalfde werkdag, voor 12:00 uur, van de maand na de maand waarin de desbetreffende gasdag valt, ontvangt de meetverantwoordelijke van de regionale netbeheerder de meetgegevens van een telemetriegrootverbruiker retour waarvan een leverancier of een programmaverantwoordelijke op grond van 4.6.3 van de Allocatiecode gas bij de regionale netbeheerder om correctie heeft verzocht.


6.4.2.6

Gewijzigde meetgegevens van een telemetriegrootverbruiker van een bepaalde gasmaand, worden uiterlijk op de veertiende werkdag van de maand, volgend op de maand waarop de meetgegevens betrekking hebben, voor 07:00 uur, door de meetverantwoordelijke gecorrigeerd en gevalideerd verzonden aan de regionale netbeheerder. De meetverantwoordelijke verzendt per aansluiting met gewijzigde meetgegevens de meetgegevens voor de gehele gasmaand in één bericht.


6.4.2.7

De meetverantwoordelijke gaat na of de overeenkomstig 6.4.2.5 terug ontvangen meetgegevens moet worden gecorrigeerd en zendt de al dan niet gecorrigeerde definitieve meetgegevens uiterlijk op de vijftiende werkdag, van de maand na de maand waarin de desbetreffende gasdag valt, voor 12:00 uur opnieuw aan de regionale netbeheerder.


6.4.2.8

Wanneer de in 6.4.2.7 bedoelde meetgegevens binnen de in 6.4.2.6 genoemde termijn niet opnieuw worden aangeleverd, dan worden deze na de vijftiende werkdag van de maand na de maand waarin de desbetreffende gasdag valt, gebruikt voor de allocatie.


6.4.2.9

De meetverantwoordelijke voert de werkzaamheden bedoeld in 6.4.1.1 tot en met 6.4.1.9 uit voor een uurlijks op afstand uitleesbare meetinrichting, direct na het verstrijken van een klokuur alvorens de meetgegevens te verzenden aan het Centraal Systeem Stuursignaal van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. De herleide volumes worden hierbij bepaald in normaal kubieke meters [m3(n)] en afgerond op hele waarden.


6.4.2.10

De meetgegevens van uurlijks op afstand uitleesbare meetinrichtingen van een bepaald uur worden uiterlijk 5 minuten na het verstrijken van dat uur door de meetverantwoordelijke verzonden aan het Centraal Systeem Stuursignaal van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet.


6.4.2.11

In geval van een profielgrootverbruiker worden de meetgegevens genoemd in 6.4.1.6 uiterlijk op de tiende werkdag na de dag van vaststelling zoals bedoeld in 6.4.1.8 aan de regionale netbeheerder verstrekt.


6.4.2.12

Alle op grond van 5.4.3.1 of 5.4.3.2 van de Meetcode gas RNB automatisch gerepareerde meetgegevens worden overeenkomstig 6.4.1 gevalideerd alvorens als definitief te kunnen worden vastgesteld.


6.4.2.13

Indien onvolledige of onjuiste meetgegevens niet automatisch kunnen worden gerepareerd, verzendt de meetverantwoordelijke nullen dan wel voorlopige waarden aan de regionale netbeheerder en geeft daarbij aan dat er sprake is van niet betrouwbare meetgegevens. De meetgegevens worden binnen de daarvoor in 6.4.2.4 vastgestelde periode gerepareerd en als definitieve data verzonden overeenkomstig 6.4.2.2.


6.4.2.14

Voor reparaties welke niet op een van de in 6.4.2.12 of 6.4.2.13 bedoelde wijzen kunnen worden uitgevoerd, moet in overleg met de aangeslotene, de regionale netbeheerder en de desbetreffende programmaverantwoordelijke een afspraak worden gemaakt over het repareren van de meetgegevens.


6.4.2.15

Alle op grond van 6.4.2.12 tot en met 6.4.2.14 gerepareerde meetgegevens worden overeenkomstig 6.4.1 gevalideerd alvorens door de meetverantwoordelijke als definitief te kunnen worden vastgesteld.


6.4.2.16

Onvolkomenheden aan de meetinrichting die leiden tot aanpassing van de onder 4.3.1.2 van de Meetcode gas RNB genoemde gegevens alsmede onvolkomenheden met betrekking tot de datacollectie worden binnen vijf werkdagen na constatering door de meetverantwoordelijke gemeld aan de regionale netbeheerder.


6.4.2.17

Indien gedurende de periode tussen de veertiende werkdag van de maand volgend op de maand waarin de gasdag valt waarop de meetgegevens betrekking hebben en de achtste werkdag van de vierde maand na de maand waarin de gasdag valt waarop de meetgegevens betrekking hebben, wordt geconstateerd dat er, als gevolg van een onvolkomenheid aan de meetinrichting of de verzameling van meetgegevens, sprake is van onjuiste meetgegevens, wordt door de meetverantwoordelijke, na afstemming met de desbetreffende leverancier, programmaverantwoordelijke, regionale netbeheerder of aangeslotene, een schatting gemaakt van het werkelijk verbruik voor de uren gedurende de (vermoedelijke) periode dat de meting onjuist is geweest. De meetverantwoordelijke zendt deze gecorrigeerde meetgegevens uiterlijk om 07:00 uur op de achtste werkdag van de vierde maand na de maand waarin de gasdag valt waarop de gegevens betrekking hebben aan de regionale netbeheerder. De regionale netbeheerder beschouwt deze meetgegevens als definitieve meetgegevens.


6.4.2.18

Indien gedurende de periode tussen de achtste werkdag van de vierde maand na de maand waarin de gasdag valt waarop de meetgegevens betrekking hebben en het einde van de reconciliatietermijn, wordt geconstateerd dat er, als gevolg van een onvolkomenheid aan de meetinrichting of de verzameling van meetgegevens, sprake is van onjuiste meetgegevens, wordt, na afstemming met de desbetreffende leverancier, programmaverantwoordelijke, regionale netbeheerder of aangeslotene, door de meetverantwoordelijke een schatting gemaakt van het werkelijk verbruik gedurende de (vermoedelijke) periode dat de meting onjuist is geweest.


6.4.2.19

De in 6.4.2.18 genoemde correctie wordt binnen vijftien werkdagen na constatering van de onvolkomenheid door de meetverantwoordelijke schriftelijk gemeld aan de aangeslotene, de regionale netbeheerder, de programmaverantwoordelijke en de leverancier. Bij deze melding worden de aard van de onvolkomenheid alsmede de genomen maatregelen vermeld en worden over de (vermoedelijke) periode waarin sprake was van een onvolkomenheid de volgende gegevens verstrekt:

  1. de oude en nieuwe (geschatte) volumes (per maand);

  2. de oude en nieuwe (geschatte) hoogste uurwaarden per maand;

  3. indien beschikbaar, de oude en nieuwe (geschatte) uurwaarden voor alle in deze periode vallende uren.


6.4.2.20

Indien ten gevolge van de in 6.4.2.17 of 6.4.2.18 bedoelde onvolkomenheid de herleidingsfactor afwijkt van de voor deze aansluiting kenmerkende herleidingsfactor, wordt, na het opheffen van de oorzaak, de omrekening van het niet herleide naar het herleide volume gedaan met de historische voor deze aansluiting kenmerkende herleidingsfactor. De herleide verschillen worden door de meetverantwoordelijke aan zowel de aangeslotene als aan de regionale netbeheerder gemeld. Het gecorrigeerd volume wordt door de regionale netbeheerder, met inachtneming van 6.4.2.17 of 6.4.2.18, verwerkt in de reconciliatie.


6.4.2.21

Bij een invoeder met een aansluiting met een capaciteit groter dan 40 m³(n)/uur waarvan het gas conform B5.6.9 van de Allocatiecode gas aan de (erkende programmaverantwoordelijke van) de invoeder toegerekend dient te worden met de werkelijke gemeten calorische waarde van het ingevoede gas, worden de gegevens genoemd in 6.4.1.10 van een bepaalde gasmaand uiterlijk op de vierde werkdag van de maand, volgend op de maand waarop de gegevens betrekking hebben, voor 07:00 uur door de meetverantwoordelijke verzonden aan de netbeheerder. De meetverantwoordelijke verzendt per aansluiting de gegevens van een gasmaand in één bericht.


6.5. Verwerken en distribueren van (meet)gegevens van gasaansluitingen door de regionale netbeheerder


6.5.1. Algemeen


6.5.1.1

De regionale netbeheerder maakt bij het vaststellen van de (meet)gegevens die volgens deze paragraaf worden doorgegeven, gebruik van meetgegevens geregistreerd door meetinrichtingen op aansluitingen, die hij op grond van paragraaf 6.4 van deze van de desbetreffende meetverantwoordelijken ontvangt en van de meetgegevens geregistreerd door de meetinrichtingen op de aansluitingen van zijn net met andere netten.


6.5.1.2

De regionale netbeheerder bewaakt de ontvangst van meetgegevens van aangeslotenen, die hij op grond van paragraaf 6.4 van de desbetreffende meetverantwoordelijken moet ontvangen. Bij geconstateerde tekortkomingen informeert de regionale netbeheerder de meetverantwoordelijke en stelt de meetverantwoordelijke zonodig in gebreke. Indien de meetverantwoordelijke de geconstateerde tekortkomingen niet alsnog opheft, meldt de regionale netbeheerder dit aan de aangeslotene en aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Indien dit noodzakelijk is voor de voortgang van de in de Allocatiecode gas beschreven processen, worden de desbetreffende meetgegevens overeenkomstig 6.5.1.3 vastgesteld en geeft de regionale netbeheerder daarbij aan dat er sprake is van overeenkomstig 6.5.1.3 vastgestelde meetgegevens.


6.5.1.3

De regionale netbeheerder treft, wanneer hij in het geval, bedoeld in 6.5.1.2, niet in staat is definitieve meetgegevens aan de beheerder van het landelijk gastransportnet te verstrekken, met de desbetreffende meetverantwoordelijke en de programmaverantwoordelijke die het aangaat een regeling omtrent de te gebruiken meetgegevens. Deze meetgegevens worden geacht definitief te zijn en worden aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke en aan de beheerder van het landelijk gastransportnet verstrekt.


6.5.1.4

De regionale netbeheerder bepaalt de hoeveelheid energie uit het aantal normaal kubieke meters [m3(n)] volume) dat hij op grond van paragraaf 6.4 van deze van de desbetreffende meetverantwoordelijken ontvangt en de calorische bovenwaarde van het gas die:

  1. door de beheerder van het landelijk gastransportnet aan de regionale netbeheerder wordt aangeleverd of

  2. door de regionale netbeheerder overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 5 van de Meetcode gas LNB zelf wordt bepaald, of

  3. door de meetverantwoordelijke in geval van een invoeder met een aansluiting met een capaciteit groter dan 40 m³(n)/uur overeenkomstig 6.4.2.21 aan de netbeheerder is aangeleverd. Voor elk ontbrekend uur en voor elk uur waarbij de door de meetverantwoordelijke aangeleverde calorische waarde groter is dan 36 MJ/m3(n) hanteert de netbeheerder 34,11 MJ/m3(n) als waarde voor de calorische bovenwaarde.


6.5.2. Overdracht van gegevens in het kader van marktfacilitering


6.5.2.1

De regionale netbeheerder geeft voor een profielgrootverbruikaansluiting ten minste eenmaal per maand aan de leverancier de laatste tellerstand(en) alsmede het in de tussenliggende periode op de aansluiting uitgewisselde hoeveelheid gas, uitgedrukt in kubieke meter Groningen gas [m3(n;35,17)] door. Deze overdracht van gegevens vindt plaats uiterlijk op de twintigste werkdag van de maand volgend op de maand waarop de meetgegevens betrekking hebben.


6.5.2.2

De regionale netbeheerder geeft per telemetriegrootverbruikaansluiting maandelijks de uitgewisselde hoeveelheid gas per meetperiode uitgedrukt in MJ door aan de leverancier(s). Deze overdracht van gegevens vindt plaats uiterlijk op de zestiende werkdag van de maand na de maand waarin de desbetreffende gasdag valt.


6.5.2.3

De regionale netbeheerder houdt de gegevens als bedoeld in 6.5.2.1 en 6.5.2.2, alsmede de gegevens die hij ontvangt op grond van 6.4.2 gedurende een termijn van ten minste drie jaar beschikbaar. De regionale netbeheerder verstrekt de aangeslotene of diens gemachtigde op verzoek de gegevens van de desbetreffende aangeslotene.


6.6. Bepalen standaardjaarverbruik van profielgrootverbruikaansluitingen


6.6.1

De netbeheerder berekent een standaardjaarverbruik voor de profielgrootverbruikaansluitingen binnen zijn netgebied overeenkomstig de methode beschreven in:

  1. Bijlage 1 voor de grootverbruikaansluitingen elektriciteit;

  2. Bijlage 3 voor de grootverbruikaansluitingen gas.


6.6.2

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met het nieuw bepaalde standaardjaarverbruik uiterlijk vijf werkdagen na de ontvangst van de meetgegevens van de meetverantwoordelijke.


6.6.3

De marktpartijen worden overeenkomstig 2.2 geïnformeerd over wijzigingen in het aansluitingenregister.


6.7. Opvragen historische meetgegevens


6.7.1

Leveranciers en programmaverantwoordelijken kunnen historische meetgegevens opvragen bij de netbeheerder indien zij beschikken over een daartoe strekkende machtiging van de desbetreffende aangeslotene. In deze opvraag historische meetgegevens zijn, indien van toepassing, opgenomen:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke;

  4. de procesidentificatie, te weten: “opvraag historische meetgegevens”;

  5. het type aanvraag, zijnde ‘verzoek voor historische meetgegevens’;

  6. de startdatum van de periode, waarover meetgegevens worden opgevraagd;

  7. de einddatum van de periode, waarover meetgegevens worden opgevraagd;

  8. indien de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke dit wenst op te geven: het referentienummer van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke.


6.7.2

Naar aanleiding van de ontvangen opvraag historische meetgegevens controleert de netbeheerder of:

  1. de opvraag historische meetgegevens volledig en syntactisch correct is;

  2. de EAN-code van de aansluiting voorkomt in zijn aansluitingenregister;

  3. de opvragende leverancier geregistreerd staat in het leveranciersregister, dan wel de opvragende programmaverantwoordelijke een volledige erkenning heeft volgens het programmaverantwoordelijkenregister;

  4. voor de in de opvraag aangegeven periode historische meetgegevens voor de desbetreffende aansluiting beschikbaar zijn.


6.7.3

De netbeheerder bericht dat de opvraag historische meetgegevens niet wordt uitgevoerd uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de opvraag historische meetgegevens aan de opvragende leverancier of programmaverantwoordelijke, indien één of meer van de controles, bedoeld in 6.7.2, een negatief resultaat opleveren, en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke;

  4. de procesidentificatie, zijnde ‘opvraag historische meetgegevens’;

  5. de reden van het niet uitvoeren van de opvraag historische meetgegevens:


    1. De opvraag historische meetgegevens is niet volledig of syntactisch onjuist;


    2. De EAN-code van de aansluiting is onbekend;


    3. de opvragende leverancier komt niet voor in het leveranciersregister, dan wel de opvragende programmaverantwoordelijke komt niet voor in het programmaverantwoordelijkenregister;


    4. Geen historische meetgegevens beschikbaar;

  6. indien aangeleverd in de opvraag: het referentienummer van de opvragende leverancier, programmaverantwoordelijke.


6.7.4

De netbeheerder verstuurt de opgevraagde historische meetgegevens zo snel mogelijk doch uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de opvraag historische meetgegevens aan de opvragende leverancier of programmaverantwoordelijke als alle controles, bedoeld in 6.7.2, een positief resultaat opleveren en vermeldt daarbij:

  1. de EAN-code van de aansluiting;

  2. de bedrijfs-EAN-code van de netbeheerder;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de opvragende partij;

  4. de startdatum van de verbruiksperiode;

  5. de einddatum van de verbruiksperiode;

  6. het verbruik;

  7. voor zover van toepassing de meterstand behorend bij de mutatiedatum.


6.8. Bepalen jaarverbruik gas voor telemetriegrootverbruikaansluitingen


6.8.1

De netbeheerder berekent een jaarverbruik voor de telemetriegrootverbruikaansluitingen binnen zijn netgebied overeenkomstig de methode beschreven in B1a.3 van de Allocatiecode gas.


6.8.2

Voor het berekenen van het jaarverbruik gebruikt de netbeheerder als grondslag de gegevens als bedoeld 6.5.2.2, uitgedrukt in [m3(n;35,17)]; hij gebruikt hiervoor de meest recente gegevens van de voorbije maanden met dien verstande dat de totale verbruiksperiode minstens 300 dagen beslaat, en de maanden januari en februari insluit.


6.8.3

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met het nieuw bepaalde jaarverbruik uiterlijk vijf werkdagen na overdracht van de meetgegevens bedoeld in 6.5.2.2.


6.8.4

De marktpartijen worden overeenkomstig 2.2 geïnformeerd over wijzigingen in het aansluitingenregister.


7. Allocatie en reconciliatie


7.1

De allocatie en reconciliatie elektriciteit wordt uitgevoerd overeenkomstig de Systeemcode elektriciteit.


7.2

De allocatie en reconciliatie gas wordt uitgevoerd overeenkomstig de Allocatiecode gas.


8. Informatie-uitwisseling t.b.v. van het leveranciersmodel bij een kleinverbruiker


8.1. De aansluit- en transportovereenkomst met een kleinverbruiker


8.1.1

De leverancier informeert de aangeslotene namens de regionale netbeheerder bij een voorgenomen inhuizing van een aangeslotene ongeacht of er bij inhuizing een leveringsovereenkomst tot stand komt over:

  1. dat er een aansluit- en transportovereenkomst met de regionale netbeheerder vereist is;

  2. de op de aansluit- en transportovereenkomst van de regionale netbeheerder van toepassing zijnde algemene voorwaarden voor aansluiting en transport;

  3. dat aan de regionale netbeheerder tarieven verschuldigd zijn.


8.1.2

Uiterlijk 10 werkdagen na aanvang van de levering bij een inhuizing bevestigt en verstrekt de leverancier namens de regionale netbeheerder aan de aangeslotene de tot stand gekomen aansluit- en transportovereenkomst met de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden en informeert hem over:

  1. de naam- en adresgegevens van de regionale netbeheerder behorende bij de aansluiting;

  2. het bij de aansluiting behorende nettarief;

  3. een omschrijving van de op de aansluiting aanwezige tariefcode.

De regionale netbeheerder stelt de leverancier in staat om, indien de aangeslotene elektronisch met de leverancier een leveringsovereenkomst aangaat respectievelijk is aangegaan, het bevestigen, verstrekken en informeren in de zin van de eerste volzin van deze bepaling ook langs elektronische weg te doen plaatsvinden conform de eisen die wet en regelgeving aan elektronisch contracteren stellen.


8.1.3

De leverancier toont tot twee jaar na beëindiging van de leveringsovereenkomst op een gemotiveerd verzoek van de regionale netbeheerder op welke wijze aan de informatieverplichting, bedoeld in 8.1.1 en 8.1.2 is voldaan.


8.1.4

De regionale netbeheerder stuurt wijzigingen in zijn aansluit- en transportovereenkomst, de algemene voorwaarden voor de aansluiting en transport gas voor aangeslotenen of de algemene voorwaarden voor de aansluiting en transport elektriciteit voor aangeslotenen met een toelichting ten minste één maand vóór inwerkingtreding hiervan aan de leverancier. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


8.1.5

De leverancier bevestigt de ontvangst van wijzigingen in de aansluit- en transportovereenkomst, de algemene voorwaarden voor de aansluiting en transport gas voor aangeslotenen of de algemene voorwaarden voor de aansluiting en transport elektriciteit voor aangeslotenen uiterlijk de werkdag na ontvangst van de wijziging aan de regionale netbeheerder. In afwijking van paragraaf 9.1 vindt deze informatie-uitwisseling niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


8.1.6

De regionale netbeheerder bepaalt het tarief per dag met vier decimalen achter de komma voor de nettarieven, bedoeld in B4.1.


8.1.7

De regionale netbeheerder stuurt wijzigingen in zijn nettarieven ten minste één maand vóór inwerkingtreding aan de leverancier.


8.1.8

De leverancier stuurt uiterlijk de werkdag na ontvangst van de gewijzigde nettarieven een ontvangstbevestiging aan de regionale netbeheerder.


8.1.9

De regionale netbeheerder informeert zijn klanten over de wijzigingen in de aansluit- en transportovereenkomst, de algemene voorwaarden voor de aansluiting en transport gas voor aangeslotenen, de algemene voorwaarden voor de aansluiting en transport elektriciteit voor aangeslotenen of nettarieven.


8.2. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de betalingsverplichting als bedoeld in artikel 9 van de regeling, bedoeld in artikelen 53 en 95cb, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikelen 21 en 44b, zesde lid, van de Gaswet


8.2.1

De regionale netbeheerder stuurt voor elk van zijn fiscale entiteiten uiterlijk de derde werkdag van iedere maand een specificatie van de verplichting van de te factureren bedragen, bedoeld in artikelen 53 en 95cb, zesde lid van de Elektriciteitswet 1998 en artikelen 21 en 44b, zesde lid van de Gaswet, betreffende de voorafgaande maand aan elke bedrijfs-EAN-code van de leverancier. Deze specificatie van de verplichting bevat:

  1. de maand waarop de specificatie van de verplichting betrekking heeft;

  2. de bedrijfs-EAN-code(s) van de fiscale entiteit van de regionale netbeheerder waarop de specificatie van de verplichting betrekking heeft;

  3. de bedrijfs-EAN-code van de leverancier waarop de specificatie van de verplichting betrekking heeft;

  4. het totale bedrag (exclusief BTW) dat de betreffende leverancier volgens het aansluitingenregister over de maand, bedoeld in 8.2.1 onderdeel a, geacht wordt te factureren en moet afdragen;

  5. per aansluiting waarvoor de betreffende leverancier in de maand, bedoeld in 8.2.1 onderdeel a, in het aansluitingenregister staat per capaciteitstariefcode:


    1. de EAN-code van de aansluiting;


    2. de capaciteitstariefcode;


    3. het aantal dagen dat de betreffende leverancier in de maand, bedoeld in 8.2.1 onderdeel a, op de betreffende aansluiting met de betreffende capaciteitstariefcode en met de fysieke status actief in het aansluitingenregister stond;


    4. het bijbehorende nettarief per dag (exclusief BTW);


    5. het bijbehorende totaalbedrag voor de maand, bedoeld in 8.2.1 onderdeel a, (exclusief BTW).


8.2.2

[Vervallen]


8.2.3

[Vervallen]


8.2.4

[Vervallen]


8.2.5

[Vervallen]


8.2.6

[Vervallen]


8.2.7

De regionale netbeheerders en een representatief deel van de leveranciers stellen jaarlijks gezamenlijk een kalender op om te voldoen aan de termijn, bedoeld in 8.2.1.


8.3. Administratieve bepalingen


8.3.1

De leverancier houdt voor de regionale netbeheerder een factuur- en BTW-administratie bij voor wat betreft het door hem gefactureerde nettarief.


8.3.2

De leverancier verstrekt de factuur- en BTW-administratie, bedoeld in 8.3.1, onverwijld aan de regionale netbeheerder indien de Belastingdienst de regionale netbeheerder hierom verzoekt.


8.3.3

Ingeval de leverancier ten aanzien van de betreffende nettarieven een bijzonder BTW-tarief bij de aangeslotene in rekening heeft gebracht of zal brengen, kan de leverancier de netbeheerder verzoeken om de teveel afgedragen BTW te verrekenen.


8.3.4

Het verzoek als bedoeld in 8.3.3. verzendt de leverancier uiterlijk in de maand februari, volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, en bevat de volgende gegevens:

  1. de EAN-code van de betreffende aansluiting;

  2. de periode van het betreffende kalenderjaar waarin de leverancier op de aansluiting stond geregistreerd, en, overeenkomstig het besluit van de belastinginspecteur, een bijzonder BTW-tarief in rekening mocht of mag worden gebracht;

  3. het belastingobject;

  4. het aan de betrokken netbeheerder afgedragen bedrag exclusief BTW;

  5. het aan de betrokken netbeheerder afgedragen BTW-bedrag

  6. het bijzondere BTW-tarief als bedoeld in onderdeel b;

  7. het BTW-bedrag op grond van het besluit van de belastinginspecteur als bedoeld in onderdeel b;

  8. het door de betrokken netbeheerder te verrekenen BTW-bedrag;

  9. een kenmerk van het besluit van de belastinginspecteur als bedoeld in onderdeel b.


8.3.5

Naar aanleiding van het in 8.3.3 bedoelde verzoek zal de netbeheerder het te verrekenen BTW-bedrag uiterlijk 28 maart van het desbetreffende kalenderjaar overboeken.


8.3.6

In afwijking van het bepaalde in paragraaf 9.1 vindt de gegevensuitwisseling als bedoeld in 8.3.3 en 8.3.4 niet plaats via het geautomatiseerde berichtenverkeer.


9. Berichtenverkeer


9.1. Uitvoeringsregels


9.1.1

De netbeheerders en een representatief deel van de leveranciers, de programmaverantwoordelijken en de meetverantwoordelijken organiseren gezamenlijk een overlegplatform, waarin regels worden vastgesteld met betrekking tot de elektronische uitwisseling van gegevens, bedoeld in artikel 6 van de regeling, bedoeld in artikelen 53 en 95cb, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikelen 21 en 44b, zesde lid, van de Gaswet met uitzondering van hoofdstuk 7 van deze regeling.


9.1.2

Het overlegplatform, bedoeld in 9.1.1, stelt regels omtrent:

  1. procedures en specificaties van de te gebruiken centrale communicatiesystemen voor de geautomatiseerde berichtenuitwisseling;

  2. berichtspecificaties voor de (elektronische) gegevensuitwisseling;

  3. communicatieprotocollen voor de gegevensuitwisseling.


9.1.3

De netbeheerders zijn verantwoordelijk voor de centrale communicatiesystemen, waarvoor zij voor de inrichting en het beheer een uitvoeringsorganisatie aanwijzen.


9.1.4

Het in paragraaf 3.8 en paragraaf 4.1 van de Systeemcode elektriciteit bedoelde CPS wordt beheerd door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.


9.1.5

De uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3, organiseert bij wijziging van de procedures, specificaties, berichtspecificaties of communicatieprotocollen, bedoeld in 9.1.2, een test waarbij partijen die aantoonbaar voldoen aan de betreffende procedures, specificaties, berichtspecificaties of communicatieprotocollen een verklaring ontvangen dat de test succesvol is doorlopen.


9.1.6

Het is een gebruiker van de centrale communicatiesystemen slechts toegestaan een bericht uit te wisselen, als die gebruiker voor het betreffende bericht in bezit is van de verklaring, bedoeld in 9.1.5.


9.1.7

De uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3, zal de toegang van een gebruiker tot de centrale systemen weigeren indien:

  1. een gebruiker van de centrale communicatiesystemen niet beschikt over de verklaring, bedoeld in 9.1.5;

  2. een gebruiker van de centrale communicatiesystemen, na daartoe uitgenodigd door de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3, niet onverwijld een test aanvraagt;

  3. een gebruiker binnen twee weken na de uitnodiging, bedoeld in 9.1.7 onderdeel b, nog niet de in 9.1.5 bedoelde verklaring in het bezit heeft;

  4. een gebruiker uit eigen beweging de verklaring, bedoeld in 9.1.5, inlevert bij de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3;

  5. de verklaring, bedoeld in 9.1.5, vanuit beveiligingsoverwegingen wordt ingetrokken.


9.1.8

Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.1 stelt de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3, het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in 9.1.2, open voor berichtenverkeer ten behoeve van gesloten distributiesystemen die voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.7.5 van de Netcode elektriciteit. Daarbij stelt de uitvoeringsorganisatie de beheerder van het desbetreffende gesloten distributiesysteem op de hoogte van de in artikel 9.1.2 bedoelde regels door toezending daarvan.


9.1.9

Alvorens de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 9.1.3, het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in 9.1.2, open stelt voor de beheerder van een gesloten distributiesysteem, verstrekt de beheerder van het gesloten distributiesysteem een afschrift van de aan hem krachtens artikel 15, tweede lid, van de Wet verleende ontheffing aan de uitvoeringsorganisatie.


9.1.10

Indien een ontheffing op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wet vervalt, dan wel ingetrokken wordt, stelt de Autoriteit Consument en Markt de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3, daarvan op de hoogte. De uitvoeringsorganisatie stelt daarop het elektronische berichtenverkeer niet langer open voor het desbetreffende gesloten distributiesysteem.


9.1.11

De uitvoeringsorganisatie, bedoeld in 9.1.3, stelt iedere netbeheerder, leverancier, programmaverantwoordelijke en meetverantwoordelijke op de hoogte van de in 9.1.2 bedoelde procedures, specificaties, berichtspecificaties en communicatieprotocollen door publicatie daarvan.


9.1.12

Gebruikers van centrale communicatiesystemen zijn gehouden tot de uitvoering en instandhouding van beveiligingsprocedures en -maatregelen om berichten te beschermen tegen verlies en tegen ongeautoriseerde kennisneming, wijziging of vernietiging.


9.1.13

Indien beveiligingsprocedures of -maatregelen leiden tot de afwijzing van een bericht of een fout in het bericht aan het licht brengen, stelt de ontvanger de verzender hiervan in overeenstemming met de het daaromtrent bepaalde in de regels bedoeld in 9.1.2 op de hoogte. De ontvanger geeft aan het bericht geen gevolg totdat hij door de verzender is geïnstrueerd. Ingeval de verzender het bericht opnieuw verzendt, is daarbij ondubbelzinnig aangegeven dat het een gecorrigeerd bericht betreft.


9.2. Elektronische gegevensuitwisseling


9.2.1

Registraties van berichten die overeenkomstig het bepaalde in deze code zijn verzonden, leveren, behoudens tegenbewijs, bewijs op van de in die berichten vervatte gegevens.


9.2.2

In plaats van de termijn van één werkdag, genoemd in hoofdstukken 2, 3 en 4, verzendt de netbeheerder gewoonlijk ook buiten werkdagen aan de betreffende leverancier(s), programmaverantwoordelijke(n) en meetverantwoordelijke(n) indien het centraal aansluitingenregister, bedoeld in 2.1.2, beschikbaar is en het mutatieproces storingsvrij volledig geautomatiseerd en zonder menselijke interventie kan worden afgerond

  1. het antwoord op een ontvangen melding van een mutatie uiterlijk de volgende kalenderdag na ontvangst van de melding; en

  2. de stamgegevens uiterlijk de volgende kalenderdag na effectuering van een mutatie in het aansluitingenregister.


10. Gegevensbescherming en bewaartermijnen van gegevens


10.1. Registers


10.1.1. Aansluitingenregister


10.1.1.1

De gegevens, bedoeld in paragraaf 2.1, worden vastgelegd, uitgewisseld, gebruikt of bewaard voor het faciliteren van de marktprocessen voor de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt.


10.1.1.2

De netbeheerder, de leverancier, de programmaverantwoordelijke en de meetverantwoordelijke bewaren de gegevens uit het aansluitingenregister van de aansluitingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn gedurende ten hoogste acht jaar nadat de gegevens hun geldigheid hebben verloren.


10.1.1.3

Een aangeslotene of op grond van een machtiging van de aangeslotene een leverancier, een programmaverantwoordelijke of een meetverantwoordelijke heeft het recht om het aansluitingenregister in te zien voor zijn aansluitingen. Na ontvangst van gegevens uit het aansluitingenregister heeft elk van de genoemde partijen de plicht hem betreffende onjuistheden in het aansluitingenregister, binnen vijf werkdagen na ontvangst van de gegevens uit het aansluitingenregister te melden voor correctie.


10.1.1.4

Correctie van gegevens uit het aansluitingenregister worden doorgevoerd overeenkomstig de processen, bedoeld in paragrafen 3.1 tot en met 3.5 en 3.12 voor kleinverbruikaansluitingen of de processen, bedoeld in paragrafen 4.1 tot en met 4.8 voor grootverbruikaansluitingen.


10.1.1.5

Voor de onjuistheden, bedoeld in 10.1.1.3, die niet kunnen worden gecorrigeerd via de correctieprocessen, bedoeld in 10.1.1.4, controleert de netbeheerder de melding en corrigeert de onjuistheden uiterlijk twintig werkdagen na ontvangst van de melding in het aansluitingenregister.


10.1.1.6

De direct aangeslotene, de leverancier en de programmaverantwoordelijke hebben het recht om het aansluitingenregister landelijk gastransport in te zien voor hen betreffende aansluitingen. Desgevraagd verstrekt de netbeheerder van het landelijk gastransportnet de voor hen relevante stamgegevens als bedoeld in 2.13.1.


10.1.1.7

De direct aangeslotene, de leverancier en de programmaverantwoordelijke hebben het recht om onjuistheden in het aansluitingenregister landelijk gastransportnet met betrekking tot hen betreffende aansluitingen te doen corrigeren. Indien de direct aangeslotene of de programmaverantwoordelijke verzoekt de gegevens te wijzigen, stemt de netbeheerder van het landelijk gastransportnet dit af met de betrokken leverancier. Indien de leverancier akkoord is met de voorgestelde wijziging, stuurt deze de wijziging in door middel van een daartoe bestemd switch mutatieformulier. Vervolgens effectueert de netbeheerder van het landelijk gastransportnet deze wijziging in het aansluitingenregister landelijk gastransportnet overeenkomstig 2.13.1.


10.1.2. Het EAN-codeboek


10.1.2.1

De gegevens in het EAN-codeboek, bedoeld in paragraaf 2.3, worden vastgelegd, uitgewisseld, gebruikt of bewaard voor de uitvoering van de processen, bedoeld in hoofdstuk 3 en 5.


10.1.2.2

De netbeheerder bewaart de gegevens in het EAN-codeboek van de aansluitingen waarvoor hij verantwoordelijk is ten hoogste tot het moment, bedoeld in 2.3.5, waarop de gegevens opnieuw beschikbaar worden gesteld.


10.1.2.3

De leverancier bewaart de gegevens die hij uit het EAN-codeboek heeft ontvangen ten hoogste drie maanden.


10.1.3. Het contracteindegegevens


10.1.3.1

De contracteindegegevens, bedoeld in paragraaf 2.5, worden vastgelegd, uitgewisseld, gebruikt of bewaard voor de uitvoering van processen, bedoeld in hoofdstuk 3.


10.1.3.2

De leveranciers bewaren de door hen beschikbaar gestelde contracteindegegevens ten hoogste zeven jaar nadat de gegevens hun geldigheid hebben verloren.


10.1.3.3

De leveranciers bewaren ontvangen contracteindegegevens ten hoogste drie maanden.


10.1.3.4

Een aangeslotene heeft het recht om de contracteindegegevens, die zijn eigen aansluiting betreffen, op te vragen bij zijn leverancier. De aangeslotene heeft het recht hem betreffende onjuistheden in de contracteindegegevens te melden aan zijn leverancier en te doen corrigeren.


10.1.4. Het toegankelijk meetregister


10.1.4.1

De gegevens in het toegankelijk meetregister, bedoeld in paragraaf 2.6, worden vastgelegd, uitgewisseld, gebruikt of bewaard voor de uitvoering van processen, genoemd in hoofdstuk 5.


10.1.4.2

De regionale netbeheerders bewaren de door hen beschikbaar gestelde gegevens uit het toegankelijk meetregister van alle kleinverbruikaansluitingen ten hoogste vijf jaar.


10.1.4.3

Leveranciers bewaren de door hen opgevraagde gegevens uit het toegankelijk meetregister ten hoogste 3 maanden.


10.1.5. Andere doelen


10.1.5.1

Een onderneming, als bedoeld in artikel 54 van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 22 van de Gaswet, die de gegevens genoemd in deze code voor een ander doel dan genoemd in paragraaf 10.1 vastlegt, uitwisselt, gebruikt of bewaart legt hiervoor het doel en de bewaartermijnen vast in een gedragscode of vraagt hiervoor ondubbelzinnige toestemming van de betrokkene als bedoeld in de wet Bescherming persoonsgegevens.


10.2. Gedragscode regionale netbeheerders aangaande gegevens uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn


10.2.1

Netbeheerders stellen een gedragscode op ten aanzien van gebruik, vastleggen, uitwisselen en bewaren van gegevens die zijn verkregen uit een meetinrichting bedoeld in artikel 95la van de Elektriciteitswet van 1998 of 42a van de Gaswet.


10.2.2

De gedragscode, bedoeld in 10.2.1, bevat tenminste de onderwerpen waarover de netbeheerders verantwoording afleggen.


10.2.3

Netbeheerders melden de gedragscode, bedoeld in 10.2.1, in overeenstemming met de Wet bescherming persoonsgegevens aan bij het College bescherming persoonsgegevens.


10.2.4

Netbeheerders leggen jaarlijks verantwoording af door middel van een uniforme toelichting op de jaarrekening, bedoeld in B6.1.


10.2.5

In aanvulling op 10.2.4 publiceren de netbeheerders de verantwoording, bedoeld in 10.2.2, op hun publieke websites.


10.3. Gedragscode leveranciers en onder hun verantwoordelijkheid handelende meetbedrijven aangaande gegevens uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn


10.3.1

Leveranciers stellen een gedragscode op ten aanzien van gebruik, vastleggen, uitwisselen en bewaren van gegevens die zijn verkregen uit een meetinrichting bedoeld in artikel 95la van de Elektriciteitswet van 1998 of 42a van de Gaswet.


10.3.2

De gedragscode, bedoeld in 10.3.1, bevat tenminste:

  1. de wijze waarop kleinverbruikers de leverancier machtigen voor het opvragen van meer gegevens dan is toegestaan op grond van artikel 26ab eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 13b eerste lid van de Gaswet.

  2. de onderwerpen waarover de leveranciers verantwoording afleggen, zijnde:


    1. meetgegevens ten behoeve van facturatie en de mutatieprocessen, bedoeld in deze code;


    2. meetgegevens ten behoeve van de verbruiksterugkoppeling, besparingsadviezen en overige doelen.


10.3.3

Leveranciers melden de gedragscode, bedoeld in 10.3.1, in overeenstemming met de Wet bescherming persoonsgegevens aan bij het College bescherming persoonsgegevens.


10.3.4

De leverancier legt jaarlijks verantwoording, bedoeld in 10.3.2 onderdeel b, af door middel van een toelichting op de jaarrekening, bedoeld in B6.2.


10.3.5

In aanvulling op 10.3.4 publiceert de leverancier de verantwoording, bedoeld in 10.3.2 onderdeel b, op zijn publieke website.


11. Bijzondere bepalingen


11.1. Overgangs- en slotbepalingen


11.1.1

[Vervallen]


11.1.2

[Vervallen]


11.1.3

De verplichting, bedoeld in 8.1.3, geldt voor alle leveringsovereenkomsten die zijn aangegaan na 1 april 2013.


Artikel 11.1.4

De Informatiecode Elektriciteit en Gas, zoals vastgesteld bij besluit van 13 juni 2013 en nadien diverse malen gewijzigd, wordt ingetrokken.


11.1.5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.


11.1.6

Dit besluit wordt aangehaald als: Informatiecode elektriciteit en gas.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 april 2016

De Autoriteit Consument en Markt,

namens deze:
J.G. Vegter

bestuurslid


Bijlagen


Bijlage 1. Verbruiksprofielen elektriciteit

B1.0. Vaststelling en beheer van verbruiksprofielen

B1.0.1

Ten behoeve van de vaststelling en het beheer van de verbruiksprofielen, zoals bedoeld in 5.3.2.5 en 6.3.2.1, organiseert een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit een overlegplatform, waarin naast een delegatie van het representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit tevens zitting hebben alle programmaverantwoordelijken die programmaverantwoordelijkheid dragen voor aangeslotenen met een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW.

B1.0.2

De door het in B1.0.1 bedoelde platform vastgestelde rekenregels voor de verbruiksprofielen zijn vastgelegd in paragraaf B1.1.

B1.0.3

De op grond van B1.0.1 vastgestelde verbruiksprofielen worden door een door een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit aangewezen uitvoeringsorganisatie op een geschikte wijze openbaar gemaakt.

B1.1. Standaardprofielen elektriciteit

B1.1.1

Een standaardprofiel is opgebouwd uit profielfracties van een standaardjaarverbruik voor ieder klokkwartier van het jaar. De profielfracties worden afgerond op 8 cijfers achter de komma.

B1.1.2

Uiterlijk de derde week van de maanden januari, april, juli en oktober doet een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit aan het overlegplatform ex artikel B1.0.1 een gemotiveerd voorstel voor de profielen die in het volgend kwartaal gehanteerd zullen worden.

B1.1.3

Uiterlijk 1 week nadat het voorstel, bedoeld in B1.1.2 is gedaan, besluit het overlegplatform ex artikel B1.0.1 over dit voorstel en wordt de aldus vastgestelde set profielen onverwijld gezonden aan alle netbeheerders en programmaverantwoordelijken die programmaverantwoordelijkheid dragen voor aangeslotenen met een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW.

B1.1.4

De aldus vastgestelde profielen worden toegepast vanaf de eerste kalenderdag van het volgende kwartaal.

B1.2. Indeling van aangeslotenen in profielcategorieën

B1.2.1

Aangeslotenen met een aansluitwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting met één actief telwerk, worden ingedeeld in profielcategorie E1A van de overeenkomstig B1.1.3 van deze bijlage vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.2

Aangeslotenen met een aansluitwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting met twee actieve telwerken en waarbij het schakelmoment van normaaluren naar laaguren omstreeks 23:00 uur valt, worden ingedeeld in profielcategorie E1B van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.3

Aangeslotenen met een aansluitwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting met twee actieve telwerken en waarbij het schakelmoment van normaaluren naar laaguren omstreeks 21:00 uur valt, worden ingedeeld in profielcategorie E1C van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.4

Aangeslotenen met een aansluitwaarde groter dan 3x25A op laagspanning maar kleiner dan of gelijk aan 3x80A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting met één actief telwerk, worden ingedeeld in profielcategorie E2A van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.5

Aangeslotenen met een aansluitwaarde groter dan 3x25A op laagspanning maar kleiner dan of gelijk aan 3x80A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting met twee actieve telwerken, worden ingedeeld in profielcategorie E2B van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.6

Aangeslotenen met een aansluitwaarde groter dan 3x80A op laagspanning maar met een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW en met een bedrijfstijd kleiner of gelijk aan 2.000 uren, worden ingedeeld in profielcategorie E3A van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.7

Aangeslotenen met een aansluitwaarde groter dan 3x80A op laagspanning maar met een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW en met een bedrijfstijd van meer dan 2.000 uren maar kleiner of gelijk aan 3.000 uren, worden ingedeeld in profielcategorie E3B van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.8

Aangeslotenen met een aansluitwaarde groter dan 3x80A op laagspanning maar met een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW en met een bedrijfstijd van meer dan 3.000 uren maar kleiner of gelijk aan 5.000 uren, worden ingedeeld in profielcategorie E3C van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.9

Aangeslotenen met een aansluitwaarde groter dan 3x80A op laagspanning maar met een gecontracteerd transportvermogen kleiner dan 100 kW en met een bedrijfstijd van meer dan 5.000 uren, worden ingedeeld in profielcategorie E3D van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.10

In afwijking van B1.2.1 tot en met B1.2.3 worden aansluitingen ten behoeve van openbare verlichting, behoudens aansluitingen zoals bedoeld in B2.1.1, ingedeeld in profielcategorie E4A van de overeenkomstig B1.1.3 vastgestelde set standaardprofielen.

B1.2.11

Indien de lampen (inclusief voorschakelapparatuur) voor openbare verlichting zich niet direct achter de aansluiting bevinden, maar deel uitmaken van een OV-installatie, verstrekt de aangeslotene de netbeheerder desgevraagd een bestuurdersverklaring waarin door de bestuurder van de beheerder van de desbetreffende OV-installatie of een door hem daartoe gemachtigd persoon, wordt verklaard dat op de desbetreffende OV-installatie uitsluitend lampen (inclusief voorschakelapparatuur) zijn aangesloten ten behoeve van openbare verlichting en daarmee gelijk te stellen verlichting, zoals ten behoeve van reclame- of feestverlichting, abri’s, verkeersbordverlichting etc., mits deze op dezelfde wijze geschakeld worden.

B1.3. Het standaardjaarverbruik elektriciteit

B1.3.1

Het standaardjaarverbruik van een aansluiting die op grond van B1.2.1 tot en met B1.2.5 of B1.2.10 is ingedeeld in de profielcategorieën E1A, E1B, E1C, E2A, E2B of E4A, wordt bepaald door het gemeten verbruik op die aansluiting over de kleinst mogelijke verbruiksperiode van minimaal 300 dagen te delen door de som van de profielfracties in het standaardprofiel over de desbetreffende periode. De verbruiksperiode gaat in de eerste hele dag (vanaf 00:00 uur) na de eerste meteropname en loopt tot en met de dag van de laatste meteropname (tot 24:00 uur). Hierbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van afgelezen of uitgelezen meterstanden. Het standaardjaarverbruik bestaat uit een positief getal.

B1.3.2

Het standaardjaarverbruik van een aansluiting die op grond van B1.2.6 tot en met B1.2.9 is ingedeeld in de profielcategorieën E3A, E3B, E3C of E3D, wordt bepaald door het gemeten verbruik op die aansluiting over de kleinst mogelijke verbruiksperiode van minimaal 345 dagen te delen door de som van de profielfracties in het standaardprofiel over de desbetreffende periode. De verbruiksperiode gaat in de eerste hele dag (vanaf 00:00 uur) na de eerste meteropname en loopt tot en met de dag van de laatste meteropname (tot 24:00 uur). Hierbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van afgelezen of uitgelezen meterstanden. Het standaardjaarverbruik bestaat uit een positief getal.

B1.3.3

Het standaardjaarverbruik van een aansluiting wordt geactualiseerd als er een nieuwe vastgestelde meterstand bij de netbeheerder bekend is.

B1.3.4

Indien voor aansluitingen met een profielcategorie E1A, E1B, E1C, E2A, E2B of E4A alleen een gemeten verbruik bekend is over een periode korter dan 300 dagen of indien er geen gemeten verbruik bekend is, wordt het standaardjaarverbruik in afwijking van B1.3.1 bepaald door het gemiddelde te nemen van de standaardjaarverbruiken van de aansluitingen met een standaardjaarverbruik op basis van een gemeten verbruik van minimaal 300 dagen in dezelfde profielcategorie en dezelfde tariefcategorie.

B1.3.5

Indien voor aansluitingen met een profielcategorie E3A, E3B, E3C of E3D alleen een gemeten verbruik bekend is over een kortere periode dan 345 dagen, dan wordt het verbruik over deze kortere periode gebruikt voor de berekening van het standaardjaarverbruik.

B1.3.6

Indien voor aansluitingen met een profielcategorie E3A, E3B, E3C of E3D geen gemeten verbruik bekend is, dan wordt het standaardjaarverbruik geschat door de netbeheerder naar beste inzicht.

B1.3.7

Indien sprake is van een aansluiting met een meetinrichting met actieve telwerken voor normaaluren en laaguren, worden voor de desbetreffende aansluiting twee bijbehorende standaardjaarverbruiken, te weten één voor de normaaluren en één voor de laaguren, vastgesteld en in het aansluitingenregister vastgelegd. Het standaardjaarverbruik van de aansluiting is de som van het normaalurenstandaardjaarverbruik en het laagurenstandaardjaarverbruik.

B1.3.8

De netbeheerder bepaalt het standaardjaarverbruik volgens de methode, bedoeld in B1.3.1 tot en met B1.3.7, uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van een vastgestelde meterstand van de leverancier of uiterlijk vijf werkdagen nadat de netbeheerder namens de leverancier een meterstand heeft vastgesteld.

B1.3.9

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met het standaardjaarverbruik, bedoeld in B1.3.8, uiterlijk vijf werkdagen na het bepalen van het standaardjaarverbruik overeenkomstig 2.1.8.

B1.4. Tariefcorrectiefactoren elektriciteit

B1.4.1

De netbeheerder bepaalt per verrekenperiode Σ SJVPV,PC,TC, zijnde de som van de standaardjaarverbruiken van alle aansluitingen per programmaverantwoordelijke (PV), per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC).

B1.4.2

De netbeheerder bepaalt per tariefperiode TFPV,PC,TC,TP, zijnde de tarieffactor voor de desbetreffende tariefperiode (TP) voor de groep van alle aansluitingen per programmaverantwoordelijke (PV), per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC), door de som van de standaardjaarverbruiken van alle aansluitingen per programmaverantwoordelijke (PV), per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC) voor die tariefperiode (TP) te delen door de som van de standaardjaarverbruiken van alle aansluitingen per programmaverantwoordelijke (PV), per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC). In formulevorm:

TFPV,PC,TC,TP= ∑ SJVPV,PC,TC,TP/ ∑ SJVPV,PC,TC

B1.4.3

De netbeheerder bepaalt per tariefperiode TFPC,TC,TP, zijnde de tarieffactor voor de desbetreffende tariefperiode (TP) per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC), door voor de desbetreffende profielcategorie alle profielfracties behorend bij de desbetreffende tariefperiode te sommeren volgens de formule:

TFPC,TC,TP = ∑ PFPC,TC,TP

B1.4.4

De netbeheerder bepaalt per tariefperiode TCFPV,PC,TC,TP, zijnde de tariefcorrectiefactor voor de desbetreffende tariefperiode (TP) per programmaverantwoordelijke (PV), per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC), door de volgens B1.4.2 bepaalde tarieffactor voor die tariefperiode voor een groep aansluitingen per programmaverantwoordelijke (PV), per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC) te delen door de volgens B1.4.3 bepaalde tarieffactor voor die tariefperiode per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC) volgens de formule:

TCFPV,PC,TC,TP = TFPV,PC,TC,TP / TFPC,TC,TP

B1.4.5

De in B1.4.2, B1.4.3 en B1.4.4 bepaalde tarieffactoren respectievelijk tariefcorrectiefactoren worden afgerond op 3 cijfers achter de komma.

B1.5. De klimaatcorrectiefactor

B1.5.1

De klimaatcorrectiefactor wordt vooralsnog vastgesteld op 1.

B1.6. De bepaling van de gegevens

B1.6.1

De netbeheerder bepaalt per verrekenperiode het veronderstelde geprofileerde verbruik (VGV) per programmaverantwoordelijke (PV) per leverancier (LV) per profielcategorie (PC) en per tariefcategorie (TC) van alle aansluitingen van de desbetreffende programmaverantwoordelijke in de desbetreffende profielcategorie en de desbetreffende tariefcategorie volgens de formule:

VGVPV,LV,PC,TC = PFPC x TCFPV,PC,TC,TP x KCF x Σ SJVPV, LV,PC,TC

waarin:

PFPC = de profielfractie van de desbetreffende profielcategorie voor de desbetreffende verrekenperiode.

TCFPV,PC,TC,TP = de tariefcorrectiefactor voor de tariefperiode waarin de desbetreffende verrekenperiode valt met betrekking tot de desbetreffende programmaverantwoordelijke, de desbetreffende profielcategorie en de desbetreffende tariefcategorie.

KCF = de klimaatcorrectiefactor voor de desbetreffende verrekenperiode.

Σ SJVPV, LV,PC,TC = de som van alle standaardjaarverbruiken van aansluitingen van de desbetreffende programmaverantwoordelijke, de desbetreffende leverancier in de desbetreffende profielcategorie en de desbetreffende tariefcategorie die niet beschikken over een meetinrichting overeenkomstig 2.3.4 van de Meetcode elektriciteit.

B1.6.2

De netbeheerder bepaalt per verrekenperiode het totale veronderstelde geprofileerde verbruik (TVGV) door het overeenkomstig B1.6.1 per programmaverantwoordelijke, per leverancier, per profielcategorie en per tariefcategorie bepaalde veronderstelde geprofileerde verbruik (VGV) te sommeren over alle programmaverantwoordelijken en alle profielcategorieën en alle tariefcategorieën.

B1.6.3

De netbeheerder bepaalt per verrekenperiode het restverbruik (RV) in zijn net volgens de formule:

RV = TNI – GV – BV – NV

B1.6.4

De netbeheerder bepaalt voor de desbetreffende verrekenperiode de meetcorrectiefactor (MCF) door het overeenkomstig B1.6.3 bepaalde restverbruik (RV) te delen door het overeenkomstig B1.6.2 bepaalde totale veronderstelde geprofileerde verbruik (TVGV) volgens de formule:

MCF = RV / TVGV

B1.6.5

De netbeheerder bepaalt per verrekenperiode per programmaverantwoordelijke, per leverancier en per profielcategorie het gecorrigeerde geprofileerde verbruik (GGV) van alle aangeslotenen van de desbetreffende programmaverantwoordelijke in de desbetreffende profielcategorie volgens de formule:

GGVPV, LV,PC,TC = VGVPV, LV,PC,TC x MCF

waarin:

VGV = het overeenkomstig B1.6.1 bepaalde veronderstelde geprofileerde verbruik voor de desbetreffende verrekenperiode de desbetreffende programmaverantwoordelijke, de desbetreffende leverancier en de desbetreffende profielcategorie

MCF = de overeenkomstig B1.6.4 bepaalde meetcorrectiefactor voor de desbetreffende verrekenperiode

B1.6.6

De netbeheerder stelt de overeenkomstig B1.6.4 bepaalde meetcorrectiefactoren de volgende werkdag ter beschikking aan de programmaverantwoordelijken die het aangaan.


Bijlage 2. Gedimensioneerde profielen voor openbare verlichting en verkeersregelinstallaties

B2.1. Openbare verlichting

B2.1.1

In het geval de aansluiting van een installatie voor openbare verlichting op grond van 2.1.3.5 van de Netcode elektriciteit niet is voorzien van een comptabele meetinrichting, verstrekt de aangeslotene, tenzij anders overeengekomen, eenmaal per kwartaal aan de netbeheerder de volgende gegevens:

  1. het aantal lampen (inclusief voorschakelapparatuur) behorende tot de installatie;

  2. het vermogen per lamp (inclusief voorschakelapparatuur);

en per door de netbeheerder aan te geven tijdvak, voor zover van toepassing, vooraf:

  1. c.

    het brandschema (inclusief onderhoud)

  2. d.

    de tijden dat de installatie wordt gedimd en het vermogen van de lampen (inclusief voorschakelapparatuur) in gedimde situatie.

B2.1.2

De netbeheerder stelt op basis van de in B2.1.1 bedoelde gegevens het belastingprofiel van de installatie vast en geeft de aangeslotene desgevraagd inzage in het rekenmodel of de berekening daarvoor.

B2.1.3

De netbeheerder stelt, na overleg met de aangeslotene, indien in het in B2.1.2 bedoelde belastingprofiel geen rekening is gehouden met aan de installatie uit te voeren onderhoud, een toeslag vast op het in B2.1.2 bedoelde belastingprofiel.

B2.1.4

In afwijking van B2.1.3 houdt de netbeheerder, zo mogelijk en indien gewenst, rechtstreeks rekening met het opgegeven onderhoudsprogramma bij het vaststellen van het in B2.1.2 bedoelde belastingprofiel.

B2.1.5

De aangeslotene houdt voor de netbeheerder een technische administratie bij en geeft de netbeheerder hierin desgevraagd inzage. In deze administratie worden in elk geval de volgende gegevens opgenomen:

  1. de locatie van de lampen (inclusief voorschakelapparatuur), en;

  2. per type lamp (inclusief voorschakelapparatuur) het aantal en het vermogen.

B2.1.6

De aangeslotene houdt de in B2.1.5 bedoelde administratie actueel.

B2.1.7

Op het belastingprofiel bedoeld in B2.1.2, B2.1.3 respectievelijk B2.1.4 zijn, voor zover van toepassing, de bepalingen 6.3.5 en 6.3.10 van deze code van kracht.

B2.1.8

De aangeslotene, bedoeld in B2.1.1, toont desgevraagd door middel van een bestuurdersverklaring van de bestuurder van de beheerder van de desbetreffende installatie of een door hem daartoe gemachtigd persoon, de juistheid en de volledigheid van de in B2.1.1, onderdelen a tot en met d, en B2.1.5 bedoelde informatie aan.

B2.1.9

Indien de lampen (inclusief voorschakelapparatuur) voor openbare verlichting zich niet direct achter de aansluiting bevinden, maar deel uitmaken van een OV-installatie, blijkt uit de in B2.1.8 genoemde bestuurdersverklaring tevens dat op de desbetreffende OV-installatie uitsluitend lampen (inclusief voorschakelapparatuur) zijn aangesloten ten behoeve van openbare verlichting en daarmee gelijk te stellen lampen (inclusief voorschakelapparatuur), zoals ten behoeve van reclame- of feestverlichting, abri’s, verkeersbordverlichting etc., mits deze op dezelfde wijze geschakeld worden.

B2.1.10

Indien naar het oordeel van de netbeheerder redelijke twijfel bestaat over de juistheid en de volledigheid van de in B2.1.1, onderdelen a tot en met d, en B2.1.5 bedoelde informatie en van de in B2.1.8 bedoelde bestuurdersverklaring, overlegt de aangeslotene desgevraagd een extern audit-rapport aangaande de juistheid en de volledigheid van de in B2.1.1, onderdelen a tot en met d en B2.1.5 bedoelde informatie

B2.2. Overige onbemeten aansluitingen

B2.2.1

In het geval een aansluiting van een installatie, niet zijnde een installatie voor openbare verlichting, op grond van 2.1.3.5 van de Netcode elektriciteit niet is voorzien van een comptabele meetinrichting, verstrekt de aangeslotene, tenzij anders overeengekomen, eenmaal per kwartaal aan de netbeheerder het vermogen van de installatie, zowel in normale bedrijfstoestand als – voor zover van toepassing – in de situatie dat de installatie is gedimd respectievelijk buiten bedrijf is en per door de netbeheerder aan te geven tijdvak – voor zover van toepassing – vooraf de tijden waarop de installatie zich in één van deze bedrijfstoestanden bevindt.

B2.2.2

De netbeheerder stelt op basis van de in B2.2.1 bedoelde gegevens het belastingprofiel voor de installatie vast en geeft de aangeslotene desgevraagd inzage in het rekenmodel of de berekening daarvoor.

B2.2.3

In afwijking van B2.2.2 kan de netbeheerder het belastingprofiel van de installatie vaststellen op basis van het vermogen van de installatie in de normale bedrijfstoestand, en de invloed van het dimmen en van het buiten bedrijf zijn van de installatie daarbij verdisconteren in een vaste reductiefactor.

B2.2.4

De aangeslotene houdt voor de netbeheerder een technische administratie bij en geeft de netbeheerder hierin desgevraagd inzage. In deze administratie worden in elk geval de volgende gegevens opgenomen:

  1. de locatie van de betreffende installaties, en;

  2. het vermogen, zowel in normale bedrijfstoestand als – voor zover van toepassing – in de situatie dat de installatie is gedimd respectievelijk buiten bedrijf is.

B2.2.5

De aangeslotene houdt de in B2.2.4 bedoelde administratie actueel.

B2.2.6

Op het belastingprofiel bedoeld in B2.2.2 respectievelijk B2.2.3 zijn – voor zover van toepassing – 6.3.5 en 6.3.10 van kracht.

B2.2.7

De aangeslotene, zoals bedoeld in B2.2.1, toont desgevraagd door middel van een bestuurdersverklaring van de bestuurder van de beheerder van de desbetreffende installatie of een door hem daartoe gemachtigde persoon, de juistheid en de volledigheid van de in B2.2.1 en B2.2.4 bedoelde informatie aan.

B2.2.8

Indien naar het oordeel van de netbeheerder redelijke twijfel bestaat over de juistheid en de volledigheid van de in B2.2.1 en B2.2.4 bedoelde informatie en van de in B2.2.7 bedoelde bestuurdersverklaring, overlegt de aangeslotene desgevraagd een extern audit-rapport aangaande de juistheid en de volledigheid van de in B2.2.1 en B2.2.4 bedoelde informatie.


Bijlage 3. Verbruiksprofielen gas

B3.1. Vaststelling en beheer van verbruiksprofielen

B3.1.1

Deze bijlage is alleen van toepassing op profielafnemers

B3.1.2

Ten behoeve van de vaststelling en het beheer van de verbruiksprofielen organiseert een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas een overlegplatform, waarin naast een delegatie van een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas tevens zitting hebben alle erkende programmaverantwoordelijken die transporteren voor profielafnemers.

B3.2. Standaardprofielen gas

B3.2.1

Uiterlijk op 1 april van elk jaar worden per profielcategorie de profieldata (de parameters TOP, RER en TST) aan de regionale netbeheerder ter beschikking gesteld door het overlegplatform als bedoeld in B3.1.2.

B3.2.2

De aldus ter beschikking gestelde profieldata worden door de regionale netbeheerder gebruikt bij de profielberekeningen vanaf de eerste gasdag van het volgende kalenderjaar.

B3.2.3

Een verbruiksprofiel beschrijft een verbruikspatroon van een profielafnemer en kent voor elk uur de volgende parameters:


  1. TOP: een fractie van een (jaar)verbruik dat het temperatuuronafhankelijke verbruik van het desbetreffende uur weergeeft;


  2. RER: een fractie van een (jaar)verbruik dat het temperatuurafhankelijke verbruik per graad Celsius van het desbetreffende uur weergeeft;


  3. TST: de temperatuur in ̊C waarboven geen temperatuurafhankelijk verbruik is, de zogenaamde stooktemperatuur;


  4. Een temperatuur van het desbetreffende uur.

De parameters TOP en RER hebben een precisie van acht cijfers achter de komma; de parameter TST kent vier cijfers achter de komma.

B3.2.4

Het standaardprofiel geeft het verwachte verbruikspatroon van een gemiddelde profielafnemer in een standaard jaar, waarbij het standaard jaar wordt beschouwd als een jaar met gemiddelde klimaatcondities, dat wil zeggen een kalenderjaar met een gemiddelde temperatuur (en overige relevante klimaatcondities) per uur die gelijk is aan het gemiddelde van de over diezelfde uren gerealiseerde temperaturen (en overige relevante klimaatcondities) gedurende de periode 1988 tot en met 2002. Het totaal van de fracties van het standaardprofiel, gesommeerd over een kalenderjaar (met uitzondering van een schrikkeljaar), is gelijk aan 1.

B3.2.5

Het veronderstelde profiel geeft het verwachte verbruikspatroon van een profielafnemer gedurende de verbruiksperiode; hierbij wordt gebruik gemaakt van de gerealiseerde temperaturen.

B3.2.6

Voor het vaststellen van de gerealiseerde temperaturen en/of de verbruiksprofielen wordt één temperatuurgebied onderscheiden. De gerealiseerde temperatuur en overige relevante klimaatgegevens worden gebaseerd op de meetgegevens van de meteostations De Bilt, Beek, De Kooy, Eelde, Vlissingen en Twente.

B3.2.7

De netbeheerder van het landelijk gastransportnet verstrekt elke werkdag voor elk temperatuurgebied de actuele temperatuurcoëfficiënt (TAC), uitgedrukt in °C, voor elk uur van de voorafgaande gasdag(en) aan de regionale netbeheerders, erkende programmaverantwoordelijken en leveranciers. Hiervoor wordt het bericht ‘TINFO’ gebruikt.

B3.2.8

Ten behoeve van de near-real-time allocatie wordt in plaats van de actuele temperatuurcoëfficiënt (TAC) gebruik gemaakt van de verwachte temperatuurcoëfficiënt conform B1a.2.7 van de Allocatiecode gas.

B3.2.9

De actuele temperatuurcoëfficiënt (TAC) wordt door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet berekend volgens B3.2.9a tot en met B.3.2.9.c.

B3.2.9a

Bepaal de volgende klimaatfactoren voor elk van de meteostations De Bilt, Beek, De Kooy, Eelde, Vlissingen en Twente:

factor

formule

omschrijving

t1

tuur=i

de temperatuur (°C) van het desbetreffende uur

t2

tetmaal=i-1

de etmaalgemiddelde temperatuur van de dag voor het desbetreffende uur

t3

tetmaal=i-2

de etmaalgemiddelde temperatuur van de tweede dag voor het desbetreffende uur

w1

√(Wuur=i)/0,35

de wortel uit de windsnelheid (m/s) van het desbetreffende uur, gedeeld door 0,35

w2

√(Wetmaal=i-1)/0,35

de wortel uit de etmaalgemiddelde windsnelheid van de dag voor het desbetreffende uur, gedeeld door 0,35.

w3

√(Wetmaal=i-2)/0,35

de wortel uit de etmaalgemiddelde windsnelheid van de tweede dag voor het desbetreffende uur, gedeeld door 0,35

q1

quur=i/40

de globale instraling (J/cm2) op het platte vlak in het betreffende uur, gedeeld door 40

B3.2.9b

Bereken de temperatuurfactor voor elk meteostation met de formule:

Tfactor= (6 x (t1 – w1) + 3 x (t2 – w2) + (t3 – w3)) / 10 + q1

B3.2.9c

Bereken TACuur met de volgende formule:

TACuur = 0,28 x Tfactor[de Bilt] + 0,14 x Tfactor[Eelde] + 0,15 x Tfactor[Beek] + 0,15 x Tfactor[de Kooy] + 0,12 x Tfactor[Vlissingen] + 0,16 x Tfactor[Twente]

B3.2.10

[Vervallen]

B3.2.11

Alle berekeningen in het kader van de verbruiksprofielen worden uitgevoerd met variabelen met zoveel mogelijk cijfers achter de komma ('single precision floating point').

B3.3. Indeling van verbruikers in profielcategorieën gas

B3.3.1

Voor de kleinverbruikers waarvan verondersteld wordt dat ze een gelijkvormig verbruikspatroon hebben, kan hetzelfde verbruiksprofiel worden gebruikt. De kleinverbruikers worden daarom ingedeeld in profielcategorieën; deze indeling vindt plaats op grond van objectieve en kwantitatieve criteria.

B3.3.2

Toewijzing van profielcategorieën door de regionale netbeheerder aan kleinverbruikers gebeurt bij ingebruikname van de aansluiting en vervolgens jaarlijks per 1 januari op basis van de op dat moment bekende gegevens en de onderstaande toewijzingscriteria. Indien van een kleinverbruiker niet voldoende gegevens beschikbaar zijn om deze kleinverbruiker bij een bepaalde profielcategorie in te delen, wordt de kleinverbruiker ingedeeld bij de profielcategorie die, naar het redelijk inzicht van de regionale netbeheerder, het beste op de desbetreffende kleinverbruiker aansluit.

B3.3.3

Eén van de toewijzingscriteria betreft de profielbedrijfstijd. Onder profielbedrijfstijd (PBT) wordt verstaan het overeenkomstig B3.4 bepaalde standaardjaarverbruik van een kleinverbruiker, gedeeld door de nominale metercapaciteit (bij een overdruk van 30 mbar) behorende bij de meetinrichting van die kleinverbruiker. Indien de overdruk in de gasmeter van de desbetreffende kleinverbruiker meer dan 200 mbar bedraagt, dient de nominale metercapaciteit gecorrigeerd te worden voor de druk door de nominale metercapaciteit te vermenigvuldigen met de factor (Pnet+1013,25)/1043,25; waarbij Pnet de overdruk in de meetinrichting is, zie de hieronder weergegeven voorbeeldberekening.

Voorbeeldberekening

   

Nominale metercapaciteit

: 8 m3/uur (G8-meter)

Overdruk gasmeter

: 250 mbar(o)

Standaardjaarverbruik

: 3.000 m3(n;35,17)

Profielbedrijfstijd

: 309 uur

Zonder deze correctie zou de profielbedrijfstijd 375 uur zijn geweest.

B3.3.4

De verbruikers worden aan de hand van de volgende criteria ingedeeld in profielcategorieën:

Profielcategorie

Indelingscriterium

G1A

– kleinverbruikers zonder meetinrichting

– kleinverbruikers met een standaardjaarverbruik < 5.000 m3 (n;35,17) en met een gasmeter ≤ G6

G2A

– kleinverbruikers die niet voldoen aan de criteria voor profielcategorie G1A

G2B

– deze categorie wordt niet gebruikt

G2C

– overige profielafnemers

B3.3.5

Indien een kleinverbruiker ten gevolge van de jaarlijks overeenkomstig B3.3.2 op te stellen indeling van profielcategorieën, verandert van profielcategorie, zal het standaardjaarverbruik van die kleinverbruiker overeenkomstig B3.4 opnieuw moeten worden berekend met behulp van de profielfracties van de nieuw toegewezen profielcategorie.

De herberekening van het standaardjaarverbruik leidt niet tot herziening van de toegewezen profielcategorie.

B3.4. Het standaardjaarverbruik gas

B3.4.1

Het standaardjaarverbruik van een profielafnemer is het verwachte jaarverbruik (uitgedrukt in m3(n;35,17)) van een betreffende verbruiker in een standaard jaar (dat wil zeggen een jaar met gemiddelde klimaatcondities).

B3.4.2

Het standaardjaarverbruik wordt door de regionale netbeheerder geactualiseerd indien er sprake is van een relevante verbruiksperiode. De verbruiksperiode wordt relevant geacht, indien de periode tussen twee meteropnames tenminste 300 dagen beslaat, en de volledige maanden januari en februari omvat, hierbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van afgelezen of uitgelezen meterstanden. Het standaardjaarverbruik bestaat uit een positief getal.

B3.4.3

Indien niet wordt voldaan aan de in B3.4.2 genoemde condities, wordt het standaard jaarverbruik niet opnieuw berekend en wordt het bestaande standaardjaarverbruik gehandhaafd.

B3.4.4

Het standaardjaarverbruik wordt bepaald door het gemeten verbruik over de laatste relevante verbruiksperiode, uitgedrukt in m3(n;35,17), te delen door de som van de profielfracties in het veronderstelde profiel over de desbetreffende verbruiksperiode. In formule:

SJV = VVP/Σ VPPC

waarin:

SJV = standaard jaarverbruik van een profielafnemer [m3(n;35,17)];

VVP = verbruik over de verbruiksperiode van een profielafnemer [m3(n;35,17)];

VPPC= de profielfracties van het verondersteld profiel van de profielcategorie in de desbetreffende verbruiksperiode, rekening houdend met het juiste temperatuurgebied.

B3.4.5

Indien van een profielafnemer in profielcategorie G1A het gemeten verbruik geen betrekking heeft op een relevante verbruiksperiode, wordt het standaardjaarverbruik van deze profielafnemer bepaald door het gemiddelde te nemen van de standaardjaarverbruiken van alle profielafnemers van de betreffende regionale netbeheerder in profielcategorie G1A waarvan het standaardjaarverbruik is vastgesteld op basis van het gemeten verbruik over een relevante verbruiksperiode.

B3.4.6

Indien van een profielafnemer in een van de andere profielcategorieën het gemeten verbruik geen betrekking heeft op een relevante verbruiksperiode, bepaalt de regionale netbeheerder het standaardjaarverbruik van die profielafnemer naar beste inzicht.

B3.4.7

Het standaardjaarverbruik van kleinverbruikaansluitingen zonder meetinrichting wordt vastgesteld naar beste inzicht van de regionale netbeheerder, waarbij de volgende richtlijn gehanteerd kan worden:

  1. kookgasafnemers: 65 m3(n;35,17)

  2. warmtapwatergasafnemers: 375 m3(n;35,17)

  3. kookgas-/warmtapwatergasafnemers: 440 m3(n;35,17)

B3.4.8

Voor nieuwe geprofileerde kleinverbruikaansluitingen wordt per afnamecategorie een standaardjaarverbruik bepaald door de netbeheerder.

B3.4.9

De netbeheerder bepaalt het standaardjaarverbruik volgens de methode, bedoeld in B3.4.1 tot en met B3.4.8, uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van een vastgestelde meterstand van de leverancier of uiterlijk vijf werkdagen nadat de netbeheerder namens de leverancier een meterstand heeft vastgesteld.

B3.4.10

De netbeheerder muteert het aansluitingenregister met het standaardjaarverbruik, bedoeld in B3.4.9, uiterlijk vijf werkdagen na het bepalen van het standaardjaarverbruik overeenkomstig 2.1.8.

B3.5. De bepaling van de gegevens

Het standaardjaarverbruik van een profielafnemer vormt de basis van de door de RNB uit te voeren profielberekeningen.

B3.5.1. Berekening ten behoeve van de allocatie

B3.5.1.1

De regionale netbeheerder voert de onder deze paragraaf B3.5.1 vermelde bewerkingen per netgebied uit.

B3.5.1.2

De regionale netbeheerder bepaalt in welk temperatuurgebied het netgebied valt.

B3.5.1.3

De regionale netbeheerder bepaalt de som van de standaardjaarverbruiken van de profielafnemers van dezelfde combinatie van erkende programmaverantwoordelijke, leverancier en profielcategorie (∑SJVPV;LE,PC;Netgebied).

B3.5.1.4

De regionale netbeheerder bepaalt voor de desbetreffende profielcategorie voor elk uur de profielfractie van het temperatuurafhankelijke deel van het profiel (TAP) uit de regressiecoëfficiënt (RER) voor het desbetreffende uur, de stooktemperatuur (TST) voor het desbetreffende uur en de actuele temperatuurcoëfficiënt (TAC) van het relevante temperatuurgebied van het desbetreffende uur volgens de formules:

TAPPC = 0 indien TAC > TSTPC en

TAPPC = RERPC x (TSTPC – TAC) indien TAC ≤ TSTPC

De regionale netbeheerder gebruikt hierbij de actuele temperatuurcoëfficiënt, behorende bij het betreffende temperatuurgebied.

B3.5.1.5

De regionale netbeheerder bepaalt vervolgens voor elke profielcategorie voor elk uur de profielfractie van het verondersteld profiel (VP) uit de desbetreffende profielfractie van het temperatuuronafhankelijke deel van het profiel (TOP) en de desbetreffende profielfractie van het temperatuurafhankelijke deel van het profiel (TAP), volgens de formule:

VPPC = TOPPC + TAPPC

B3.5.1.6

De regionale netbeheerder bepaalt voor elk uur het veronderstelde geprofileerde verbruik (VGV), uitgedrukt in MJ, per erkende programmaverantwoordelijke /leverancier combinatie (PV;LE) per profielcategorie (PC) achter een bepaald netgebied volgens de formule:

VGVPV;LE,PC,netgebied = VPPC x ∑SJVPV;LE,PC,netgebied x 35,17

waarin:

VPPC = de profielfractie van het verondersteld profiel voor de desbetreffende profielcategorie voor het desbetreffende uur, rekening houdend met het juiste temperatuurgebied;

∑SJVPV;LE,PC,netgebied = de som van alle standaardjaarverbruiken van profielafnemers van de desbetreffende erkende programmaverantwoordelijke / leverancier combinatie in de desbetreffende profielcategorie achter het desbetreffende overdrachtspunt (netgebied), en;

VGVPV;LE,PC,netgebied = het veronderstelde geprofileerde verbruik voor de desbetreffende erkende programmaverantwoordelijke / leverancier combinatie, profielcategorie en overdrachtspunt (netgebied), uitgedrukt in MJ.

Het aldus berekende veronderstelde geprofileerde verbruik is de basis voor de allocatie op grond van de ‘profielklanten’.

B3.6. Wijziging profielenmethodiek

B3.6.1

Binnen het in B3.1.2 bedoelde overlegplatform vindt de vaststelling en het beheer van de verbruiksprofielen plaats.

B3.6.2

Het overlegplatform kan wijzigingen ontwerpen aangaande de regels van de profielmethodiek. Voor zover deze wijzigingen niet verenigbaar zijn met de op dat moment geldende voorwaarden als bedoeld in artikel 22 van de Gaswet zal een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas deze wijzigingen als voorstellen van het representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas met inachtneming van artikel 22, Gaswet, indienen bij de Autoriteit Consument en Markt, tenzij het representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas op redelijke gronden hun instemming onthouden aan die wijzigingen.

B3.6.3

Onder de regels met betrekking tot de profielenmethodiek worden in elk geval gerekend regels betreffende:


  1. de parameters van een verbruiksprofiel;


  2. de temperatuurgebieden;


  3. de profielcategorieën;


  4. de beschikbaarstelling van de profielgegevens;


  5. de berekeningsmethodiek

B3.6.4

De op grond van B3.6.1 vastgestelde verbruiksprofielen worden door een door een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas aangewezen uitvoeringsorganisatie op een geschikte wijze openbaar gemaakt.


Bijlage 4. Capaciteitstariefcodes Kleinverbruik

B4.1

De tariefcodes in onderstaande tabel worden geacht de laatste vijf cijfers te zijn van de capaciteitstariefcodes, waaraan de netbeheerder zijn 5-cijferige bedrijfscode laat voorafgaan.

Product

Omschrijving van de aansluiting

Tariefcode

Elektriciteit

nultarief

10000

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 1*6A geschakeld net, onbemeten

10101

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 1*10A, onbemeten

10102

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 1*6A geschakeld net

10111

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 1*10A

10112

Elektriciteit

1*10A < doorlaatwaarde ≤ 3*25A en 1*10A < doorlaatwaarde ≤ 1*80A, onbemeten

10201

Elektriciteit

1*10A < doorlaatwaarde ≤ 3*25A en 1*10A < doorlaatwaarde ≤ 1*80A

10211

Elektriciteit

3*25A < doorlaatwaarde ≤ 3*35A

10311

Elektriciteit

3*35A < doorlaatwaarde ≤ 3*50A

10411

Elektriciteit

3*50A < doorlaatwaarde ≤ 3*63A

10511

Elektriciteit

3*63A < doorlaatwaarde ≤ 3*80A

10611

Gas

nultarief

20000

Gas

onbemeten

20101

Gas

capaciteit ≤ 10m3(n)/uur en

standaard jaarverbruik < 500m3 (n;35,17)

20111

Gas

capaciteit ≤ 10m3(n)/uur en

500m3 (n;35,17) ≤ standaard jaarverbruik < 4.000m3 (n;35,17)

20211

Gas

capaciteit ≤ 10m3(n)/uur en

standaard jaarverbruik ≥ 4.000m3 (n;35;17)

20311

Gas

10 m3(n)/uur < capaciteit ≤ 16 m3(n)/uur

20411

Gas

16 m3(n)/uur < capaciteit ≤ 25 m3(n)/uur

20511

Gas

25 m3(n)/uur < capaciteit ≤ 40 m3(n)/uur

20611

Gas

25 m3(n)/uur < capaciteit ≤ 40 m3(n)/uur, voorzien van een EVHI-meetinrichting

20621

B4.2

In afwijking van B.4.1 is de onderstaande tabel van toepassing op aansluitingen waarachter zich uitsluitend één of meer productie-installaties bevinden.

Product

Omschrijving van de aansluiting

Tariefcode

Elektriciteit

Nultarief

 

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 1*6A geschakeld net, onbemeten

n.v.t

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 1*6A geschakeld net

10001

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 3*25A en ≤ 1*80A, onbemeten

n.v.t.

Elektriciteit

doorlaatwaarde ≤ 3*25A en ≤ 1*80A

10002

Elektriciteit

3*25A < doorlaatwaarde ≤ 3*35A

10003

Elektriciteit

3*35A < doorlaatwaarde ≤ 3*50A

10004

Elektriciteit

3*50A < doorlaatwaarde ≤ 3*63A

10005

Elektriciteit

3*63A < doorlaatwaarde ≤ 3*80A

10006

Gas

n.v.t.

n.v.t.


Bijlage 5. Beslistabel voor beoordeling van dispuutstanden

B5.1

B5.2

Op basis van de beslistabel uit B5.1 beslist de wederpartij of een dispuut over een meterstand kans van slagen heeft. Uitleg over de velden:

  1. dispuut over methode mogelijk: dispuut kan worden aangegaan als kan worden aangetoond dat de initiërende partij niet de juiste methode heeft gebruikt om de oorspronkelijke meterstand te berekenen;

  2. dispuut mogelijk indien buiten validatiegrens: dispuut kan worden aangegaan als kan worden aangetoond dat de oorspronkelijke meterstand buiten de validatiegrenzen valt;

  3. dispuut mogelijk: dispuut kan worden aangegaan als de herkomst van de alternatieve stand van dezelfde of een hogere waarde is, of – in het geval van fysieke opname, als bedoeld in 5.2.2.3 – de alternatieve stand een klantstand is;

  4. stand wint: onverminderd het bepaalde in 5.5.2.4, een dispuut waarbij de alternatieve stand van deze herkomst wordt gebruikt, wordt door de initiërende partij direct geaccepteerd en overgenomen als definitieve stand;

  5. geen dispuut mogelijk: dispuut kan niet worden aangegaan, aangezien de herkomst van de alternatieve stand van een lagere waarde is dan de herkomst van de oorspronkelijke stand.


Bijlage 6. Modelverklaringen Naleving Gedragscodes

B6.1

Netbeheerders nemen onderstaande tekst op in de jaarrekening voor hun verklaring met betrekking tot de naleving van de Gedragscode aangaande gegevens uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn:

“Verklaring Naleving Gedragscode voor Netbeheerders

aangaande gegevens uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn.

   

Naam rechtspersoon:

[naam rechtspersoon]

Statutaire vestigingsplaats:

[vestigingsplaats]

Periode:

[begin DD/MM/JJ] tot en met [eind DD/MM/JJ]

[Naam rechtspersoon] te [vestigingsplaats] maakt voor het goed kunnen uitvoeren van haar diensten gebruik van meetgegevens die zijn verkregen uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn. In aanvulling op de Wet Bescherming Persoonsgegevens hebben netbeheerders in de Nederlandse energiebranche een gedragscode opgesteld ten aanzien van het gebruik, het vastleggen, het uitwisselen en het bewaren van gegevens die zijn verkregen uit een kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is.

Hierbij verklaart [naam functionaris] dat [naam rechtspersoon] te [vestigingsplaats] zich gedurende de bovenvermelde periode heeft gehouden aan het gestelde in de regels en verplichtingen, genoemd in de Gedragscode [titel Gedragscode en versie].

[Plaats, datum]

[Naam functionaris en ondertekening met die naam]”

B6.2

Leveranciers nemen onderstaande tekst op in de jaarrekening voor hun verklaring met betrekking tot de naleving van de Gedragscode aangaande gegevens uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn:

“Verklaring Naleving Gedragscode voor Leveranciers en onder hun verantwoordelijkheid handelende Meetbedrijven.

aangaande gegevens uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn.

   

Naam rechtspersoon:

[naam rechtspersoon]

Statutaire vestigingsplaats:

[vestigingsplaats]

Periode:

[begin DD/MM/JJ] tot en met [eind DD/MM/JJ]

[Naam rechtspersoon] te [vestigingsplaats] maakt voor het goed kunnen uitvoeren van haar diensten gebruik van meetgegevens die zijn verkregen uit kleinverbruikmeetinrichtingen die op afstand uitleesbaar zijn. In aanvulling op de Wet Bescherming Persoonsgegevens hebben leveranciers en onder hun verantwoordelijkheid handelende meetbedrijven in de Nederlandse energiebranche een gedragscode opgesteld ten aanzien van het gebruik, het vastleggen, het uitwisselen en het bewaren van gegevens die zijn verkregen uit een kleinverbruikmeetinrichting die op afstand uitleesbaar is.

Hierbij verklaart [naam functionaris] dat [naam rechtspersoon] te [vestigingsplaats] zich gedurende de bovenvermelde periode heeft gehouden aan het gestelde in de regels en verplichtingen, genoemd in de Gedragscode [titel Gedragscode en versie].

[Plaats, datum]

[Naam functionaris en ondertekening met die naam]”

Verder lezen
Terug naar overzicht