Kasgeld- en holdingtransacties: de actuele stand van zaken
Recente jurisprudentie inzake kasgeld- en holdingconstructies is aanleiding om de actuele stand van zaken te bespreken.
Dit is niet goed mogelijk zonder de problematiek uiteen te zetten, het bericht is dan ook langer dan gebruikelijk.
1. De holdingconstructie
De holdingconstructie werkt als volgt: de aandeelhouder (X) verkoopt de aandelen van zijn BV (BV A) aan een door hemzelf opgerichte holding (BV H). BV H kan de koopsom financieren uit het door BV A belastingvrij (deelnemingsvrijstelling) uitgekeerde dividend. De koopsom komt in één keer op tafel (eventueel gefinancierd met bankkrediet) of wordt geleidelijk afgelost. In zijn aangifte claimt X voor het voordeel uit de aandelenverkoop het 20%-tarief.

De holdingconstructie kan een zakelijk motief hebben, maar komt vaak voort uit de wens van de aandeelhouder om de winstreserve van zijn BV tegen een zo laag mogelijk tarief naar privé te halen. Uitkering van dividend is progressief belast. Het voordeel bij de verkoop van de aandelen is doorgaans (bij aanwezigheid van een aanmerkelijk belang) tegen 20% belast. De aandeelhouder verliest dan wel het belang bij de vermogensbestanddelen van de BV. De holdingconstructie combineert het tariefsvoordeel met het behoud van het belang. De constructie leent zich voor periodieke herhaling.
De fiscus zal proberen aan te tonen dat de constructie is ingegeven door fiscale motieven van de aandeelhouder en niet door zakelijke motieven. Die bewijslast is, gezien de jurisprudentie, niet bijzonder zwaar. De omstandigheid dat de financiële positie van de onderneming (BV A) wordt verzwakt, levert al snel het vermoeden op dat een zakelijk motief ontbreekt. Het ligt dan op de…