Let op onderlinge vorderingen en schulden!
In de belastingwetgeving is een grote hoeveelheid anti-misbruikbepalingen opgenomen. Een probleem daarbij is dat deze bepalingen soms veel te ruw uitwerken en ook sancties dicteren in situaties waarvoor ze niet waren bedoeld. Een voorbeeld hiervan is de wettelijke bepaling die voorschrijft dat bij voeging van vennootschappen in een fiscale eenheid VPB onderlinge vorderingen en schulden moeten worden gesteld op de bedrijfswaarde of (lagere) nominale waarde.
Het basisprincipe van de wettelijke bepaling is relatief eenvoudig. De wetgever wil voorkomen dat verliezen dubbel worden genomen. Een voorbeeld ter verduidelijking.
Dubbel verlies
Vennootschap M heeft een vordering op vennootschap D. De nominale waarde van de vordering is 1.000, maar M heeft deze afgewaardeerd tot 300. D laat de schuld (vanzelfsprekend) staan op nominale waarde. Als M en D vervolgens een fiscale eenheid aangaan, wordt de onderlinge schuldvorderingverhouding geëlimineerd. Een toekomstige vermogensverbetering van D leidt dan niet meer tot een belaste opwaardering van de vordering bij M, terwijl het compensabel verlies bij D wel in stand blijft. Het is duidelijk dat in dit geval teveel verlies is genomen.
Het dubbel nemen van het verlies wordt in de Wet Vpb voorkomen door de bepaling dat op het voegingstijdstip (meer precies: onmiddellijk voorafgaand aan de voeging) de te voegen vennootschappen hun onderlinge vorderingen en schulden moeten waarderen op de laagste van bedrijfswaarde en nominale waarde. In het voorbeeld betekent dit dat D de schuld op 300 moet waarderen. Daarmee behaalt D dus een fiscale winst van 700 wegens gedeeltelijke vrijval op de schuld. Hiermee wordt een afwaarderingsverlies op tussen de te voegen vennootschappen bestaande geldleningen geneutraliseerd.
Overkill
De praktijk is diverser…