Naar de inhoud

Nog één keer de evenredige splitsing: toepassing evenredige splitsing met enig aandeelhouder

Samenvatting

De evenredige splitsing in de zin van artikel 2:334hh lid 2 BW blijft de gemoederen bezig houden. In deze bijdrage staat centraal of de evenredige splitsing toegepast kan worden indien de splitsende vennootschap slechts één aandeelhouder heeft.

Tekst

Met het van kracht worden van de wijzigingen in de fusie- en splitsingswetgeving per 1 juli 2011 is een nieuwe vereenvoudigde vorm van splitsing, de ‘evenredige splitsing’, ingevoerd in artikel 2:334hh lid 2 BW. Artikel 2:334hh lid 2 BW luidt als volgt:

“Indien alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht en de aandeelhouders van de splitsende vennootschap daarvan, evenredig aan hun aandeel in de splitsende vennootschap, aandeelhouder worden, zijn de artikelen 334g, 334i en 334y tot en met 334bb niet van toepassing.”

De evenredige splitsing hebben wij al besproken in: E.R. Roelofs en G.C. van Eck, ‘Toepassing van de evenredige splitsing in de praktijk’, TvOB 2011/6, p. 127-133, JBN 2012, nr. 1 en JBN 2012, nr. 18.

Het blijkt dat in de praktijk enige reuring is ontstaan naar aanleiding van onze constatering dat de gefaciliteerde evenredige splitsing naar de letter van de wet slechts toegepast lijkt te kunnen worden indien de splitsende vennootschap meer dan één aandeelhouder heeft.

Dit was ingegeven door de woorden ‘aandeelhouders van de splitsende vennootschap’ in samenhang met het begrip ‘evenredigheid’ in artikel 2:334hh lid 2 BW. In deze bijdrage zullen wij nader ingaan op de vraag of de gefaciliteerde evenredige splitsing kan worden toegepast indien de splitsende vennootschap een enig aandeelhouder…