Onzakelijk handelen en onzakelijke uitgaven leiden tot winstuitdeling
Samenvatting
De ondernemingsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het beleggen in effecten en het exploiteren van onroerende zaken. Belanghebbende heeft een hoog bedrag aan reis-, verblijf- en representatiekosten afgetrokken. Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de opgevoerde uitgaven aan reis-, verblijf- en representatiekosten voor zakelijke doeleinden zijn gedaan. Tot het gecorrigeerde bedrag van deze kosten zijn de uitgaven gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de dga van belanghebbende. Die kosten kunnen derhalve niet ten laste van het resultaat van belanghebbende worden gebracht. Ter zake van de transacties met onroerende zaken tussen belanghebbende en de kinderen van de dga is sprake van onzakelijk handelen, alsmede van een bevoordelingsbedoeling van belanghebbende, waarvan de dga zich bewust is geweest. Voor zover de bij de transacties gehanteerde verkoopprijzen onzakelijk zijn, wordt de correctie van de boekwinsten aan de herinvesteringsreserve toegevoegd.
(Hoger beroep gegrond.)
Commentaar
1. Wat mij opvalt is dat het hof in deze uitspraak het Renpaarden-arrest niet met zoveel woorden noemt in zijn overwegingen (HR 14 juni 2002, nr. 36.453, NTFR 2002/854 met commentaar van Hemels). Dat arrest vormt al sinds 2002 de toetssteen bij de vraag of uitgaven van een vennootschap zakelijk en derhalve aftrekbaar zijn. De slotsom doet vermoeden dat het oordeel van het hof wel op dit arrest is gestoeld, omdat hij uiteindelijk oordeelt dat de betreffende kosten dat de betreffende uitgaven niet op zakelijke gronden zijn gedaan, maar ter bevoordeling van haar aandeelhouder. Dat is in lijn met de tekst van het Renpaarden-arrest, zij het niet volledig. De Hoge Raad overwoog immers dat door…