Over aanmerkelijk belang en emigratie; vormt de N-zaak een pyrrusoverwinning?
Inleiding
Een van de markante elementen van de herziening van de aanmerkelijkbelangregeling per 1 januari 1997 betrof de invoering van een afrekening aan de grens bij de emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder uit Nederland. Een afrekening in de vorm van heffing van inkomstenbelasting over de meerwaarde die ten tijde van de emigratie van de AB-houder aan het aanmerkelijkbelang kan worden toegekend. Weliswaar was en is het mogelijk te voorkomen dat deze heffing ook daadwerkelijk tot betaling van inkomstenbelasting ten tijde van de emigratie leidde c.q. leidt doch aanvankelijk was uitstel van betaling ter zake van de aanslag waarin vooromschreven heffing was begrepen slechts mogelijk indien de desbetreffende emigrant zekerheid stelde. Ten tijde van de herziening van de aanmerkelijkbelangregeling per 1 januari 1997 werd zowel met betrekking tot de verplichting tot het stellen van zekerheid - teneinde een acute afrekening te voorkomen - als met betrekking tot het fenomeen van een heffing aan de grens - bij emigratie - in de literatuur getwijfeld of zulks in overeenstemming was met de binnen de Europese Unie geldende verdragsvrijheden bijvoorbeeld in de vorm van het recht van vestiging of het reis- en verblijfsrecht. Deze twijfels werden nog versterkt door het arrest van het Hof van Justitie d.d. 11 maart 2004 (C-9/02, Hughes de Lasteyrie du Salliant). In dit arrest werd een vergelijkbare Franse heffing aan de grens door het Hof - als zijnde in strijd met het recht van vestiging - naar de prullenbak verwezen. De - met het recht van vestiging onverenigbare - Franse heffing verbond, op gelijke wijze als de per 1 januari 1997 in Nederland ingevoerde emigratieheffing ter zake van aanmerkelijk belang, als voorwaarde…