Proefschrift: De relativiteit van wettelijke normen
Drie stellingen
P.W. den Hollander, De relativiteit van wettelijke normen
Promotor: prof. mr. A.G. Castermans Het proefschrift is verdedigd aan de Universiteit Leiden op 22 juni 2016
Inleiding
Hoe zou de rechter de relativiteit van een wettelijke norm in de zin van art. 6:163 BW moeten vaststellen? Dat is een van de centrale vragen in mijn proefschrift De relativiteit van wettelijke normen, waarop ik op 22 juni 2016 ben gepromoveerd in Leiden. Promotor was prof. mr. A.G. Castermans.
In mijn proefschrift behandel ik deze vraag tegen de achtergrond van het debat in de literatuur over de rechtspraak over de relativiteit van wettelijke normen. Ik beperk me daarbij tot de rechtspraak vanaf 2004. Dat jaar markeert met het arrest Duwbak Linda het begin van de ‘moderne’ rechtspraak over de relativiteit van wettelijke normen. De Hoge Raad oordeelt daarin dat het Reglement onderzoek schepen op de Rijn niet strekt tot bescherming tegen schade aan schepen van een derde, als gevolg van het zinken van een oude duwbak, die ten onrechte door de scheepskeuring was gekomen.1
Verder nemen in het debat de relativiteitsoordelen van de Hoge Raad in Iraanse vluchteling en de hangmatzaak een prominente plaats in. In Iraanse vluchteling velt de Hoge Raad eveneens een ontkennend relativiteitsoordeel. Hij oordeelt dat de toelating als vluchteling op de voet van de Vreemdelingenwet (oud) niet strekt tot bescherming tegen schade, bestaande in gederfd inkomen, als gevolg van het feit dat een uit Iran afkomstige vrouw geen betaalde arbeid had mogen verrichten, doordat haar ten onrechte de toelating als vluchteling was onthouden.…