Rangwisseling bij herverpanding: gevolgen voor derden?
1. Inleiding
Herverpanding is een opmerkelijke figuur in het Nederlandse zekerhedenrecht. De in art. 3:242 BW geregelde vorm van verpanding houdt in dat een pandhouder, aan wie de bevoegdheid daartoe ondubbelzinnig door de pandgever is toegekend, het in pand verkregen goed op zijn beurt verpandt aan een derde. Herverpanding heeft tot gevolg dat twee pandrechten op het pandobject komen te rusten, namelijk: het oorspronkelijke pandrecht van de pandhouder/herpandgever en het herpandrecht van de herpandhouder.2 Tussen dit oorspronkelijke pandrecht en herpandrecht vindt een rangwisseling plaats, als gevolg waarvan het herpandrecht in rang boven het oorspronkelijke pandrecht gaat. Deze rangwisseling roept de nodige vragen op.3 Zo is niet direct duidelijk wat de grondslag hiervoor is, hoe zij werkt en wat de rechtsgevolgen van een dergelijke rangwisseling zijn. Meer in het bijzonder is onduidelijk of deze rangwisseling uitsluitend in de onderlinge verhouding tussen pandhouder/herpandgever en herpandhouder werkt of ook tegen derden met goederenrechtelijke aanspraken op het (her)pandobject kan worden ingeroepen.
Na een korte uiteenzetting van de rechtsfiguur van herverpanding (paragraaf 2) en de bijzondere rangwisseling die in dat verband plaatsvindt (paragraaf 3), bespreek ik de complicaties die als gevolg van deze rangwisseling kunnen optreden bij meervoudige verpanding alsmede vier oplossingsrichtingen die voor deze problematiek kunnen worden onderscheiden (paragraaf 4). Ik sluit af met een bespreking van de vraag of, en in hoeverre, de rangwisseling bij herverpanding aan derden kan worden tegengeworpen (paragraaf 5).
2. Herverpanding
Herverpanding vindt, zoals reeds opgemerkt, haar wettelijke grondslag in art. 3:242 BW. Op grond van deze bepaling kan een pandhouder…