Sign. - Alle dertien middelen van Schindler (liftenkartel) afgewezen door het Hof
Arrest HvJ EU van 18 juli 2013, Schindler Holding Ltd e.a./Commissie (C-501/11)
Met hun hogere voorziening verzoeken diverse vennootschappen van de Schindler-groep om vernietiging van het arrest van het Gerecht (T-138/07), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/E-1/38.823 – Liften en roltrappen).
Anders dan de Schindler-groep betoogt, oordeelt het Hof dat het gegeven dat de Commissie in mededingingszaken zowel het onderzoek leidt als de boetes oplegt, op zichzelf niet in strijd is met artikel 6 EVRM, onder verwijzing naar met name het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 27 september 2011, in Menarini Diagnostics/Italië (nr. 43509/08).
In een ander middel bestrijdt de Schindler-groep de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor de kartelgedragingen van haar dochterondernemingen. Volgens de Schindler-groep berust het argument – volgens hetwelk een moedermaatschappij en haar dochterondernemingen één enkele onderneming vormen en voor de berekening van alle geldboeten dus de omzet van de groep in aanmerking moet worden genomen – op een onjuiste rechtsopvatting. Ook dit is volgens het Hof geenszins het geval.
Geen van de overige elf aangevoerde middelen – die ook voor het Gerecht waren aangevoerd en afgewezen – wordt aanvaard door het Hof en de hogere voorziening wordt in zijn geheel afgewezen.