Sign. - De juridische haken en ogen aan de ondernemingsovereenkomst
Het doel van de wetgever met art. 32 lid 2 WOR (de ondernemingsovereenkomst) is de introductie van een flexibel instrument om een effectieve medezeggenschap te bevorderen. In deze bijdrage beziet de auteur mede op basis van rechtspraak of dit doel in de praktijk ook wordt bereikt. De auteur gaat eerst in op de parlementaire geschiedenis van art. 32 lid 2 WOR. Daarna beschrijft hij, onder verwijzing naar relevante rechtspraak, de wijze waarop een ondernemingsovereenkomst tot stand kan komen. Hij besteedt daarbij onder meer aandacht aan de vraag of het schriftelijkheidsvereiste een bestaansvoorwaarde is voor de ondernemingsovereenkomst. Volgens de auteur heeft het schriftelijkheidsvereiste vooral een bewijsfunctie. Hierna bespreekt de auteur de opzegging van de ondernemingsovereenkomst. De WOR zwijgt hierover. Uitgangspunt is dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd geldt, tenzij anders tussen partijen is afgesproken. Uit de rechtspraak volgt, volgens de auteur, dat zowel de ondernemer als de OR de ondernemingsovereenkomst in beginsel niet zomaar kan opzeggen. Dit kan waarschijnlijk wel indien partijen in de overeenkomst nadrukkelijk een bepaling hebben opgenomen ten aanzien van de opzegmogelijkheid. Ten aanzien van het primaat van de vakbonden, opgenomen in art. 32 lid 3 WOR, merkt de auteur op dat dit betekent dat indien een onderwerp reeds inhoudelijk is geregeld, de OR geen advies- en instemmingsrecht heeft over dit onderwerp. Dat acht de auteur niet van deze tijd. Hij meent dat er vanuit juridisch perspectief sprake is van een minder sterke rechtvaardigingsgrond voor de keuze voor vakbonden als onderhandelingspartners als het gaat om primaire arbeidsvoorwaarden. De auteur gaat daarna kort in op de wijze waarop de ondernemingsovereenkomst in de (ingetrokken) Wet…