Naar de inhoud

Sign. - Twee nationaliteiten, twee landen: welk recht is van toepassing? (Gerechtshof Amsterdam 16 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1855)

M (van Duitse nationaliteit) en V (van Colombiaanse nationaliteit) hebben een affectieve relatie met elkaar, waaruit medio 2009 dochter D (van Duitse nationaliteit) wordt geboren. Het gezin woont op dat moment in Spanje. M heeft D in Spanje erkend. In het najaar van 2009 verhuist het gezin naar Nederland. In 2015 beëindigen M en V hun relatie. De hoofdverblijfplaats van D is bij V. M verzoekt een verklaring voor recht dat hij van rechtswege – tezamen met V – belast is met het ouderlijk gezag over D. De rechtbank wijst het verzoek toe. V gaat in hoger beroep. Het hof overweegt dat het verzoek van M is ingediend na de inwerkingtreding van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996). Op grond daarvan is dat verdrag van toepassing bij de beantwoording van de vraag of M mede met het gezag over D is belast. Het uitgangspunt van het HKBV 1996 en de Uitvoeringswet (artikel 30 lid 3) is dat de ouderlijke verantwoordelijkheid, zoals die bestond vóór de inwerkingtreding, na de inwerkingtreding gerespecteerd dient te worden. Het hof onderzoekt daarom eerst of de ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van D vóór de inwerkingtreding van het HKBV 1996 van rechtswege aan M is toegekomen. Het hof stelt vast dat de van rechtswege ontstane gezagsverhouding tussen D en M beheerst wordt door het destijds geldende Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (HKBV 1961). Volgens artikel 3 van dat verdrag moet het recht van de nationaliteit van de minderjarige worden toegepast bij de vaststelling of van rechtswege een gezagsverhouding is ontstaan. D heeft de Duitse nationaliteit en naar Duits recht brengt een erkenning niet van rechtswege ouderlijk…