Sign. - Wederindiensttredingsvoorwaarde, voorwaardelijke toestemming CWI, onregelmatigheid, schadeplichtigheid, nietigheid
Werknemer vordert doorbetaling salaris wegens overtreding door werkgever van de door het CWI aan de ontslagvergunning verbonden voorwaarde om binnen 26 weken na bekendmaking van de toestemming geen derden in dienst te nemen voor werkzaamheden die in het verleden tot het takenpakket van werknemer behoorden. De vordering wordt afgewezen, nu overtreding van de voorwaarde niet tot gevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan, maar slechts leidt tot onregelmatige opzegging en schadeplichtigheid van degene die onregelmatig heeft opgezegd. Nu werknemer geen (volledige of gefixeerde) schadevergoeding vordert, brengt dit mee dat deze grondslag de vordering niet kan dragen. Werknemer heeft ter zitting nog betoogd dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigbaar is, omdat deze geacht moet worden te zijn geschied zonder de op grond van art. 6 BBA vereiste toestemming van het CWI. De kantonrechter leidt hieruit af dat werknemer zich (subsidiair) beroept op art. 9 BBA en loonbetaling vordert op de voet van art. 7:628 BW. Gesteld noch gebleken is dat werknemer zich (tijdig) jegens werkgever heeft beroepen op de vernietigingsgrond van de opzegging en zich beschikbaar heeft gehouden tot het verrichten van de bedongen arbeid. Dit heeft tot gevolg dat ook de subsidiaire grondslag de vordering niet kan dragen. Volgt afwijzing vordering. (Ktr. Haarlem 22 juni 2009, LJN BI9642)
(Ktr. Haarlem 22 juni 2009, LJN BI9642)