Naar de inhoud

Toepassing artikel 13 WBR bij verkoop vrij op naam

Samenvatting

Bij verkrijging van een onroerende zaak binnen zes maanden na een vorige verkrijging wordt ingevolge artikel 13 WBR de grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van de tweede verkrijging verminderd met de grondslag voor de heffing ter zake van de eerste verkrijging. Indien de tweede verkrijging vrij op naam geschiedt, wordt de grondslag voor de overdrachtsbelasting van die verkrijging berekend zonder rekening te houden met de overdrachtsbelasting. Die in beginsel duidelijke regel blijkt toch te kunnen leiden tot een verschillende uitleg.

Tekst

De casus

Ingevolge een akte van levering van 30 december 1998 heeft belanghebbende een onroerende zaak verkregen voor ƒ 21.519.530 vrij op naam, inclusief ƒ 22.628 notariskosten. Deze verkrijging geschiedde binnen zes maanden na een vorige verkrijging welke was geschied voor ƒ 11.335.000 kosten koper.

De inspecteur berekende de verschuldigde overdrachtsbelasting als volgt: de verkrijgingsprijs na aftrek van de notariskosten bedroeg ƒ 21.496.902. Na aftrek van de grondslag van de vorige verkrijging blijft over ƒ 10.161.902. Dat bedrag is inclusief 6% overdrachtsbelasting over de netto-verkrijgingsprijs na aftrek van de heffingsgrondslag ter zake van de vorige verkrijging. De overdrachtsbelasting is dan 6/106 van dit bedrag, hetgeen uitkomt op ƒ 575.202.

Belanghebbende hanteerde een geheel andere berekening. Hij berekende de overdrachtsbelasting als volgt: de verkrijgingsprijs na aftrek van de notariskosten bedroeg ƒ 21.496.902. De grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting is dan 100/106 van dit bedrag, hetgeen uitkomt op ƒ 20.280.096. …