Uitzondering heffing vertrekvergoeding maakt geen onderscheid tussen vóór t-1 onvoorwaardelijk en voorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten
Samenvatting
Belanghebbende heeft van 2007 tot 2010 aan haar werknemers voorwaardelijke aandelenoptierechten toegekend. In 2011 zijn de aandelenoptierechten van werknemers A, B, C en D onvoorwaardelijk geworden en uitgeoefend. Datzelfde jaar of het jaar daarna zijn hun dienstbetrekkingen beëindigd en is aan hen een ontslagvergoeding toegekend. De voordelen die door genoemde werknemers ter zake van de uitoefening van de aandelenoptierechten zijn genoten heeft de inspecteur tot de vertrekvergoeding gerekend. De uitzondering neergelegd in art. 32bb, lid 7, Wet LB 1964 is volgens de inspecteur niet van toepassing, aangezien lid 7 uitsluitend ziet op aandelenoptierechten die eerder dan het jaar voorafgaande aan het vertrek van de werknemers (vóór t-1) onvoorwaardelijk zijn geworden. Belanghebbende stelt dat aandelenoptierechten die zijn toegekend vóór t-1 maar nog niet onvoorwaardelijk zijn geworden, ook van de vertrekvergoeding zijn uitgezonderd.
Hof Den Haag (24 februari 2016, nrs. 14/01536 t/m 14/01540, NTFR 2016/896) heeft geoordeeld dat noch in de tekst van de wet, noch in de parlementaire geschiedenis van art. 32bb Wet LB 1964, noch in die van art. 10a Wet LB 1964 steun is te vinden voor de opvatting van de inspecteur dat voor de toepassing van art. 32bb, lid 7, Wet LB 1964 een onderscheid moet worden gemaakt tussen in het jaar van beëindiging bestaande optierechten die nog niet onvoorwaardelijk zijn maar dat worden in het jaar van beëindiging enerzijds en onvoorwaardelijk toegekende optierechten anderzijds. De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld.
A-G Niessen acht het op basis van de parlementaire geschiedenis aannemelijk dat met de bewoordingen…