Naar de inhoud

Van collaterale impost tot successiebelasting

In de zestiende eeuw verschenen hier te lande de eerste fiscale heffingen op verervingen in de zijlijn. De jongste wijzigingen in het erfrecht vereisen enige aanpassingen aan de huidige Successiewet. Daartussen liggen bijna vijf eeuwen discussie en wetsgeschiedenis over de successiebelasting.1

1. Erfrecht en successiebelasting

E.M. Meijers schreef in 1919 in dit blad over de plannen tot wijziging van de bepalingen omtrent het erfrecht in het Burgerlijk Wetboek. In deze plannen was plaats ingeruimd voor toekenning van erfrecht aan de Staat. Meijers vroeg zich af waarom de wetgever de Staat civielrechtelijk in de boedel liet opkomen in plaats van via belastingheffing een deel van “het volkskapitaal” tot zich te nemen. De genoemde plannen zijn geen wet geworden; Nederland kende en kent tot op heden geen staatserfrecht.3

De huidige wijziging van het erfrecht in het Burgerlijk Wetboek geeft geen aanleiding voor een hernieuwde discussie over staatserfrecht, maar de wetgever in fiscalibus heeft zich wel moeten buigen over de mogelijke gevolgen van de erfrechtherziening voor de successiebelasting. De noodzakelijke aanpassingen zijn echter gering. Zij resulteren er vooral in dat de uitoefening van wilsrechten niet wordt gehinderd door fiscale regels en dat de waarde van de verkrijging niet wordt beïnvloed door de voorgeschreven rente, maar dat wel rekening wordt gehouden met overeengekomen afwijkingen in het rentetarief.4

De relatie erfrecht – successiebelasting vormt de aanleiding om ook eens wat breder terug te blikken in de geschiedenis van de successiebelasting of van het successierecht zoals de heffing in het dagelijks spraakgebruik nog altijd veelal wordt genoemd, een term die eeuwenlang in gebruik was en daarom niet zo eenvoudig wil verdwijnen. Daarbij zal ik het eveneens in…