Wanneer is een drijvende woning onroerend?
Wet WOZ
Op 15 januari 2010 is de Hoge Raad ingegaan op de vraag wanneer een drijvende woning als onroerend moet worden aangemerkt. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een grondkavel, een waterkavel en een woonark. De woonark ligt vast door middel van twee metalen beugels die elk zijn bevestigd rond een meerpaal. Deze meerpalen zijn vast verankerd in de bodem van de waterkavel waarop de woonark zich bevindt. De ark is aangesloten op de gemeentelijke riolering en op nutsvoorzieningen.
Het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken wordt ook voor de Wet WOZ en de onroerendezaakbelastingen beheerst door art. 3:3 BW. Dit geldt ook voor drijvende woningen.
Het Hof had geoordeeld dat de woonark is verenigd met de grond, aangezien deze door middel van beugels is verbonden met in de bodem verankerde meerpalen. Volgens de Hoge Raad is dit onjuist. Het gaat hier om een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, zodat sprake is van een schip in de zin van art. 8:1 BW, en een schip is in het algemeen een roerende zaak. Een verbinding tussen een schip en de onder dat schip gelegen bodem die toelaat dat het schip met de waterstand meebeweegt, kan niet leiden tot het oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van art. 3:3 lid 1, BW.
De zaak wordt verwezen naar een ander Hof voor een onderzoek of de woonark is verbonden met de oever op een dusdanige wijze dat sprake is van vereniging met die grond in de zin van art. 3:3, lid 1, BW…