Wijziging Besluit stimulering duurzame energieproductie (diversen)
Besluit van 27 januari 2015, houdende wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie. Dit besluit treedt later in werking. Met het onderhavige besluit wordt het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit SDE) op een aantal punten gewijzigd. Aanleiding is het 'Energieakkoord voor Duurzame Groei' (hierna: energieakkoord), dat het kabinet in september 2013 heeft gesloten met werkgevers, werknemers, natuur- en milieuorganisaties, energiebedrijven, decentrale overheden en vele andere organisaties. In het energieakkoord is afgesproken dat het aandeel duurzame energie stijgt naar 14% in 2020 en 16% in 2023. Partijen zijn het er over eens dat de bestaande SDE+ regeling het belangrijkste instrument is voor financiering van de onrendabele top bij de uitrol van hernieuwbare energieopwekking. De systematiek van de SDE+ blijft dan ook ongewijzigd. Wel zullen er op enkele punten wijzigingen worden doorgevoerd om onder andere de afspraken uit het energieakkoord te kunnen faciliteren (Kamerstuk 31239, nr. 171). Voorts wordt het besluit op een aantal punten gewijzigd ter vereenvoudiging van de uitvoering.
In het energieakkoord is afgesproken dat voor windparken op zee in de periode 2015–2019 voor 3.450 MW aan subsidie beschikbaar zal worden gesteld. Daarnaast is in het energieakkoord afgesproken dat de kostprijs voor wind op zee in de periode 2014–2024 met 40% zal dalen(Kamerstukken II, vergaderjaar 2012/13, 30 196, nr. 202).
In het energieakkoord is afgesproken dat bij- en meestook in kolencentrales gestimuleerd zal worden. Voorwaarde hierbij is dat er nationale duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa worden opgesteld. Om de stimulering van bij- en meestook mogelijk te maken zullen verschillende punten in het Besluit SDE worden gewijzigd.
Het Besluit SDE zal zo gewijzigd worden dat het stimuleren van gezamenlijke projecten tussen Nederland en een andere lidstaat mogelijk wordt. Europese samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie biedt kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Het is mogelijk om onbenutte productie van kWh mee te nemen naar volgende jaren, zodat indien in een jaar de subsidiabele productie niet volledig benut kan worden, dit in een later jaar alsnog kan gebeuren als het aantal geproduceerde kWh boven de subsidiabele productie ligt. Het kan echter ook gebeuren dat in de eerste jaren sprake is van overtollige productie van kWh, terwijl in een later jaar sprake is van onbenutte productie van kWh. Dit is een risico voor de projecten. Door ook het meenemen van overtollige productie van kWh naar latere jaren toe te staan en de bepalingen ten aanzien van het verlenen van voorschotten hiermee in lijn te brengen, wordt dit risico weggenomen.
STB 2015, 47
| Wetgeving | Kaderwet EZ-subsidies |
|---|---|
| Jurisprudentie | |
| Officiële publicaties | STB 2015, 47 |
| Europese regelgeving | |
| Soort nieuws | Wetgeving |
| Publicatiedatum | 24-02-2015 |
| Nummer | 2015/0092 |