Naar de inhoud

1. Berekening fictieve opzegtermijn WW, 1.2. Aandachtspunten(Werkloosheid)

Deze paragraaf is bijgewerkt tot 16 februari 2015

Bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn moet ook de aanzegtermijn worden meegeteld (CRvB 28 maart 2001, nr. 98/4986 AWW, USZ 2001/10).

Als een contractuele regeling van opzegtermijnen in strijd is met de wet, geldt de wettelijke regeling van art. 7:672 BW (CRvB 15 januari 2003, nr. 00/3909 WW, USZ 2003/107, RSV 2003/103, ECLI:NL:CRVB:2003:AF5515).

Opzegtermijnen naar buitenlands arbeidsrecht moeten bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn buiten beschouwing blijven (CRvB 15 september 2004, nr. 03/177 WW, USZ 2004/337).

Voor de vaststelling van de opzegtermijn moet worden uitgegaan van de lengte van het dienstverband bij de betrokken werkgever. Voorgaande dienstverbanden blijven buiten beschouwing. Dit betekent dat bij opvolgend werkgeverschap (art. 7:668a, lid 2, BW) het UWV moet uitgaan van de duur van het dienstverband met de laatste werkgever en niet mag terugrekenen tot de datum waarop de verzekerde in dienst trad van de werkgever (CRvB 1 september 2004, nr. 00/1050 WAZ, USZ 2004/32).

Als de arbeidsovereenkomst echter zelf regels bevat om voorafgaande dienstbetrekkingen mee te tellen bij de vaststelling van de opzegtermijn, tellen eerdere dienstbetrekkingen wel mee (CRvB 30 november 2011, nr. 10/2331 WW-T, USZ 2012/24, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6530; CRvB 21 september 2011, nr. 10/3563 WW, USZ 2011/297, ECLI:NL:CRVB:2011…