Art. - Arrest Gemeente Utrecht/Trapman
In de afgelopen jaren is in elke uitgave van HIP een klassieker uit het huurrecht besproken, dat wil zeggen een uitspraak die van grote betekenis is (geweest) voor het huurrecht. Steeds kwam aan bod wat de aanleiding voor de procedure was, welke rechtsvraag voorlag en of de uitspraak nog steeds relevant is voor het huidige huurrecht. In dit nummer de laatste aflevering, dit keer over het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 1984, NJ 1984, 788 (Gemeente Utrecht/Trapman) over de vraag of een onroerende zaak als vergelijkingsobject kan worden gebruikt als die aan een vrije ontwikkeling van het huurprijsniveau onttrokken is geweest.
Wat was de aanleiding voor deze procedure?
De gemeente Utrecht verhuurde aan S. Trapman en Zn B.V. (‘Trapman’) sinds 1975 twee benzinestations. Als huurprijs was overeengekomen een bedrag gelijk aan 2,5% van de bruto-omzet. De gemeente Utrecht was verhuurder van (op één na) alle andere benzinestations in Utrecht, waarmee dezelfde huurprijs was afgesproken. Trapman verzocht na de eerste huurperiode van vijf jaar om een herziening van de huurprijs. Dit verzoek werd afgewezen omdat volgens de kantonrechter alleen benzinestations in Utrecht in aanmerking kwamen als vergelijkingsobject. Aangezien deze benzinestations ook door de gemeente Utrecht werden verhuurd en allemaal dezelfde huurprijs hadden, stond volgens de kantonrechter vast dat de huurprijs overeenkwam met vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse. De kantonrechter wees het verzoek om huurprijsherziening dus af. Tegen dit oordeel ging Trapman in hoger beroep bij de rechtbank.1
Wat was de rechtsvraag?
Het ging in deze procedure om de vraag of een onroerende zaak bruikbaar is…