Art. - Opschorten: lastig en riskant
Opschorten, wanneer mag het wel en wanneer niet? De Hoge Raad heeft in januari van dit jaar een arrest gewezen waarin het opschortingsrecht centraal staat (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95). Een goed moment om de (huidige) stand van zaken aangaande opschorting te bespreken.
1. Inleiding
De vraag of een partij zich al dan niet op een opschortingsbevoegdheid mag beroepen, wordt in het algemeen als lastig ervaren in de praktijk. Bovendien is opschorten riskant. Indien de rechter achteraf van oordeel is dat een partij zich ten onrechte op een opschortingsbevoegdheid heeft beroepen, is deze partij van rechtswege in verzuim en dus schadeplichtig.1 Het getuigt dan ook van wijs beleid om de cliënt te wijzen op de risico’s die verbonden zijn aan de opschorting van een verbintenis. Het is wel zo dat de Hoge Raad de opschortende partij in zekere mate tegemoetkomt: een partij die niet presteert, mag later in de procedure naar voren brengen dat opschorting (van de verbintenis) de reden van het achterwege laten van de prestatie is geweest. Voor opschorting is in beginsel niet vereist dat de opschortende partij aan haar wederpartij mededeelt dat zij de nakoming van haar verbintenis opschort en waarop die opschorting is gebaseerd. Wél is van belang dat daadwerkelijk wordt opgeschort. Een opdrachtnemer die aan zijn opdrachtgever meedeelt dat hij het werk ‘op een laag pitje zet’ zolang een bepaalde factuur niet is betaald maar niet daadwerkelijk zijn werkzaamheden opschort, zal zich later niet op opschorting kunnen beroepen.2 Het grootste misverstand rond opschorting is dat daarvoor verzuim zou zijn vereist. Dat…