Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of order, of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht, wordt gevestigd door de zaak of het toonder- of orderpapier te brengen in de macht van de pandhouder of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De vestiging van een pandrecht op een recht aan order of op het vruchtgebruik daarvan vereist tevens endossement.
Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 3 art. 236 (Vermogensrecht)
Commentaar is bijgewerkt tot 04-08-2016 door mr. K.J. Krzeminski
Artikel 236 Tekst van de hele regeling
Op andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.
A: Inleiding
Dit artikel geeft de vestigingsvereisten van vuistpand. Vuistpand is een vorm van pandrecht, waarbij de in pand gegeven zaak in de macht van de pandhouder wordt gebracht. Hierin verschilt het vuistpand van het vuistloos pandrecht (ook wel ‘stil’ of ‘bezitloos’ pandrecht). De vestigingsvereisten van stil pandrecht op roerende zaken worden gegeven in artikel 3:237 BW. De vestiging van stil pandrecht op vorderingen op naam wordt geregeld in artikel 3:239 BW.
B: Wetstechnische informatie
Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.
C: Kernproblematiek
C.1: Algemene vestigingsvereisten
Een pandrecht kan worden gevestigd op alle overdraagbare goederen die geen registergoed zijn (artikel 3:227 lid 1 en artikel 3:228 BW). Op de vestiging van pandrechten zijn de…